Leesfragment: Capitulatie

24 februari 2023, door J.J. Voskuil

Vanaf vandaag in onze boekhandels: J.J. Voskuil, Capitulatie. Dagboek deel 2 1955–1965. Lees bij ons een fragment!

In het tweede deel van zijn dagboeken is Voskuil op zoek naar een levensweg die hem niet zal verstikken. Nadat hij zijn baan aan de Rijkskweekschool in Groningen opgeeft, vlucht hij terug naar Amsterdam, ervan overtuigd afzijdig van de maatschappij te kunnen leven. Maar de idylle van zijn beschermde jeugd en studententijd is voorbij. Hij ziet weldra in dat zijn ‘onmaatschappelijkheid uit trots’ kinderspel en lafheid is. Hij accepteert een pretentieloze baan bij een niet serieus te nemen wetenschappelijk instituut. Naast dit ‘stompzinnige werk’ bij het Bureau blijft hij schrijven: onvermoeibaar werkt hij aan wat het vuistdikke Bij nader inzien zal worden. Hij schrijft het ‘om te kwetsen’ en het geeft hem lucht en ‘lol, een beetje grimmige lol, maar lol’. Ondertussen kotst Voskuil van het Bureau, figuurlijk én letterlijk. Lang overweegt hij ontslag te nemen, maar uiteindelijk ziet hij geen alternatief.

In Capitulatie sleept Voskuil de lezer mee met ontluisterende anekdotes, academische gossip en steeds hardere echtelijke botsingen. Hij beschrijft zijn zelfontmanteling, zijn angsten, neuroses, vadercomplex en kafkaëske schuldgevoel. Voskuil levert met dit dagboekdeel een afrekening in het intellectuele milieu die Onder professoren van W.F. Hermans naar de kroon steekt.



 

 

1956

maandag 2 januari.
Waarde Heer Voskuil,
Uw adresveranderingskaart bracht mij onlangs gelukkig weer op het spoor van uw adres, nadat wij al geruime tijd geleden toen u contact zocht i.v.m. een proefschrift, meen ik, door afwezigheid en omstandigheden geen contact verkregen. Dit briefje bedoelt dan, hoewel ik om promovendi niet verlegen maar voor oud-leerlingen gaarne beschikbaar ben, eens te horen hoe het met de plannen, naast de leraarsdrukte die ik mij kan indenken, voor een proefschrift staat.
Met vr. groeten en beste wensen,
Uw
N.A. Donkersloot*

zaterdag 7 januari.
Beste Frida,
Een huwelijk is alleen een nederlaag in de ogen van anderen en in het kader van je eigen vroegere theorieën (ik bedoel met ‘je’ een onbepaald voornaamwoord; van jou ken ik op dit punt geen theorieën, en ikzelf heb mij al evenmin uitgeleefd in puntige gezegden te deze). Het zou een nederlaag zijn je van deze mythologieën iets aan te trekken. Het is voor mijzelf wél een bewijs voor aanwezigheid van een behoefte aan erkenning en verantwoordelijkheden. Dat zijn lafheden, maar ze zijn onbetekenend, zolang ze controleerbaar blijven. Zodra een huwelijk een excuus wordt, is het niet meer de moeite waard te praten. Iedereen heeft het recht dupe te zijn in de ogen van een ander en diens ongenoegen op de hals te halen.
Dat je bovendien garant wordt voor de lafheden van nummer 2, zonder dat er onderscheid kan bestaan, spreekt vanzelf. Ik kan me niet meer herinneren of ik dat ook bedoelde toen ik me zo cryptisch uitdrukte. ‘Nederlaag’ betekent dan ongeveer dat je gedeeltelijk het recht verliest over jezelf te denken zodra er een beslissing voor twee genomen moet worden (namelijk daar waar dat denken onbehoorlijk wordt). Om duidelijker te zijn, zou ik voorbeelden moeten geven, maar die zijn er niet en het doet ook niet ter zake. Ik denk dat we het op dit punt wel met elkaar eens zijn.
De neiging om in iedere verandering een achteruitgang te zien omdat ze overbodige complicaties met zich meebrengt, is bovendien typerend voor mij, en zit vaak onder in het glas. Het zou eenvoudig zijn wanneer je in de laatste mythe over jezelf kon blijven steken en voor de rest van nederlagen spreken.
Ik kan niet zeggen dat ons verblijf in Groningen een succes is, al hebben we alles gedaan om het dat te maken. Dat we heimwee naar Amsterdam zouden krijgen, was te verwachten, maar ik vind dat niet het sterkste argument. L. en ik voelen ons geen van beiden prettig met de hoeveelheid geld die we krijgen, zonder dat ik voor dat gevoel van onzindelijkheid een rationele verklaring heb. Misschien is het gewoon de eekhoorn in ons, die zich ertegen verzet zo diep in de winter nog voorraad te maken en meer dan nodig is. Het treft dan wel heel gelukkig dat L. en ik beiden beestennamen dragen (al zijn ze verbasterd: Haspers was vroeger Haspels, dus de zoon van een haspel, dit is een soort veelvraat) en dat alle dorpen, steden, mannen [?] en straten uit onze omgeving het instinct verloren hebben. L. schaamt zich bij de kruidenier en ik als ik even niets doe en om me heen kijk met het gevoel dat ik bij een vreemde op bezoek ben. Bovendien blijft het onwennig de technische accommodatie van ons huis (zal ik maar zeggen) te gebruiken.
Op school hetzelfde.
Ten slotte hadden zelfs de ogenblikken van intense verveling het vorige jaar een plezierige dichtheid (ik kan geen ander beeld vinden). Ik wist niet wat ik wilde en dat gaf voldoening. In deze situatie van sociale zekerheid voel ik me, paradoxaal genoeg, heel onzeker (ik bedoel juist maatschappelijk) en kwetsbaar. Vroeger lag ik in bed en de wind woei om het huis; nu is het dak weg en de ramen zijn stuk. De angst (voorzover aanwezig) is daardoor volkomen van karakter veranderd. Niets is meer vertrouwd. Het is een luchtledige boel. Misschien zullen deze beelden voor jou niet spreken.
Ik droomde... (droom van 17 december).**
Het verschil met vroegere dromen (maar ik heb zelden nachtmerries, tweemaal per jaar) is het repeteerkarakter en de uitzichtloosheid daardoor. Bovendien ontbreekt iedere bescherming van buitenaf. Dat is ongeveer de situatie.

Ik schrijf dit, omdat ik er zeker van ben dat terugkeer naar Amsterdam ook een terugtocht is naar de veiligheid van vroeger en dus in zekere zin een lafheid (Amsterdam is hier een begrip, geen stad). Geld, een maatschappelijke positie, verantwoordelijkheden zijn onveiligheid. Ook dat zou mij vroeger paradoxaal hebben geleken, zoiets als onzekerheid is zekerheid. Tegenover de wetenschap verschuift mijn waardering op dezelfde manier, omdat zij staat voor de universiteit en de universiteit voor vroeger. Dat dit mijn afkeer van mensen als Fried en Jan Voorhoeve alleen maar groter maakt, spreekt vanzelf. Ik praat over een neiging tot romantiseren van een maatschappelijke situatie, voorzover die onmaatschappelijk is. Ik neem aan dat je voor deze mythomanie enigszins gevoelig bent.
Een paar dagen voor de kerstvacantie heb ik mijn ontslag genomen, met ingang van 1 juli. We gaan in ieder geval naar Amsterdam terug. Als we geen huis kunnen krijgen, trekken we voorlopig in op een zolder bij Jaap en Suus, die een knots van een huis op de Keizersgracht hebben gekregen. Ik weet nog niet wat we verder gaan doen. In ieder geval niet sprookjesachtig armoe lijden en klaplopen. De hoofdinspecteur die zegt dat ik een goed leraar ben, zal trachten een baan van 10-12 uur voor me in Amsterdam te vinden. Dan hebben we precies genoeg om decent van te leven, en een maximum aan vrije tijd. Maar hopelijk vind ik nog iets aantrekkelijkers. Voorlopig zijn in ieder geval twee wensen ingewilligd: Amsterdam en weinig geld. Naar de mogelijkheid van een onmaatschappelijke bezigheid zullen we met onze luiheid/ geringe fantasie/gering initiatief misschien blijven zoeken. Belangrijk is daarvoor de vraag of we het andere prettig vinden.
Gossip: Sit wil met Jaap en mij niet meer omgaan. Dat is niet vreemd, maar de reden die hij voor zijn afkeer van mij opgeeft, is voor deze bohémien toch wel aardig: ik heb geen richting in mijn leven, ik heb een hekel aan werken. Verder praten Jaap en ik alleen over litteratuur en we theoretiseren. De kwaadste pier voor Liesje ben jij: je verbeeldt je een hoop, maar je bent ook niets en je houdt er dezelfde overspannen ideeën op na. Dat weet je dus. Maar ik heb dit alles via Jaap via Liesje, dus misschien doe ik de grote Chinese denker onrecht. Je begrijpt dat Fried, die een huisvriendin van hen is, nu heel gelukkig is. Zij kent ons niet meer en haar wetenschappelijke ster stijgt.

zaterdag 4 februari. Je wordt als leraar gedwongen tot een pose. Bij een uitvoering zit je aan een aparte tafel. Ik heb het land aan uitvoeringen, maar voor leerlingen is zoiets alleen maar te begrijpen als je zou zeggen dat je daar te oud voor bent. De omgang met mensen die jonger zijn, maakt oud. Wat anderen jong blijven noemen, is kinderachtig zijn, zoals Hoekstra (leraar geschiedenis), die tijdens mijn eerste les mijn klas vermaakte met het trekken van gekke gezichten achter het bovenraam in de deur, het soort grapjes dat hem immens populair maakt. Hoekstra is een pummel: de man die zich in studieclubjes op de filosofische achtergrond van ons ‘vak’ wil bezinnen, de goeie leraar dus.

Ik word wakker. Buiten wordt geschreeuwd. Het is donker. Drie uur. Ik ga mijn bed uit en loop naar de voorkamer. Op het trottoir aan de overkant staat een man in het licht van een lantaarn, met zijn rug naar de huizen. Hij balt zijn vuisten en schreeuwt in de verte. Er zijn daar alleen weilanden, maar die zijn in het donker niet te zien. Ook de ramen aan de overkant zijn donker. Pratend in zichzelf, wendt hij zich ten slotte af en loopt verder.
In contact met de kinderen en met collega’s blijkt dat alle opvattingen en deze notities alleen in een heel kleine kring begrijpelijk zijn en ook alleen aan die kring hun waarde ontlenen. Wanneer ik met Smid (een acceptabele maar toch wel domme legerkapitein) over Mozart of dialecten praat (probeer te praten) voel ik me imbeciel. Terwijl hij het zou moeten zijn.

[…]

* Het ongedateerde kladantwoord van Voskuil aan Donkersloot: ‘Het deed mij veel genoegen dat U, blijkens Uw brief van 2 jan. bereid is mij te helpen. Inmiddels zijn mijn plannen door een verandering van betrekking die ik een jaar geleden niet kon voorzien enigszins op de lange baan geschoven.’
** Zie Bijna een man, p. 650–651.

 

 

© Copyright 2023 Erven J.J. Voskuil en Uitgeverij Van Oorschot, Amsterdam

Wil je van je bestaande account gebruikmaken op onze nieuwe website? Je behoudt dan onder meer je bestelgeschiedenis, reeds aangeschafte e-books en je persoonlijke verlanglijst. Als je toestemming geeft krijg je direct een mail om een nieuw wachtwoord in te stellen.

Voer een geldig e-mailadres in

Hostname: pro-mbooks2