Nu op de longlist van de Boekenbon Literatuurprijs 2022: Joep van Helden debuutbundel Jerrycan. Lees bij ons de eerste pagina’s!
Jerrycan, de verhalenbundel van Joep van Helden, is teder en gruwelijk, verkent het raakvlak tussen hard en zacht, wereld en mens, kunnen en willen. Een jeugddelinquent zoekt dagenlang naar het juiste moment om sorry te zeggen; in een kille kustplaats wordt de door iedereen verachte Paulo gedwongen zijn vriendje te delen; na een knokpartij met een gespierd meisje spoelt Kaiser de Erezione di Cemento uit zijn haar; en de oude Nor tracht haar rondvaartboot te behouden terwijl de rivier dichtvriest, de stroom uitvalt en haar man gevaarlijk begint te hoesten. In een decor gekenmerkt door schaalvergroting en bijtende chemicaliën, glinsteren deze verhalen van hartstocht en opmerkelijke elegantie.
Wesp
Door het geblindeerde raam van de bus zie ik dennen, jerrycans, landbouwplastic, olievaten, petflessen, een bult cement en flitsen van het meer. Voordat de chauffeur terugschakelt, weet ik of de bocht naar links of naar rechts gaat, de doordraaier of juist die ene waarin snelheid gemaakt kan worden. Ik weet dat de geur van gedroogde naalden steeds meer mixt met benzine, motorolie, soldeertin, aceton en gesmolten elektriciteitssnoer. Nu ruik ik alleen de jji nog en de bezwete leren jacks van mannen die hier voor mij zaten.
De chauffeur trekt hard op waardoor ik stuiter op het stoeltje – ze vinden thuisbrengen een overdreven service. Lekker balen voor ze, meisjes van zestien mogen ze niet zomaar toedeledokie met een chipkaart van een tientje buiten de deur zetten. In mijn broekzak prikt het cadeautje voor Missane, een keramieken hanger in de vorm van een wesp, gekocht met mijn psycholoog Carlos tijdens een middag begeleid verlof. De hanger is zwaar, maar licht genoeg om een hele dag te dragen. Lief, maar toch bad-ass.
De chauffeur remt extra stevig. Achter het getinte glas ligt het terrein van mijn oom te baden in een mosgroene zon. Ik zie het kleine woonhuis, de halfronde werkplaats van golfplaten en het kiezelstrandje. Op een drafje rent mijn oom naar de bus, terwijl hij zijn handen afveegt aan zijn overall. Ik hoorde hem vaak schreeuwen als ze zeiden dat zijn id verlopen was of dat hij de peren niet had aangemeld die hij mij wilde geven. Ik lach als hij struikelt. Mijn oom is oké.
Ik voel de zon en ruik de materialen die nodig zijn om buitenboordmotoren te laten lopen. Mijn oom wil me fijnknijpen als ik uitstap, maar eerst moet hij tekenen bij de chauffeur, alsof ik een dhl-pakketje ben. Wanneer de bus slippend optrekt in het zand, bokst hij tegen mijn schouder, legt de ruwe boog van zijn duim en wijsvinger in mijn nek en leidt me naar een aluminium bootje dat op z’n kop in het onkruid ligt. Hij fluit op zijn vingers. Zijn mondhoeken worden zwart van het smeer.
Uit het gat van de achterdeur komt Missane, twee borden in haar handen, een derde balanceert op haar onderarm. Ze draagt een t-shirt met oogbollen dat ik niet ken.
Als ze bij ons is, pakt mijn oom een bord en zet het op mijn schoot. ‘Verrassing!’
Missane weet even niet hoe ze moet zitten, zo dicht bij mij.
‘Artisjokkenharten,’ zegt mijn oom. ‘Die heb je lang niet gehad hè?’
Ik neem een hap en proef het licht zure en het zoute, het drassige en de zachte smaak van plas. ‘Hé,’ zeg ik.
Missane gaat zitten op het laatste vrije stuk aluminium. Ze snijdt kleine stukjes kleiner.
‘Vijf sterren,’ zegt mijn oom bij zijn eerste hap. ‘Ik heb Chelsey artisjok leren eten. Als je vroeg artisjok lust, dan zijn spruiten en witlof later geen probleem.’ Hij tikt met zijn vork op een van de grauwwitte vouwsels. ‘Mijn plannetje werkte te goed.’ De vork wijst naar mij. ‘Op een gegeven moment wilde ze niks anders dan artisjokken.’ Hij lacht en smakt.
Missane en ik hebben elkaar zes maanden niet gezien. Ik pas ervoor op haar arm te raken met de mijne.
‘Het is goed dat ze weer buiten is. Ik ga ervoor zorgen dat ze niet nog een keer in de fout gaat.’
Missane slikt een te grote hap door en sluit haar ogen van de keelkramp.
‘Mochten ze een prijs uitreiken voor de beste opvoeder, dan zeg ik niet dat ze mij moeten hebben, maar ik zal er alles aan doen om te voorkomen dat ze teruggestuurd wordt naar dat magazijn.’
‘Uiteindelijk viel het allemaal mee,’ zeg ik.
‘Achteraf ja,’ bromt mijn oom. Daarna zijn we stil en horen alleen het zompige kauwen, de kolonie spreeuwen en het kloenken van de aluminium romp als Missane verzit.
De justitiële jeugdinrichting lijkt minder op een magazijn dan de werkplaats hier. De deuren hebben leds en er zijn piepende detectiepoortjes. Halfacht ’s ochtends werd ik van mijn cel gehaald zonder dat er kans was te spijbelen. Ik moest naar school en sport en cursussen positief denken, samen eten en bij Carlos In Control volgen, een agressieregulatietherapie. Ze sleepten me de hele dag rond, maar mijn oom wil geloven dat ik 24/7 op een plankje lag zoals de bakken bougies, veiligheidskabels, thermostaatkapjes en rubber pakkingen in zijn werkplaats.
Ik eet terwijl hij tegen Missane aan kletst. Ze vergeet te knikken en om de tien seconden verzet ze haar voeten. Ze heeft van die ouderwetse telefoonsnoerkrullen waar iedereen voor valt, maar bij mijn oom werken ze niet. Ik zie haar draaien in een magnetron op 900 watt. Ik kan op stop drukken, maar laat haar een rondje maken en nog een, tot haar huidcellen bubbelen. Dit is wat Carlos geweldsfetisjisme noemt, maar ik weet dat het daar niks mee te maken heeft. Het is gewoon een simpele test van de invloed die ik heb op Missane.
‘Wij willen alleen praten,’ zeg ik tegen mijn oom. ‘Meiden onder elkaar.’
‘Vriendschap is hartstikke belangrijk.’ Hij veegt met zijn vork restjes samen, tilt het bord op en schuift het eten in zijn mond. ‘Familie ook, maar familie gaat meestal dood.’ Hij loopt naar het huis. Ik heb ontdekt dat ik keihard kan zeggen wat ik wil, zonder dat hij moeilijk gaat doen.
‘Sorry van mijn oom.’
‘Ik kan nooit met ouderen,’ zegt Missane.
Ik zie nu pas dat de oogbollen op haar t-shirt een kerstboom vormen en denk aan de schuimrubberen veiligheidsballen in de boom van de jji.
Ze begint te ratelen. ‘Eigenlijk zijn ouderen een soort aliens die een taal spreken die bestaat uit Nederlandse woorden, maar totaal iets anders betekenen. Ze zeggen “je moet voor twaalf uur thuis zijn” terwijl ze bedoelen “er zit een gat in de ozonlaag en nu komt er veel te veel uv binnen en de ijsberen gaan eraan en de pinguïns en de mantelbavianen en niet te vergeten het lichtgevend plankton op de bodem van de oceaan en wat is potjan-3-4-5-6-7 nou weer het verschil tussen usb en Thunderbolt”. Zoiets, je weet het nooit.’
We lachen extra hard. Missane gaat liggen op de boot. Door haar krullen heeft ze altijd een kussen bij zich.
Ik voel de hanger op mijn bovenbeen. Ik weet dat ik hem uit mijn zak moet halen en moet geven. Carlos heeft me laten beloven sorry te zeggen, maar alleen als ik het echt meen. Het is belangrijk voor het proces dat ik ontdek wat ik echt voel enzo. ‘Missane?’ Ik bedenk dat ik nooit haar naam zeg. Niet tegen haar.
‘Ja?’
Het liefst zou ik een titanium middenrif hebben voor dit soort momenten.
‘Vet t-shirt.’
Ze legt haar kin op haar borst. ‘Thanks.’
© 2022 Joep van Helden