‘Zonder nog maar één letter gelezen te hebben kijken we vol verwachting uit naar het nieuwe boek van Terry Hayes, Het jaar van de sprinkhaan (The Year of the Locust, vertaald door Miebeth van Horn, Hilke Makkink, Catalien van Paassen en Erik de Vries),’ zegt Leon Verschoot, winkelchef van Het Martyrium. ‘Dat is natuurlijk niet zomaar. Wie Ik ben Pelgrim — de De dag van de jakhals van nu, sneller, gewelddadiger, unputdownable — gelezen heeft, weet waar deze schrijver toe in staat is.’ Lees een fragment uit Het jaar van de sprinkhaan, dat vandaag verschijnt en koop dat boek — of koop The Year of the Locust.
Wanneer je, net als Kane, werkzaam bent als spion voor de cia in Verboden Gebieden, dan hebben grenzen geen betekenis. Jouw taak is om je toegang te verschaffen, te doen wat nodig is en weer te ontsnappen… op welke manier dan ook. Je weet wanneer je moet rennen, wanneer je je moet verstoppen en wanneer je moet schieten.
Maar op sommige plekken gelden de standaardregels niet. Sommige plekken zijn te gevaarlijk, zelfs voor iemand met de ervaring van Kane. Het No Man’s gebied, waar de grenzen van Pakistan, Iran en Afghanistan samenkomen, is zo’n plek – een plek waar geweld de enige manier is om te overleven. Kane reist erheen om een man met cruciale informatie voor de veiligheid van het Westen te evacueren, maar in plaats daarvan ontmoet hij een vijand die de wereld tot aan de rand van de afgrond zal brengen. Een angstaanjagende, intelligente, wrede man met bloed aan zijn handen en wraak in zijn hart...
1
Ik ging eens op pad om iemand te vermoorden. Andere keren, toen ik jonger was, reisde ik mijn werk achterna door de neonverlichte stegen van Tokyo, zag ik de zon opkomen boven de Moskee van de Negen Koepels en bleef ik aan de oever in Oud Istanbul staan wachten terwijl de tranen van een vrouw als regen neervielen.
Deze keer was het een heel eind naar het oosten, waar de Egeïsche Zee overgaat in de Middellandse Zee en de zon neerbeukt op een keten van piepkleine eilanden. Het kleinste daarvan lag ook het meest afgelegen; golven braken op het wrak van een vrachtboot die op een rif lag, gevaarlijke stromingen kolkten door verborgen grotten en van een vissersdorpje waar de houten schepen sinds lang waren verdwenen, restten alleen nog ruïnes.
Ik ging aan het eind van de lente aan land, aan wal gezet door de Egyptische schipper van de wilde vaart die verstandig genoeg was om niet veel vragen te stellen. Ik herinner me nog steeds de bries tegen mijn gezicht en de bedwelmende geur van dennennaalden terwijl ik door een stil bos liep; ik bleef zo dicht mogelijk in de buurt van de schaduwen, zoals ik het grootste deel van mijn werkzame leven heb gedaan.
Mijn doelwit die dag was een ongetwijfeld dappere man, een Duitser die naar werd aangenomen uit Neurenberg (die mooie oude stad boordevol duistere geschiedenis) afkomstig was, en toen ik hem verraste in de keuken van zijn eenzame villa, wisten we allebei dat ik zowel in kilometers als in jaren ver had gereisd om bij zo’n dodelijk rendez-vous te belanden.
Ik was indertijd lid van de Dienst en voerde al jaren de codenaam Kane. Vijf jaar eerder was de Duitser een gewaardeerd medewerker geweest van de Amerikaanse inlichtingendienst in Teheran. Wat niemand wist, maar iedereen al snel te weten zou komen, was dat hij in het geheim voor de Russen kluste. Blijkbaar wordt vandaag de dag alles uitbesteed, zelfs spionage.
Op een stille maandagavond was hij laat gaan dineren in de bistro van het luxueuze hotel Espinas Palace en op het herentoilet had hij de namen van tien van onze waardevolste Iraanse bronnen overgedragen aan een vertegenwoordiger van de Centrale in Moskou. In de geheime wereld is het algemeen bekend dat de spionagediensten van Rusland en Iran al jaren nauw samenwerken, dus het was onvermijdelijk dat de lijst namen bij de pava – de meedogenloze Iraanse geheime politie – zou belanden. Het resultaat was dat het netwerk dat in de loop van de jaren was opgebouwd ten koste van vele levens en kostbaarheden, en dat – wat nog belangrijker was – een onmisbare achterdeur bood naar het Iraanse kernwapenprogramma, binnen een paar uur was vernietigd. Zelfs bij de cia, een organisatie die bekendstond om haar forse portie mislukkingen, werd het als een onverdeelde ramp beschouwd.
Voor de acht mannen en twee vrouwen die werden ontmaskerd als gevolg van het verraad van onze gewaardeerde medewerker waren de gevolgen nog veel rampzaliger. In een rechtszitting op de late avond verschenen ze voor de rechter en de volgende dag begonnen bouwvakkers tien torenhoge hijskranen in elkaar te zetten op een van de grootste pleinen van Teheran. Aanvankelijk besteedden voorbijgangers er niet veel aandacht aan, maar algauw werd hun bestemming duidelijk: ze waren bedoeld om ervoor te zorgen dat zo veel mogelijk mensen getuige konden zijn van de uitvoering van het vonnis. In veel landen in het Midden-Oosten volstaat het niet dat mensen worden gestraft; iedereen moet worden gewaarschuwd.
Zodra de torens waren opgericht, werden de horizontale armen bevestigd. Lussen van touw werden vastgemaakt aan het uiteinde van de uitsteeksels en op een late lenteavond werden de gevangenen in vier zwarte arrestantenwagens naar het plein gevoerd. Terwijl de minuten voortkropen, werden ze een voor een in een kooi naar boven gehesen in hun eigen persoonlijke hijskraan.
Daar werden de doodsbange mannen en vrouwen onder het oog van de beneden samengestroomde menigte door leden van de Revolutionaire Garde naar een platformpje aan het uiteinde van de zijarm gedreven. Ze hingen een bordje aan de borstkas van iedere gevangene waarop vermeld stond dat ze spionnen waren voor de Grote Satan en vervolgens zakte er een lus, die in de volksmond de Iraanse stropdas genoemd wordt, over hun hoofd.
Dankzij de zorgvuldige voorbereiding hadden de op het plein samengedromde mensen allemaal onbelemmerd uitzicht op de tien figuren boven hun hoofd. Tegen de helderblauwe lucht leken ze tussen hemel en aarde te zweven. De omstandigheden in aanmerking genomen veronderstel ik dat dat ook precies was waar ze zich bevonden.
Een klein bijeengekropen groepje het dichtst bij de hijskranen, waarschijnlijk familie en vrienden, lag geknield te jammeren en te bidden. Ze keken op toen een man in uniform, een luitenant-kolonel, op een van de wagens klom en in het Farsi door een luidspreker sprak, en zijn stem echode over het plein. Hij las de naam van iedere gevangene voor, waar hij of zij van beschuldigd werd en vervolgens het vonnis.
Ten slotte liet hij de vellen papier zakken en zei nog iets luider een woord dat te vertalen was als ‘klaar’. Een van de veroordeelden, een man, hoorde het woord en zijn moed begaf het: hij begon te schreeuwen en riep God aan om hem te redden.
Zoals gebruikelijk, in elk geval in mijn ervaring, had die smeekbede geen zichtbaar effect. Als in een goed geoefend ritueel stapten de leden van de Revolutionaire Garde naar voren en legden hun rechterhand tegen de onderrug van iedere gevangene.
Bij dat gebaar daalde er een zware stilte over de menigte neer, en een kind, een jongen van een jaar of zes, stond op te midden van de groep vrienden en familie en keek strak omhoog naar een van de gevangenen, misschien zijn vader of moeder, en begon een naam te roepen. Een vrouw naast hem trok hem omlaag, de jongen begon te huilen, en na een stilte die een eeuwigheid leek te duren gaf de man met de luidspreker het volgende bevel: ‘Nu.’
De Gardisten duwden als één man de gevangenen naar voren. Tien paar voeten verlieten het houten platform en onwillekeurig hapte de menigte naar adem. De vrienden en familieleden keken toe toen een regen van schoenen en sandalen omlaagkwam terwijl de gevangenen door de lucht vielen.
Met hun voeten vooruit schoten ze in de richting van het plein beneden en de touwlussen rolden achter hen aan razendsnel af. Toen de lussen helemaal afgewikkeld waren, knalden de touwen hard tegen hun verankering, de stroppen trokken strak rond tien kelen, de gevangenen vlogen met een schok een stukje omhoog en hun nek brak onmiddellijk.
Niemand in de menigte sprak een woord, het enige geluid was het gejammer van de familieleden terwijl de lichamen zachtjes schommelden in de warme Midden-Oosterse bries.
Het verbaasde me niet dat de menigte met stilte had gereageerd. Ik ben ongelukkig genoeg getuige geweest van diverse executies; diverse door een vuurpeloton, twee door ophanging en één waarbij een oude man was vastgegespt in een elektrische stoel en gedwongen was om de bliksem te berijden, zoals de bewakers op de gang met dodencellen het noemen; en neem van mij aan dat de doodsangst op het gezicht van een man of vrouw als alles waarop ze hadden gehoopt in rook opgaat, je nooit zal verlaten. De herinnering eraan zal om drie uur ’s nachts de kop opsteken, wanneer alles waar je het allerbangst voor bent de trap op komt op zoek naar jou.
Een paar dagen eerder had de Duitser op de toiletten in Espinas Palace als betaling voor de lijst met namen een attachékoffertje in ontvangst genomen met een fortuin aan Zwitserse obligaties aan toonder. Ik ben niet gelovig, dat zal niemand ooit over mij beweren, maar tweeduizend jaar geleden schreef de Heilige Paulus iets wat je niet snel meer vergeet als je het eenmaal hebt gehoord: geldzucht is de wortel van alle kwaad. En dat gold zeker die avond in Teheran.
Vanaf het moment dat de verrader zijn koffiekop, oude regenjas, twee peuken en een verkreukeld creditcardreçu op de tafel in de bistro had achtergelaten, de toiletten betrad, de uitwisseling voltrok, via een naastgelegen sigarenbar het pand verliet, op de bagagedrager van een wachtende motortaxi ging zitten en de stad in verdween, waren er naar de schatting van de analisten van de Dienst tweeënnegentig seconden verstreken. Tweeënnegentig seconden om van jezelf een multimiljonair te maken, een compleet spionagenetwerk te vernietigen en het doodvonnis te tekenen van tien collega’s. Naar welke maatstaf dan ook gemeten was hij een zeer goede spion. Als freelancer die zichzelf alles had bijgebracht was hij uniek.
Zoals te verwachten deed de cia – die gammele maar bij tijd en wijle briljante organisatie waar ik de afgelopen twaalf jaar had gewerkt – talloze pogingen om hem te vinden, maar geen van alle kwamen ze ook maar in de buurt van succes, en omdat er dagelijks meer bewijzen boven water kwamen van zijn bedrog, groeide zijn status uit totdat hij in de ogen van de Amerikaanse inlichtingenwereld een soort duistere legende werd. Nog erger was dat de analisten van de Dienst er al gravend achter kwamen dat hij in de loop van de jaren zoveel valse identiteiten had aangenomen dat het Bedrijf uiteindelijk één enkel schrikbarend feit moest toegeven: ze hadden geen flauw idee wie hij was. Misschien was hij niet eens een Duitser.
Omdat zijn identiteit nog steeds een mysterie was, en vermoedelijk uit respect voor zijn indrukwekkende verdwijntruc, gaf een van de intellectuelen bij de Dienst hem een naam die al snel alom aansloeg. Ze gaf hem de codenaam ‘de Magus’, een diep in de oudheid geworteld woord dat tovenaar betekent. In de Bijbel staat dat de Drie Wijzen die goud, wierook en mirre brachten om de geboorte van Jezus te vieren Magi waren. Dus de cia – het bureau dat in de loop van zijn ruim tachtigjarige geschiedenis baanbrekend werk had verricht op het terrein van de duistere kunsten van de spionage – had eindelijk een tovenaar en solist ontmoet die bijna net zo goed was als het bureau zelf.
Uiteraard wakkerde dat besef de frustratie aan van de duur geklede man in ons hoekkantoor en moedigde het hem aan om de pogingen om de man te vinden nog eens extra op te voeren. Neem van mij aan dat het in de hoogste regionen van de inlichtingenwereld nooit aan testosteron heeft ontbroken.
Toen zelfs de aanzienlijk beter van middelen voorziene zoektocht onder leiding van een zorgvuldig samengesteld team van datavergaarders en de allerbeste agenten geen spoor van de Magus opleverde, belandde het probleem op mijn bureau. Het was vrijdag en ik was net op weg naar een vroege lunch (volgens velen is de Starbucks bij het hoofdkantoor van de cia in Langley de drukstbezochte ter wereld) en ik mikte erop om de drukte van het middaguur voor te zijn. Mijn computer en kluis waren al afgesloten toen ik het unieke geluidje hoorde dat me liet weten dat er een bericht met de hoogste prioriteit in mijn inbox was beland.
Ik decodeerde het bericht en zag dat het de geheime documenten bevatte die betrekking hadden op het verraad in Teheran, gruwelijke gehackte beelden van de openbare executie van de camera’s van de pava, en verslagen over de serie mislukte klopjachten die daarop volgde. Er was een briefje aan toegevoegd van de directeur, met de vraag of ik me vertrouwd wilde maken met het materiaal en me maandag even voor zonsopgang in zijn kantoor bij hem wilde melden. Het was niet ongebruikelijk om op zo’n goddeloos tijdstip te worden ontboden en er waren er bij de Dienst die beweerden dat die vroege afspraken maar een trucje waren: hij was helemaal geen workaholic, zeiden ze dan, hij wilde alleen die indruk wekken.
Toevallig vergisten ze zich: hij was een gedreven, ambitieuze kerel die was opgegroeid in eigenaardige, zware omstandigheden, al waren maar weinig mensen daarvan op de hoogte. Ik had altijd gedacht dat werk een emotionele leegte voor hem vulde en eerlijk gezegd was dat niet ongewoon bij een dienst die bekendstond om zijn excentriekelingen en onaangepaste types.
De directeur, met zijn zilvergrijze haar en een grotendeels intact gebleven atletische bouw waaraan hij tijdens zijn studie zijn sterrenstatus op de sintelbaan te danken had gehad, was opgegroeid als Richard Rourke, maar sinds jaar en dag had niemand zijn naam meer gebruikt. Hij stond alom bekend als Falcon, sinds hij als jonge agent Iran was binnengekomen als lid van een gezamenlijk Amerikaans-Israëlisch team dat de opdracht had om een serie atoomcentrifuges verborgen in een woest gebergte in de buurt van de plaats Natanz onklaar te maken.
De missie werd een ramp, maar al was Rourke het minst ervaren teamlid, hij toonde niet alleen buitengewoon grote moed maar ook een opmerkelijke koelbloedigheid in extreme omstandigheden: minstens vijf Iraniërs die voor de Dienst werkten hadden uiteindelijk hun leven aan hem te danken. Terwijl het gerucht zich door de geheime wereld verspreidde dat hij midden in de nacht – onder een regen van kogels en zonder zich door wat dan ook te laten weerhouden – met een half netwerk aan plaatselijke medewerkers in de achterbak van zijn pick-up de grens naar Irak overstak, bleef de naam Falcon aan hem kleven.
Met zijn opmerkelijke ogen en krachtige kaaklijn was hij waarschijnlijk eerder indrukwekkend dan knap, maar één ding stond vast: hij was de best geklede man die ik ooit had ontmoet. Hoe vroeg of laat het ook was, hoe geladen de situatie ook mocht zijn, je kon hem vroeg in de ochtend op zijn kantoor vinden, of laat op de avond in het centrum operaties, gekleed in een handgemaakt pak van Brioni, een zijden stropdas en een overhemd van Charvet. Zelfs zijn verzameling manchetknopen was indrukwekkend.
Nadat hij was vertrokken bij de frontlinieoperaties bracht hij tientallen jaren door met het beklimmen van de spekgladde paal in Washington, en de kleren en het imago maakten daar allemaal deel van uit. In de gangen van de macht en de elitaire salons van Georgetown werd hij beschouwd als een deskundig en buitengewoon ervaren man; een veilig stel elegante handen.
Hij was halverwege de zestig toen ik op zijn kantoor werd ontboden. Eerlijk gezegd keek ik er niet van op dat dat gebeurde. Ik had bij geruchte vernomen dat de laatste zoektocht naar de Magus net zomin een succes bleek te zijn als zijn voorgangers en had al gedacht dat een lid van de Amerikaanse inlichtingenelite vroeg of laat zou bedenken dat ik waarschijnlijk over de noodzakelijke vaardigheden beschikte om met een nieuwe aanpak van de zoektocht te komen.
Door een eigenaardige samenloop van omstandigheden maakte ik deel uit van een klein kader spionnen die zich toelegden op het zich toegang verschaffen tot zogenoemde ‘Verboden Gebieden’ – plaatsen die volledig onder vijandelijke controle staan, zoals Rusland, Syrië, Noord-Korea, Iran en de stamgebieden in Pakistan – dus ik beschikte over meer kennis dan de meeste mensen over hoe je aan ontdekking kon ontsnappen wanneer er op leven en dood op je werd gejaagd.
Om kort te gaan: de Magus wist hoe hij zich moest verbergen. En ik ook.
© 2023 Terry Hayes
© Nederlandse vertaling A.W. Bruna Uitgevers en Miebeth van Horn en Hilke Makkink