Nu op de longlist voor de Europese Literatuurprijs 2021: Guzel Jachina’s Wolgakinderen, vertaald door Arthur Langeveld. Lees bij ons een fragment!
Jakob Bach leidt een eenvoudig leven als onderwijzer in het dorpje Gnadenthal, een afgesloten samenleving van Duitse kolonisten in de steppe langs de Wolga. Zijn leven verandert wanneer hem gevraagd wordt Klara, een boerendochter aan de andere oever, Duits te leren en hij op slag verliefd op haar wordt. Hun liefde kan echter niet ontsnappen aan de revolutie en de Burgeroorlog. Als Klara de geboorte van Anna niet overleeft, verliest Bach voorgoed zijn spraakvermogen. Hoe kan hij, stom en helemaal alleen, het meisje beschermen?
Tegen de achtergrond van de Russische geschiedenis, met de hongersnood, de Stalin-terreur en de deportatie van de Wolga-Duitsers, creëert Guzel Jachina een sprookjesachtige wereld vol levensechte mensen.
Vrouw
1
De Wolga deelde de wereld in tweeën.
De linkeroever was laag, plat en geel, overgaand in de steppe, waarachter elke ochtend de zon opkwam. De aarde was hier bitter van smaak en omwoeld door grondeekhoorns, het gras was dicht en hoog, de schaarse bomen waren laag en krom. De akkers en groentetuinen liepen tot aan de horizon, bont als een Basjkierse deken. Langs de waterkant kleefden dorpen. Vanuit de steppe woei een hete, kruidige wind die rook naar de Toerkmeense woestijn en het zout van de Kaspische Zee.
Hoe de aarde van de andere oever was wist niemand. Aan de rechterkant van de rivier rezen machtige bergen op, die steil naar het water afdaalden, alsof ze met een mes waren afgesneden. Langs het snijvlak, tussen de stenen, stroomde zand weg; de bergen werden daardoor niet lager, maar leken integendeel ieder jaar steiler en steviger – ’s zomers donkergroen van de bossen waarmee ze waren begroeid, ’s winters wit. Achter die bergen ging de zon onder. Daar ergens ver weg, achter de bergen, lagen nog meer wouden, koele loofbossen en sluimerende naaldwouden, en grote Russische steden met witstenen kremlins, en moerassen, en doorschijnend blauwe meren met ijskoud water. Van de rechteroever kwam eeuwig een koude wind; dat was de Noordzee die daar ergens ver weg lag te ademen. Sommige mensen noemden die nog bij de oude naam: Duitse Zee.
Schulmeister Jakob Ivanovitsj Bach voelde deze onzichtbare grens precies in het midden van de Wolgawateren, waar de golven een zwartzilveren stalen glans kregen. Maar de weinigen met wie hij zijn zonderlinge gedachten deelde, begrepen er geen snars van, gewend als ze waren hun eigen Gnadenthal eerder te zien als centrum van hun kleine, door steppen omgeven universum dan als grensplaats. Bach ging liever niet in discussie: elke uiting van onenigheid deed zijn hart pijn. Hij leed zelfs wanneer hij een leerling die in gebreke was gebleven op school de les moest lezen. Misschien dat hij daarom doorging voor een niet al te beste onderwijzer; Bach had een zachte stem, een zwak gestel en zo’n onopvallend voorkomen dat er werkelijk niets over te zeggen valt. Net als trouwens over zijn leven in het algemeen.
Elke ochtend, nog bij het licht van de sterren, werd Bach wakker en luisterde onder zijn eendendonzen deken naar de wereld. De zachte, onsamenhangende geluiden van andermans leven rondom hem en boven hem kalmeerden hem. De winden die over de daken woeien – ’s winters hard, vermengd met sneeuw en ijzel, in het voorjaar soepel, met een vochtige adem en vol hemelse elektriciteit, ’s zomers lauw en droog, vermengd met stof en graszaad. De honden die blaften ter begroeting van hun bazen wanneer die naar buiten kwamen. Het loeiende vee op weg naar de drenkplaats (een nijvere kolonist zou een os of een kameel nooit smeltwater te drinken geven of water dat een nacht in een emmer had gestaan; het eerste wat hij ’s morgens deed was het vee naar de Wolga brengen om het te drenken, nog voor hij aan het ontbijt en zijn overige zorgen begon). In de tuinen zetten de vrouwen hun eindeloze liederen in, om de koude ochtend op te luisteren of gewoon om niet in slaap te vallen. De wereld ademde, kraakte, floot, loeide, hoeftrappelde, zong in een veelstemmig koor.
De geluiden van zijn eigen leven waren zo schaars en onbeduidend dat Bach ze niet eens meer hoorde. Het enige raam in zijn kamer rammelde bij elke windvlaag (hij had het glas al een jaar geleden steviger in het kozijn moeten vastzetten en de kieren met kamelenwol dichtstoppen). De schoorsteen, die al lang niet meer was geveegd, knetterde. Een enkele keer piepte er ergens vanachter de kachel een grijze muis (hoewel, misschien was het wel een tochtvlaag tussen de vloerplanken door, en was de muis allang gecrepeerd en voer voor de wormen geworden). Dat was eigenlijk alles. Het was veel interessanter naar het grote leven te luisteren. Daar ging hij soms zo in op dat Bach vergat dat hij ook zelf deel van die wereld uitmaakte; dat ook hij de deur uit kon gaan en zich bij dat koor voegen: uit volle borst uitdagend iets zingen, bijvoorbeeld het kolonistenlied ‘Ach Wolge, Wolge...!’ of hard de voordeur dichtslaan, ja, of tenminste gewoon niezen. Maar Bach luisterde liever.
Om zes uur ’s ochtends stond hij gekleed en gekamd bij de klokkentoren naast de school met zijn horloge in zijn hand. Hij wachtte tot de beide wijzers in één rechte lijn stonden – de korte wijzer op de zes, de lange op de twaalf – en trok dan hard aan het touw: dof beierde de bronzen klok. In de loop der jaren had Bach hierin zo’n meesterschap ontwikkeld dat de klok exact op het moment sloeg waarop de lange wijzer het hoogste punt van de wijzerplaat bereikte. Een ogenblik later, dat wist Bach, draaide iedere bewoner zich bij dit geluid om, zette zijn pet of muts af en fluisterde een kort gebed. In Gnadenthal was de nieuwe dag begonnen.
Het was een van de taken van de Schulmeister om driemaal de klok te luiden: om zes uur, om twaalf uur en om negen uur ’s avonds. Het klokluiden beschouwde Bach als zijn enige waardevolle bijdrage aan de om hem heen klinkende symfonie van het leven.
Bach wachtte tot de allerlaatste trilling van de klok was verklonken en rende dan terug naar het Schulhaus. De school was gebouwd van degelijke noordelijke balken (de kolonisten kochten hout van de vlotten die vanaf de Zjigoelibergen of zelfs uit het gouvernement Kazan de Wolga afzakten). De fundering was van steen, voor de stevigheid ingesmeerd met een laag leem vermengd met stro, en het dak was naar de nieuwe mode van blik, dat onlangs in de plaats was gekomen van de uitgedroogde houten planken. De deurposten en de deur werden door Bach elk voorjaar lichtblauw geverfd.
Het schoolgebouw was langwerpig, met zes grote ramen aan weerszijden. Binnen werd bijna de gehele ruimte in beslag genomen door het klaslokaal. Aan de voorzijde waren een keuken en slaapkamer voor de onderwijzer afgeschut. Aan die kant stond ook de grote kachel. Omdat die niet genoeg warmte gaf voor het ruime klaslokaal waren er tegen de muren nog drie ijzeren potkacheltjes neergezet, waardoor het in de klas altijd naar ijzer rook, ’s winters gloeiend ijzer en ’s zomers nat ijzer. Aan de andere kant stond de katheder van de meester met daarvoor de rijen banken voor de leerlingen. Op de voorste rij, de ezelsrij, zaten de kleintjes en degenen wier gedrag en ijver te wensen overlieten; daarachter zaten de oudere leerlingen. Verder waren er in het klaslokaal: een groot schoolbord, een kast vol schrijfpapier en landkaarten, een paar zware linialen (meestal niet gebruikt voor waar ze eigenlijk voor bedoeld waren, maar voor pedagogische doeleinden) en een portret van de Russische tsaar, dat hier uitsluitend op bevel van de onderwijsinspectie was verschenen. Gezegd moet worden dat dit portret een bron van extra zorgen was: na de aanschaf ervan had de dorpsoudste Peter Dittrich zich genoodzaakt gezien een abonnement op een krant te nemen om, wat God verhoede, niet het bericht te missen dat er in het verre Petersburg een andere tsaar op de troon was gekomen, waardoor hij bij een volgende inspectie een modderfiguur zou slaan. Vroeger kwamen berichten uit het Russische Rusland in de Duitse kolonie door met een vertraging alsof die zich niet midden in het Wolgagebied bevond, maar ergens in de verste uithoeken van het rijk, zodat verwarring heel goed mogelijk was.
Ooit had Bach ervan gedroomd de wand te versieren met een portret van de grote Goethe, maar van dit plan was niets terechtgekomen. Julius Wagner, de molenaar, die voor zaken dikwijls naar Saratov moest, had beloofd om ‘vooruit dan, die schrijverd te vinden, mocht die ergens in een winkel rondslingeren’. Maar aangezien de molenaar geen enkele liefde voor de poëzie koesterde en hij slechts een vage voorstelling had van hoe de geniale landgenoot eruitzag, had hij zich maar iets in handen laten stoppen: in plaats van Goethe had de schavuit van een uitdrager hem een nogal beroerd portret van een bloedeloze aristocraat met een absurde kanten kraag, een enorme snor en een puntbaardje in de maag gesplitst, dat misschien heel in de verte, bij slechte verlichting, voor Cervantes door kon gaan. De Gnadenthalse kunstenaar Anton Fromm, bekend door zijn beschilderde kisten en plankjes voor vaatwerk, stelde voor de snor en de baard over te schilderen en onderaan het portret, recht onder de kanten kraag, met grote witte letters ‘Goethe’ te schilderen, maar Bach sloeg dit voorstel af. Zo moest de schoolmeester het zonder Goethe stellen, en het onfortuinlijke portret werd op diens nadrukkelijke verzoek aan de kunstenaar gegeven, ‘ter inspiratie en bezieling’.
Na het volbrengen van zijn klokkenluidersplichten pookte Bach de kachels op, zodat de klas bij de komst van de leerlingen warm was, en ging naar zijn hok om te ontbijten. Wat hij ’s ochtends at en dronk kon hij niet vertellen, omdat hij daar niet de geringste aandacht aan besteedde. Slechts één ding kon met zekerheid worden gezegd: dat Bach in plaats van koffie ‘een bruin goedje dat op kamelenpis lijkt’ dronk. In deze bewoordingen had dorpsoudste Dittrich zich uitgelaten toen hij een jaar of vijf, zes terug eens ’s morgens heel vroeg bij de schoolmeester was langsgegaan voor een belangrijke zaak en het ochtendmaal met hem had gedeeld. Sindsdien was de dorpsoudste niet meer bij hem komen ontbijten (en eerlijk gezegd ook niemand anders), maar die woorden had Bach altijd onthouden. Deze herinnering bezwaarde Bach niet in het minst: voor kamelen had hij altijd sympathie gevoeld.
Om acht uur kwamen de kinderen naar school. In de ene hand een stapeltje boeken, in de andere een bundeltje brandhout of een zak gedroogde mest (behalve door schoolgeld droegen de kolonisten ook nog in natura bij aan de opvoeding van hun kroost, door middel van brandstof voor de schoolkachels). Ze kregen vier uur onderwijs voor de middagpauze en twee uur erna. De school werd trouw bezocht: voor verzuim van zowel de eerste als de tweede helft van de schooldag betaalde de familie van de spijbelaar een boete van drie kopeken. De schoolvakken waren Duits en Russisch, schrijven, lezen, rekenen; de catechismus en Bijbelse geschiedenis kregen ze van Adam Händel, de dorpsdominee. Er was geen onderverdeling in klassen, de leerlingen zaten allemaal bij elkaar: in het ene jaar met z’n vijftigen, in een ander jaar wel met zeventig kinderen. Soms verdeelde de schoolmeester ze onder in groepen en moest elke groep een andere taak uitvoeren, en soms declameerden en zongen ze in koor. Gezamenlijk onderricht was de regel en bij een dergelijk omvangrijk en baldadig auditorium ook de meest effectieve pedagogische methode in de school van Gnadenthal.
Oorspronkelijke titel Deti moi
Copyright © 2019 Guzel Jachina, all rights reserved
Copyright translation © 2020 Arthur Langeveld / Em. Querido’s Uitgeverij bv, Weteringschans 259 1017 XJ Amsterdam