Meermaals genoemd in de eindejaarslijstjes als beste boek: Ariana Harwicz’ Bezeten (La débil mental), vertaald door Eugenie Schoolderman. Lees bij ons een fragment.
De literatuur van Ariana Harwicz is diep verontrustend, en altijd een ongewoon intense leeservaring. In La débil mental (Bezeten) sleept Harwicz ons mee naar de meest radicale diepten binnen een familie, naar een bijna dierlijke relatie tussen een moeder en een dochter. Geschreven als een stream of consciousness die bijvoorbeeld doet denken aan Virginia Woolf en Nathalie Sarraute, maar met zelden afwezig ontketenend geweld, is Bezeten het verhaal van een onuitputtelijke seksuele drift, van de desolaatheid van een ongeziene kindertijd, van de biografie van een lichaam waarin alles begraven ligt. Verteld door middel van korte scènes grenst de roman aan poëzie.
Ik kom nergens vandaan. De wereld is een grot, een stenen hart dat je plet, een horizontale duizeling. De wereld is een maan, verminkt door zwarte zweepslagen, pijlpunten en geweerschoten. Hoe diep moet ik graven voordat ik op minachting stuit, voordat mijn dagen branden. Ik had geboren kunnen worden met witte ogen zoals dit bos van hoge, gladde pijnbomen, en toch word ik gewekt door vulkanische as op de klaver in de tuin. En toch trekt mijn moeder plukken haar uit en gooit ze in het vuur. De dag begint, ik ben een baby en mijn moeder zit met haar rug naar me toe in haar stoel te huilen. Ik word wakker als kind. Buiten: de lavendel, binnen: mijn moeder, haar zwarte haren tussen de gloeiende kolen. Overal dotten wolk, laag en wit, hoog en voorbijdrijvend, donker en ertussenin. Zittend op mijn klit fantaseer ik dat ik in de wolken leef. Ik tril, ik schud, mijn vingers zijn mijn morfine, en dat korte moment is alles goed. Mijn hand daarbinnen is duizend keer zijn gezicht in mij, in hoeverre kun je een gezicht bezitten, hoe diep kun je een gezicht in je geslacht duwen. Dat korte moment is het gras gras en kan ik door de weilanden rennen. Van alle manieren van zijn, kwam ik met deze te zitten. Ik herken niemand, en wanneer de grote wanhoop me bespringt, leef ik waar dan ook. Mijn moeder is opgehouden met huilen, ik kan al lopen, ik kan al praten, we delen al kleren. Ik wil dat hij tegen alle verwachtingen in terugkomt, tegen alle verdriet in, ik wil dat zijn ogen me uitgraven en de boomtoppen zien. Mijn hoofd maakt een draai. Mijn hoofd valt voorover en zet zich vast. Plotseling klink ik als een dode. Het opgezwollen gezicht van een verslaafde in de badkuip, het heldhaftige lichaam van een vrouw die op het punt staat in de rotsachtige leegte te springen. Plotseling realiseer ik me dat het al middag is, de blauwe ogen van de hazen glinsteren kil, en ik ga naar buiten om te eten, maar het is al voorbij. Ik begin te bidden, of is het dat ik verliefd ben. Ik vraag hem op me te spugen, me een mep in mijn gezicht te geven. Ik staar naar hem. Ik ben niet gek, alleen bezeten, het antwoord is altijd hetzelfde. Mam, ik verveel me. Mijn hersenen zijn motten in een glazen pot en verhangen zich.
© Ariana Harwicz
Vertaling © Eugenie Schoolderman & Uitgeverij Vleugels