Tweemaal genoemd als een van de beste boeken van 2023 in De Groene Amsterdammer en cadeautip van boekverkoper Daniël Mulder: José Emilio Pacheco’s Gevechten in de woestijn (Las batallas en el desierto), vertaald uit het Spaans door Arie van der Wal, met een voorwoord van Valeria Luiselli en Mariana Luiselli. Lees bij ons een fragment en bestel!
Dit onvergetelijke meesterwerk uit de Mexicaanse literatuur over een onmogelijke liefde is nog steeds heerlijk relevant. Vanuit het perspectief van Carlos, een acht jaar oude jongen, zien we Mexico veranderen. In rap tempo worden de snelwegen aangelegd en verschijnen de fabrieken; de oude wereld lijkt gepasseerd te worden door de moderne tijd. Op het schoolplein worden door de jongens de oorlogen nagespeeld die in de kranten staan. Maar Carlos’ onbezorgde jeugd wordt fel opgeschrikt door de intense, overweldigende verliefdheid die hij ervaart wanneer hij de moeder van zijn vriend Jim ontmoet.
Gevechten in de woestijn is naast een ontroerend coming-of-ageverhaal een messcherpe analyse van een land waarin zowel liefde als geweld nooit ver weg is.
I De oude wereld
Ik herinner me, ik herinner me niet: welk jaar was het? Er waren al supermarkten maar nog geen televisie, alleen radio: Las aventuras de Carlos Lacroix, Tarzan, The Lone Ranger, La Legión de los Madrugadores, Los Niños Catedráticos, Leyendas de las calles de México, Panseco, El Doctor I.Q., La Doctora Corazón desde su Clínica de Almas. Paco Malgesto versloeg het stierenvechten, Carlos Albert was de voetbalverslaggever, Pedro ‘De Magiër’ Septién gaf commentaar bij het basketbal. De eerste auto’s van na de oorlog reden door de straten: Packard, Cadillac, Buick, Crysler, Mercury, Hudson, Pontiac, Dodge, Plymouth, DeSoto. We gingen naar films met Errol Flynn en Tyrone Power, naar matinees waar feuilletons werden vertoond: The Invasion of Mongo was mijn favoriet. De populaire songs waren ‘Sin ti’, ‘La rondalla’, ‘La burrita’, ‘La Múcura’, ‘Amorcito Corazón’. Overal kon je stukjes horen van een oude Porto Ricaanse bolero: Por alto esté el cielo en el mundo, por hondo que sea el mar profundo, no habrá una barrera en el mundo que mi amor profundo no rompa por ti. (Hoe hoog ook de hemel, hoe onpeilbaar diep de zee, er is geen obstakel in de wereld dat niet kan worden overwonnen door mijn innige liefde voor jou.)
Het was het jaar van de polio: scholen vol kinderen met beugels; van mond-en-klauwzeer: in het hele land werden duizenden zieke runderen afgemaakt; van de overstromingen: het centrum van de stad werd weer een lagune, de mensen voeren in bootjes door de straten. Ze zeggen dat bij het volgende noodweer het afwateringskanaal het niet zal houden en de hoofdstad onder water zal lopen. Wat doet het ertoe, antwoordde mijn broer, onder het bewind van Miguel Alemán zakken we toch al weg in de stront.
Het gezicht van Meneer de President was overal: reusachtige afbeeldingen, geïdealiseerde portretten, alomtegenwoordige foto’s, allegorieën van de vooruitgang met Miguel Alemán als God de Vader, lovende karikaturen, monumenten. Publieke pluimstrijkerij, onverzadigbare private laster. We schreven duizend regels strafwerk: ik moet gehoorzamen, ik moet gehoorzamen, ik moet mijn ouders en mijn meesters gehoorzamen. Op school kregen we vaderlandse geschiedenis, taal en de geografie van Mexico- Stad: de rivieren (er waren nog rivieren), de bergen (je kon de bergen nog zien). Het was de oude wereld. De ouderen klaagden over de inflatie, de veranderingen, het verkeer, de zedeloosheid, het lawaai, de criminaliteit, de vele mensen, de bedelaars, de vreemdelingen, de corruptie, de grenzeloze verrijking van enkelen en de armoede van vrijwel iedereen.
De kranten schreven: de wereld maakt een beangstigende tijd door. Het schrikbeeld van de eindstrijd is zichtbaar aan de horizon. Het duistere symbool van onze tijd is de paddenstoelwolk. Toch was er hoop. In onze schoolboeken stond: zoals te zien is op de landkaart heeft Mexico de vorm van de hoorn des overvloeds. Voor het onvoorstelbare jaar tweeduizend werd een toekomst van universele rijkdom en welvaart voorspeld, zonder nader te omschrijven hoe we die gingen bereiken. Schone steden, zonder onrecht, zonder armen, zonder geweld, zonder opstoppingen, zonder afval. Voor elk gezin een ultramodern en aerodynamisch huis (woorden uit die tijd). Het zou niemand aan iets ontbreken. Machines zouden het werk doen. Straten vol met bomen en fonteinen, waar stille, emissievrije auto’s doorheen reden die geen botsingen meer veroorzaakten. Het paradijs op aarde. De utopie eindelijk bereikt.
Intussen pasten we ons aan de moderne tijd aan, namen we woorden in onze taal op die eerst hadden geklonken alsof ze afkomstig waren uit de films van Tin Tan maar later onmerkbaar vermexicaniseerd waren: tenquíu, oquéi, uasamara, sherap, sorry, uan móment pliis. We begonnen hamburgers te eten, pies, donuts, jotdogs, milkshakes, áiscream, margarine, pindakaas. Door Coca-Cola verdwenen de aguas frescas van hibiscus, chiazaadjes en limoen naar de achtergrond. De armen dronken nog altijd tepache. Onze ouders wenden al snel aan de highball, die ze aanvankelijk naar medicijn vonden smaken. Bij mij thuis is tequila verboden, hoorde ik mijn oom Julián zeggen. Ik schenk alleen whisky voor mijn gasten: we moeten de smaak van de Mexicanen witwassen.
II De verschrikkingen van de oorlog
In de pauzes aten we roombroodjes, die komen nooit meer terug. We speelden in twee kampen: Arabieren en Joden. Israël was pas gesticht en voerde oorlog tegen de Arabische Liga. De kinderen die echt Arabisch en Joods waren, zeiden alleen iets tegen elkaar om te schelden of te vechten. Bernardo Mondragón, onze leraar, zei tegen ze: Jullie zijn hier geboren. Jullie zijn net zo Mexicaans als jullie medeleerlingen. Geef de haat niet aan elkaar door. Na alles wat er is gebeurd (de talloze bloedbaden, de vernietigingskampen, de atoombom, de miljoenen en miljoenen doden), zal de wereld van morgen, de wereld waarin jullie volwassen zullen worden, een plek van vrede moeten zijn, een plek zonder misdaden en zonder slechtheid. Op de achterste rij klonk gegiechel. Mondragón keek ons met een intens droevige blik aan, zich afvragend wat er in de loop der jaren van ons zou worden, hoeveel kwaad en hoeveel rampen ons nog te wachten stonden.
Intussen leefde het Ottomaanse Rijk voort als het licht van een dode ster. Voor mij, kind van de wijk Roma, waren Arabieren en Joden ‘Turken’. Maar de ‘Turken’ waren niet zo vreemd voor me als Jim, die in San Francisco geboren was en beide talen accentloos sprak; of Toru, opgegroeid in een Japans concentratiekamp; of Peralta en Rosales, die in de vervallen buurten van de wijk Doctores woonden en geen schoolgeld konden betalen maar een beurs kregen. De Calzada de la Piedad, die toen nog niet Avenida Cuauhtémoc heette, en het Parque Urueta vormden de scheidslijn tussen Roma en Doctores. Ons Romita was een dorp op zich. Daar loert de Man met de Zak, de Grote Kinderlokker. Als je naar Romita gaat, beste jongen, dan word je ontvoerd, rukken ze je ogen en je tong uit en hakken je handen af, en daarna moet je gaan bedelen, waarna de Man met de Zak alles voor zichzelf houdt. Overdag is hij een bedelaar, ’s nachts een stijlvolle miljonair dankzij de uitbuiting van zijn slachtoffers. De angst om te dicht bij Romita te komen. De angst om in de tram over de brug op de Avenida Coyoacán te rijden, alleen rails en bielzen, en beneden La Piedad, de vuile rivier die bij hevige regen soms overstroomt.
Voor de oorlog in het Midden-Oosten bestond de grootste sport in onze klas uit het pesten van Toru. Inda, pinda, poepchinees. Hé, Toru, Toro, val eens aan, dan krijg je een paar banderilla’s in je lijf. Ik heb daar nooit aan meegedaan. Ik dacht aan wat ik zou voelen als enige Mexicaan op een school in Tokio; en aan hoe erg het voor Toru moest zijn om die films te zien waarin de Japanners werden voorgesteld als druk gebarende apen die met duizenden tegelijk stierven. Toru, de beste leerling van de klas, in alle vakken uitmuntend. Altijd met een studieboek in zijn hand. Hij kende jiujitsu. Op een keer was hij het zat en gaf hij Domínguez een ongenadig pak slaag. Hij dwong hem op zijn knieën om vergiffenis te vragen. Hierna viel niemand Toru meer lastig. Tegenwoordig heeft hij de leiding over een Japans bedrijf met vierduizend Mexicaanse slaven.
Ik zit bij de Irgoen. Ik maak je dood: ik ben bij de Arabische Liga. De gevechten in de woestijn begonnen.
[…]
Copyright © 1981 José Emilio Pacheco en de erven van José Emilio Pacheco
Copyright Nederlandse vertaling © Arie van der Wal 2023
Copyright voorwoord © Valeria Luiselli en Mariana Luiselli 2023
Copyright Nederlandse vertaling voorwoord © Adri Boon 2023