Nu op de longlist van de Boekenbon Literatuurprijs 2023: Kathleen Vereeckens roman Margriete! Trouw schreef: ‘Haar gedetailleerdheid is bewonderenswaardig, het is dezelfde drang naar precisie die ze Margriete toeschrijft, die dat schildert wat klein is, en licht, de miniaturen.’ Lees bij ons een fragment!
Na de dood van haar ouders komt Margriete in het bruisende, ruwe Gent terecht. Terwijl haar oudere broers hun handen vol hebben met schilderen en huizen versieren voor wie rijk en machtig is, brengt zij haar dagen door in een klooster waar ze manuscripten verlucht, en haar avonden bij haar beschermvrouw. Haar vriendschap met een kruidengenezeres en vroedvrouw geeft haar een inkijk in de wereld van leven en dood, doet haar nadenken over de ingrijpende keuze die haar wacht: trouwen en stoppen met schilderen, of schilderen en voor altijd maagd blijven.
Weinigen weten dat de beroemde broers van Eyck ook een schilderende zus hadden. Margriete vertelt het verhaal achter Het Lam Gods, een van ’s werelds meest iconische schilderijen, gezien door de ogen van een middeleeuwse vrouw.
- ‘In deze ragfijne miniatuur à la van Eyck duikt Kathleen Vereecken bijzonder geloofwaardig in de intimiteit van een talentvolle, eigengereide jonge vrouw op het einde van de middeleeuwen. Een zintuiglijk leesavontuur dat ons langs een verrassende zijweg het grote Bourgondische epos binnenleidt.’ – Bart Van Loo
- ‘Vereecken schrijft enorm sfeervol, ze spint je in met haar gevoelige taal en delicate behandeling van emoties.’ – De Standaard
- ‘Vereecken heeft een talent haar hoofdpersonen met gevoel maar zonder overdreven sentimenten zo te beschrijven dat je ze niet snel vergeet.’ – de Volkskrant
1
Er is geen water meer.
De rivieren zijn bedekt met een ijskorst zo dik als de muren van haar geboortestad. Ze had nochtans graag gevaren, veel liever dan het eindeloze schudden en schokken te ondergaan van het reizen over land. Maar varen is niet aan de orde. Het is nooit aan de orde geweest, zegt haar broer, want Maaseik en Gent laten zich niet verbinden door één rivier. Dus hobbelen ze hard van herberg naar abdij, van abdij naar herberg over de bevroren aarde.
Naar buiten kijken.
Het land is grauw, de hemel zit dicht alsof het nooit meer lente zal worden. Ze trekt haar mantel steviger om zich heen, graaft met haar handen diep in de bonten mof, en probeert niet aan thuis te denken. Dus denkt ze aan thuis. Aan alles wat veilig en vanzelfsprekend was. Aan haar vader, die zoveel kon, maar stilaan verdwaald raakte in zijn eigen hoofd tot hij eindelijk verlost werd. Aan haar moeder, die haar vasthield. Mijn jongste, zei ze, mijn kleine meisje. En dan zachter. Mijn Margriete. Ze kusten elkaars handen, om beurten. De jongste kuste eerst, vluchtig en verlegen. De oudste volgde, diep en zacht, alsof het moest blijven duren. Ze zaten die dag nog lang samen aan de tafel zonder veel te zeggen, lang genoeg om de binnenvallende zon te zien verglijden van tafel naar vloer. Ze wisten dat het lang zou duren voor ze elkaar terugzagen. Ooit misschien, in de eeuwigheid. Toen hun moeder stierf, reisde haar oudste broer terug naar zijn geboortegrond. Hij kwam voor zijn moeder, maar ook voor haar, de jongste.
Ze heeft haar broer, dat is veel. Ook hij is oud, bijna een halve eeuw. Hij zou haar vader kunnen zijn. Dat is hij in zekere zin ook. Hij is wijs en geleerd, en heeft haar alles geleerd wat ze kan. Of nee, dat is niet waar. Haar moeder heeft haar veel geleerd. Die zong wiegeliedjes en sprak zachte woorden, vertelde verhalen. Liet boter en honing op de tong van haar dochter smelten zodat die soepel werd. En een soepele tong die zoet gehouden werd, zou beter in staat zijn de woorden te vormen. Luisteren, praten. En lezen. Ze houdt nog steeds van boter en honing, die geven haar trek in verhalen. En verhalen geven haar op hun beurt trek in boter en honing. Van alles wat haar moeder haar geleerd heeft, is lezen haar het dierbaarst. Maar haar broer, de oude man die nu ingedut heen en weer wiegt en zacht snurkt, leerde haar het beste wat een mens kan leren. Hij liet haar proeven van de schilderkunst. En toen hij zag hoezeer ze er smaak in kreeg, leerde hij haar meer, leerde hij haar alles wat hij zelf wist en kon. Haar en Jan en Lambrecht, net zoals hun vader het hem ooit leerde.
De materie.
Een schilder zonder materiaalkennis is een verloren zaak, een knoeier. Dat vertelde hij hun keer op keer. Het werk moest de maker kunnen overleven, en een knoeier zou daar nooit in slagen. Gebrek aan materiaalkennis was onvergeeflijk. Een schande voor het schildersambacht. Hij zei het en bleef het zeggen tot het hen verveelde. Maar hij geloofde in herhaling, en het werkte. Ze wisten nu alles en zouden het nooit meer vergeten.
Ze besefte al snel dat ze privileges kreeg die de meeste andere meisjes niet kregen. Als vrouw zou zij zich vooral op het schilderen van miniaturen toeleggen. Hoe perkament zich gedroeg. Welke penselen ze moest gebruiken en hoe. Dat ze eraan mocht likken om ze nog fijner te maken, tot ze van goud en lapis lazuli niet alleen de kleur maar ook de smaak kende.
En dan.
Genereus wijdde Hubrecht haar en hun twee broers in het schilderen van grote panelen in. Dus keek ze ook hier gretig toe en leerde. Over champagnekrijt en doodgebrande gips, lederlijm en beenderlijm. Hoe alles moest gesmolten en gebonden worden in warm water – nooit kokend! En dan voorzichtig aluin toevoegen om de lijm watervast te maken. Een klein beetje maar, vlak voor het gebruik. Daarna kon het plamuren beginnen. Dun als een sluier, leerde hij hun. Vier lagen. Vijf lagen, nog beter. Geduld hebben. Niet drogen in de zon. Niet drogen bij het vuur, want dan kreeg je barsten en scheuren. Wachten. Altijd wachten.
En dan.
Leren van de Italianen die dachten dat de Vlamingen, de ‘oltramontani’ zoals ze genoemd werden, alleen maar in tempera konden schilderen. Hubrecht kon het allemaal, en beter dan wie ook. Hij zocht en probeerde en viel en stond weer op. Hij maakte een mengsel, aangevuld met notenolie en lijnolie, kookte het tot een vernis die de kleuren glanzend en vurig maakte, en voegde er een houtlijmoplossing aan toe. Hij deed het hun voor tot ze het helemaal onder de knie hadden. En hij had gelijk, helemaal gelijk. Zijn kleuren glanzen dieper en heviger dan die van elke andere schilder. En zij, zij en haar broers, kennen het geheim.
Hij is een goede man, haar oude broer, een zachte man. En de beste schilder van het Land van Loon. Ze kennen zijn naam tot in Gent en ver daarbuiten.
Daarom hobbelen ze nu hard en eindeloos over bevroren wegen.
De paarden dampen, sjokken verder, zwaar en moe. De tijd dringt. Nog even en de schemering zet in. Ze willen Gent bereiken voor de avondklok luidt.
Haar vingers zijn alweer koud en blauw, haar tenen gevoelloos. Ze verlangt naar een bed dat niet bezoedeld is door de vlooien en het zweet van de lijven voor haar. Naar de rust van een huis zonder brallende dronkaards. Naar warmte, droge warmte vooral. Ze heeft geen idee van wat hun wacht. Maar Hubrecht zegt dat het goed zal zijn.
Ze kijkt uit het raam van de koets. De grootste stad van de Lage Landen steekt kil en grauw af tegen het witte landschap.
Bij het begin van de schemering komen ze bij de Sint-Clarapoort aan. Een vrouw met lazarusklep kijkt hen uitdrukkingloos aan. Ze laat de klep ratelen, maar maakt geen aanstalten tot bedelen. Haar wangen en lippen zitten onder de bloederige bulten. Haar wollen kleren, grauw met rode draad, zo valt het naar beneden druppelende bloed minder op, kleuren bij haar gelaat. Ze stopt met bewegen, alsof ze nu al bevroren is. De stadswacht leest de brief die Hubrecht hem laat zien, laat hen binnen. Een man met bruine kaproen urineert in een grote ton en kijkt het rijtuig suffig na. Dat de leerlooiers tevreden zullen zijn met het extra vocht, gromt Hubrecht. Zijn ogen lachen, zijn mond niet. Daarvoor is hij te moe.
Maar zij, zij herleeft. Ze steekt haar hoofd naar buiten en kijkt naar de stad die de hare zal worden. Hoge torens op een rij wijzen naar de donker wordende avondlucht.
Aan de buitenranden van de stad, in het drooggelegde moerasgebied, staan de huizen van de handwerklieden. Rook kringelt uit een gat in de daken omhoog. Er hangt een dikke walm boven de stad. Ze ademt diep in. Dit is de geur van veiligheid en warmte, de geur van thuiskomen. Haar ogen prikken, maar dat is natuurlijk door de rook en het roet. De vermoeidheid ook. De straat wordt versperd door een kar met grote vaten, die gelost worden. Margriete kijkt opzij naar een jonge vrouw, die tegen de zijgevel van een huis aanleunt. Haar gezicht is kinderlijk rond, haar kin een beetje spits. Ondanks de schemering is bijna alles aan haar licht. Haar ogen, haar witblonde haar, haar gele kledij. Ze is jong, erg jong, en kijkt elke langslopende man nadrukkelijk aan, met meer wanhoop dan overtuiging. Dan ziet ze Margriete. Haar ogen zijn bijna transparant. Allebei wenden ze de blik af. Margriete voelt haar schaamte. Of is het haar eigen schaamte? Vanuit haar ooghoeken ziet ze hoe een man het meisje aanspreekt. Hoe ze daarna samen in een steeg verdwijnen. Het rijtuig zet zich weer in beweging.
[…]
© Kathleen Vereecken, 2022