Nu in onze boekhandels: Claudia Rankines bekroonde dichtbundel Citizen. Amerikaanse lyriek (Citizen: An American Lyric, vertaald door Janneke van der Meulen), met een voorwoord van Dean Bowen! Lees een fragment op onze site.
In deze fascinerende mengeling van prozagedicht en (beeld)essay onderzoekt de Afro-Amerikaanse dichteres Claudia Rankine allerlei vormen van alledaags racisme in de westerse samenleving. Hoewel expliciete discriminatie inmiddels bijna overal wettelijk verboden is, worden zwarte mensen nog steeds dagelijks geconfronteerd met ongelijke raciale verhoudingen: in terloopse opmerkingen, scheve blikken, impliciete vooroordelen. Rankine verweeft scherpe observaties van zulke ‘micro-agressies’ met langere bespiegelingen over geweld – of dit nu verbaal of fysiek is, tersluiks of openlijk. Ze schrijft over de opgehoopte stress die veroorzaakt wordt door subtiele discriminatie en toont de impact hiervan op het leven en de gemoedstoestand van prominente zwarte mensen zoals Serena Williams en Zinedine Zidane, maar ook die van minder bekenden. Deze collage van beelden en stemmen vormt een onthutsende getuigenis van individueel en collectief racisme, die witte mensen ertoe oproept hun eigen rol in deze problematische dynamiek onder ogen te zien.
Citizen | Burger
I
Wanneer je alleen bent en zelfs te moe om een van je schermpjes aan te zetten, laat je je meevoeren naar een verleden dat zich heeft opgehoopt tussen je kussens. Meestal ben je onder de dekens gekropen en is het huis leeg. Soms is de maan weg en ziet het lage, grijze plafond achter de ramen er aanraakbaar uit. Het donkere licht dimt waar het wolkendek dichttrekt en je valt terug in wat later gereconstrueerd wordt als metafoor.
Vaak gaat het associatief. Je ruikt lekker. Je bent twaalf en je zit op de Saints Philip and James-school aan White Plains Road en het meisje op de stoel achter jou vraagt je om tijdens proefwerken naar rechts te leunen, zodat ze bij jou kan afkijken. Zuster Evelyn plakt de hoogste cijfers en de onvoldoendes altijd op de deuren van de garderobekast. Het meisje is katholiek en heeft bruin haar tot aan haar middel. Hoe heette ze ook alweer? Mary? Catherine?
Jullie praten eigenlijk nooit met elkaar behalve dan die keer dat ze haar verzoek doet en later wanneer ze zegt dat je lekker ruikt en dat je qua gezicht meer lijkt op een wit iemand. Je neemt aan dat zij denkt dat ze jou er zo voor bedankt dat je haar laat spieken en dat het haar een beter gevoel geeft om te spieken bij een bijna wit iemand.
Zuster Evelyn merkt nooit iets van jullie regeling, misschien omdat jij je nooit omdraait om bij Mary Catherine af te kijken. Zuster Evelyn zal wel denken dat die twee meisjes erg hetzelfde denken of ze vindt het spieken minder belangrijk dan de vernedering van het betrapt worden, of ze heeft jou daar sowieso al nooit zien zitten.

Bepaalde momenten jagen adrenaline naar het hart, maken de tong droog en blokkeren de longen. Als donderslagen overstelpen ze je met geluid, nee, als de bliksem treffen ze je rechtstreeks in je strot. Hoesten. Het gebeurde en daarna kon ik geen woord uitbrengen. Dat zei je toch zelf? Dat zei je toch tegen een goede vriendin die aan het begin van jullie vriendschap, als ze met haar hoofd elders was, jou bij de naam noemde van haar zwarte huishoudster? Je nam aan dat jullie twee de enige zwarte mensen in haar leven waren. Uiteindelijk deed ze het niet meer, hoewel ze nooit voor haar missers uitkwam. En jij sprak haar er nooit op aan (waarom niet?), en toch, je vergeet het niet. Als het hier om een huiselijk drama ging, en dat zou best eens kunnen, dan zou dit de zwakke plek zijn die jou fataal werd: je geheugen, vergaarbak van je gevoelens. Voel je je gekwetst omdat het weer zo’n ‘alle zwarten zien er hetzelfde uit’-moment is, of omdat je wordt aangezien voor iemand anders terwijl jullie al zo vertrouwelijk met elkaar waren?
Door een ontregeld gevoel eist het lichaam alle aandacht op. De verkeerde woorden komen je dag binnen als een rot ei in je mond en kots druipt over je bloes, klam trekt je maag tegen je ribbenkast. Als je om je heen kijkt, ben jij nog de enige. Je eigen walging van wat je ruikt, wat je voelt, brengt je niet op de been, niet meteen, want energie verzamelen is een taak op zich geworden, eist z’n eigen rechtvaardiging. Je moet denken aan een gesprek dat je laatst had, over het voordeel van zinnen die zo geconstrueerd zijn dat ze een ‘ja, en’ impliceren en niet een ‘ja, maar’. Jullie kwamen tot de conclusie dat ‘ja, en’ getuigde van een leven zonder afslagen, zonder alternatieve routes: je hijst jezelf overeind, algauw is de bloes weer gewassen, is het een week later, zit de bloes onder je trui, tegen je huid aan, en je ruikt lekker.
De regen gutst vanochtend uit de goten en overal elders verdwijnt hij in de bomen. Je hebt je bril nodig om te kunnen focussen op wat je weet dat er is, want twijfel is meedogenloos; je zet je bril op. De bomen, hun schors, hun bladeren, zelfs de dode, zijn zo nat levendiger. Ja, en het regent. Zo gaat het met elk moment – voordat het kan worden gekend, gecategoriseerd vanwege de gelijkenis met iets anders en losgelaten, moet het worden ervaren, moet het worden gezien. Wat zei hij nou? Zei ze dat nou echt? Hoorde ik wat ik denk dat ik hoorde? Kwam dat nou net uit mijn mond, zijn mond, jouw mond? Het moment stinkt. Toch wil je niet meer kijken naar de bomen. Je wil ernaartoe lopen en ertussen staan. En hoe licht de regen ook lijkt, hij klettert op je neer.
[…]
© 2014 Claudia Rankine
© 2023 Nederlandse vertaling Janneke van der Meulen
© 2023 voorwoord Dean Bowen