Een van onze cadeautips voor de komende feestmaand en meermalen genoemd in de eindejaarslijstjes: Raymond Carvers Een kleine weldaad. Alle verhalen (Collected Stories), vertaald door Sjaak Commandeur. Lees bij ons een fragment uit een van de nieuw vertaalde verhalen en bestel dat boek.
Raymond Carvers wereldfaam berust op tweeënzeventig korte verhalen waarin zelden iets bijzonders gebeurt. Carver beschrijft de gewone wederwaardigheden van gewone mensen in gewoon proza. Zijn grote talent is het naar boven brengen van het bijzondere, het beangstigende en het dramatische in al die gewoonheid. In zijn eigen woorden: ‘Het is mogelijk om in een gedicht of verhaal over alledaagse dingen en voorwerpen te schrijven in alledaagse maar dan wel precieze taal en die dingen – een stoel, het gordijn voor een raam, een vork, een steen, de oorbel van een vrouw – een immense, zelfs aangrijpende lading mee te geven.’ De verhalen van Carver vormen het schoolvoorbeeld van het korte verhaal als een slice of life: er is weinig plot, weinig expliciete voorgeschiedenis; hoe het afloopt krijg je ook nooit te lezen, maar de kennismaking met een volstrekt authentiek, onbekend leven, dat in zijn beperktheid toch een volledig beeld geeft, brandt de lezer in de ziel.
Carver-vertaler Sjaak Commandeur selecteerde speciaal voor deze uitgave 200 pagina’s nooit eerder vertaald werk. Een kleine weldaad is de grootste verzameling van Carvers werk die ooit in Nederland verscheen, met onder veel meer de klassiekers Wees alsjeblieft stil, alsjeblieft, Waar we over praten als we over liefde praten en Kathedraal.
Bel me als er wat is
We hadden dat voorjaar allebei iets met een ander gehad, maar toen het juni werd en de schoolvakantie begon, besloten we ons huis voor de zomermaanden te verhuren en Palo Alto te verruilen voor het noordelijk kustgebied van Californië. Onze zoon, Richard, zou dan naar Nancy’s moeder in Pasco gaan, in Washington, om bij haar te logeren en er wat te verdienen voor als hij in het najaar ging studeren. Zijn oma wist van de situatie bij ons en was al een tijd bezig om hem bij haar in huis te halen en ergens een baantje voor hem te vinden. Ze had het opgenomen met een boer die ze kende en de toezegging gekregen dat Richard aan het werk kon met hooien en het maken van hekken. Zwaar werk, maar Richard verheugde zich erop. Daags na zijn diploma-uitreiking vertrok hij ’s morgens met de bus. Ik reed hem naar het station en parkeerde en ging binnen met hem zitten wachten tot zijn bus werd afgeroepen. Zijn moeder had hem al omhelsd en huilend ten afscheid gekust en hem een lange brief voor zijn oma meegegeven. In afwachting van het stel dat in ons huis zou komen was ze nu thuis de laatste spullen aan het inpakken voor ons eigen vertrek. Ik kocht een kaartje voor Richard en gaf het hem, waarna we op een van de banken in het station gingen zitten wachten. We hadden onderweg naar het station een beetje over een en ander gepraat.
‘Gaan mam en jij nu scheiden?’ had hij gevraagd. Het was zaterdagochtend en er waren niet veel auto’s.
‘Als het even kan niet,’ zei ik. ‘We willen niet scheiden. Dat is de reden waarom we weggaan en heel de zomer wel geen contact zullen hebben met de buitenwereld. De reden waarom we ons huis deze zomer verhuren en zelf dat huis in Eureka hebben gehuurd. En eh, nou ja, de reden waarom jij ook weggaat. Eén reden in elk geval. Want er is natuurlijk ook nog het geld dat jij op zak hebt als je thuiskomt. We willen niet scheiden. We willen deze zomer alleen zijn en proberen alles op een rijtje te zetten.’
‘Hou je nog van mam?’ zei hij. ‘Ze heeft tegen mij gezegd dat zij wel van jou houdt.’
‘Natuurlijk hou ik van haar,’ zei ik. ‘Dat zou je zo langzamerhand wel mogen weten. We hebben alleen onze portie problemen en drukkende verantwoordelijkheden gehad, net als iedereen, en nu hebben we tijd voor onszelf nodig om alles op een rijtje te zetten. Maar maak je om ons nou niet druk. Ga lekker naar Pasco en geniet van de zomer en werk hard en wees zuinig met je loon. Zie het ook als een vakantie. Grijp elke kans aan om te vissen. Het is goed vissen daar in de omgeving.’
‘En waterskiën,’ zei hij. ‘Ik wil leren waterskiën.’
‘Dat heb ik nooit gedaan, waterskiën,’ zei ik. ‘Dus doe je dat dan ook een beetje namens mij?’
We zaten in het busstation. Hij keek zijn jaarboek door terwijl ik een krant op schoot had. Toen werd zijn bus afgeroepen en stonden we op. Ik omarmde hem en zei: ‘Maak je niet druk, maak je niet druk. Waar heb je je kaartje?’
Hij klopte op zijn jaszak en pakte toen zijn koffer. Ik liep met hem naar de uitgang waar zich de rij vormde, omarmde hem toen nog eens en kuste hem op de wang en zei tot ziens.
‘Tot ziens, pa,’ zei hij, en hij wendde zich af zodat ik zijn tranen niet zou zien.
Ik reed naar huis, waar onze dozen en koffers klaarstonden in de kamer. Nancy dronk in de keuken koffie met het jonge stel dat ze had gevonden voor in ons huis deze zomer. Ik had de twee, Jerry en Liz, ouderejaars wiskunde, een paar dagen geleden voor het eerst ontmoet, maar we gaven elkaar opnieuw een hand en ik dronk de koffie op die Nancy me inschonk. We zaten om de keukentafel en dronken koffie terwijl Nancy haar lijstje afwerkte van dingen waar ze op moesten letten of die ze op bepaalde dagen van de maand moesten doen, de eerste en de laatste van elke maand, waar de eventuele post heen moest en zo. Nancy’s gezicht stond strak. Gaandeweg de ochtend viel er door de vitrage meer zonlicht op tafel.
Uiteindelijk leek alles geregeld en ging ik, met het drietal nog in de keuken, de auto inladen. Het was een volledig ingericht huis waar we heen gingen, tot en met de borden en het kookgerei, dus hoefden we uit dit huis niet veel mee te nemen, alleen het hoogstnoodzakelijke.
Ik was drie weken geleden naar Eureka gereden, vijfhonderdvijftig kilometer ten noorden van Palo Alto aan de noordkust van Californië, en had er dus een gemeubileerd huis gehuurd. Ik was samen met Susan, mijn vriendin. We logeerden drie nachten in een motel aan de rand van de stad, en intussen keek ik in de krant en ging bij makelaars langs. Onder haar toeziend oog schreef ik een cheque uit voor de drie maanden huur. Toen ze naderhand terug in het motel met haar hand aan haar voorhoofd in bed lag, zei ze: ‘Ik benijd je vrouw. Ik benijd Nancy. Je hoort altijd wel van alles over “die ander” tegenover de officiële echtgenote, degene met de privileges en de werkelijke macht, maar dat zei me nooit zoveel. Nu snap ik het. Ik benijd haar. Ik benijd haar het leven dat ze deze zomer met jou in dat huis zal leiden. Ik wou dat ik het was. Ik wou dat wij het waren. O, waren wij het maar. Ik voel me waardeloos,’ zei ze. Ik streelde haar haar.
Nancy was een lange vrouw met bruin haar, bruine ogen, lange benen en een grootmoedig hart. Maar de laatste tijd had het ons aan grootheid en moed ontbroken. De man met wie ze een verhouding had, was een collega van me, een gescheiden, gesoigneerd driedelig-paktype met grijzend haar, een drinker wiens handen, hoorde ik van studenten van me, soms trilden in de collegezaal. Nancy en hij hadden hun affaire overgehouden aan een feestje in de kerstvakantie, niet zo lang nadat Nancy het bestaan van mijn affaire had ontdekt. Het klinkt achteraf allemaal fantasieloos en goedkoop – het is ook fantasieloos en goedkoop – maar heel het voorjaar was het wat het was, en het vrat energie en aandacht, ten koste van de rest van ons leven. Eind april begonnen we plannen te maken om ons huis ’s zomers te verhuren en zelf ergens anders heen te gaan, alleen wij twee, en te proberen de scherven te lijmen, als er iets te lijmen viel. We spraken af dat we geen van tweeën contact zouden hebben met de ander, niet per brief, telefoon of hoe dan ook. We regelden iets voor Richard, vonden dat stel om op ons huis te passen, en ik wierp een blik op de kaart, reed uit San Francisco naar het noorden en vond Eureka en een makelaar die bereid was een gemeubileerd huis voor de zomermaanden te verhuren aan een achtenswaardig stel vijftigers. Ik meen tegen de makelaar zelfs de uitdrukking ‘tweede huwelijksreis’ te hebben gebruikt, godbetert, terwijl Susan in de auto zat te roken en toeristenfolders las.
Ik had uiteindelijk alle koffers, tassen en dozen in de kofferbak en op de achterbank gestouwd en wachtte tot Nancy op de veranda haar laatste afscheid had genomen. Ze gaf de twee allebei een hand en draaide zich om en kwam naar de auto. Ik zwaaide naar hen en zij zwaaiden terug. Nancy stapte in en deed het portier dicht. ‘Rijden maar,’ zei ze. Ik schakelde en we reden in de richting van de snelweg. Bij het stoplicht vlak voor de oprit zagen we een tegenligger met een kapotte uitlaat vonkend van de snelweg komen. ‘Moet je kijken,’ zei Nancy. ‘Straks vliegt hij nog in brand.’ We bleven zitten kijken tot de auto in de berm tot stilstand had weten te komen.
We stopten bij een wegrestaurantje in de buurt van Sebastopol. Eat and Gas stond er op het bord. We lachten om het bord. Ik parkeerde voor het restaurant en we liepen naar binnen en namen achterin een tafeltje bij een raam. Toen we koffie en broodjes besteld hadden, bracht Nancy haar wijsvinger naar de tafel en volgde daarmee de nerven in het hout. Ik stak een sigaret op en keek naar buiten. Ik zag iets vlugs bewegen, en toen besefte ik dat ik naar een kolibrie in de struik bij het raam keek. Zijn vleugeltjes bewogen in een waas van beweging en hij doopte steeds zijn snavel in een bloesem van de struik.
‘Kijk, Nancy,’ zei ik. ‘Daar zit een kolibrie.’
Maar de kolibrie vloog net weg en Nancy keek en zei: ‘Waar? Ik zie hem niet.’
‘Net was hij er nog,’ zei ik. ‘Kijk, daar zit hij. Een andere, denk ik. Een tweede kolibrie.’
We keken naar de kolibrie tot de serveerster onze bestelling bracht en het vogeltje bij de beweging vandaan vloog en om de hoek van het gebouw verdween.
‘Weet je, volgens mij is dit een goed voorteken,’ zei ik. ‘Kolibries. Kolibries schijnen geluk te brengen.’
‘Dat heb ik ook ergens gehoord, ja,’ zei ze. ‘Ik weet niet waar ik het gehoord heb, maar ik heb het wel gehoord. Nou,’ zei ze, ‘een beetje geluk kunnen we wel gebruiken, hè?’
‘Kolibries zijn een goed voorteken,’ zei ik. ‘Ik ben blij dat we hier gestopt zijn.’
Ze knikte. Ze wachtte even, hapte toen in haar brood.
[…]
Copyright © 2009 Tess Gallagher
Copyright © 2023 Nederlandse vertaling: Sjaak Commandeur