Leesfragment: Niki

12 augustus 2023, door Christos Chomenidis

16 augustus verschijnt Christos Chomenidis’ roman Niki (Νίκη), in de vertaling van Hero Hokwerda. Lees bij ons een fragment!

Het leven van Niki, geboren in 1938 als dochter van een vooraanstaande Griekse communist, ligt voor haar eerste verjaardag al overhoop. Haar ouders zijn gearresteerd en samen met haar moeder wordt ze verbannen naar verschillende eilanden. Ze groeit op in Athene ten tijde van de Italiaanse en Duitse invasie, de Duitse bezetting en de burgeroorlog die daarop volgt, en moet daarna nog zeven jaar met haar ouders onderduiken in een buitenwijk van Athene. Niki’s dogmatische ouders willen haar opvoeden als ideale communiste in plaats van als gewoon meisje, wat ten koste gaat van haar levensvreugde. Zal het haar lukken uit het keurslijf los te breken?

Niki is een opmerkelijke, ontroerende roman over het verlangen naar persoonlijke vrijheid van een modeldochter die zich ontwikkelt tot een vrouw met haar eigen leven. Tegelijk vertelt het ook de brute geschiedenis van Griekenland in de twintigste eeuw.

Christos Chomenidis (1966) is een Griekse romanschrijver. Hij studeerde rechten aan de universiteit van Athene. Voor Niki ontving hij in 2021 de Prix du livre européen.

 

Nu ik dan dood in de kist lig, afgelegd en wel in mijn zondagse witte jurk (die ik zelf had uitgekozen en een week voor mijn laatste opname in het ziekenhuis nog naar de stomerij had gestuurd), nu ik in de koelcel van het mortuarium lig te wachten op het aanbreken van de dag van mijn begrafenis, nu ik op weg ben naar de plaats waar ze zeggen dat er geen pijn, verdriet en zuchten bestaan – nu voel ik me vrijer dan ooit. Vrij om door de zeventig jaar van mijn leven rond te dwalen. Naar voren of naar achteren te springen, bij mijlpalen stil te staan en alle belangrijke beslissingen, genomen door mezelf of door anderen voor mij, in hun geheel te overzien, in alle helderheid. En ook, minuscule details uit te vergroten en te onderzoeken, en zicht te krijgen op de minst waarneembare nuances, die uiteindelijk misschien wel het verschil hebben gemaakt. Welk verschil? Het verschil dat mij anders heeft gemaakt, niet dan andere mensen, maar dan de eindeloze versies van mezelf die ik in aanleg in me meedroeg, maar die nooit tot bloei zijn gekomen of vrucht hebben gedragen. Het verschil dat me gemaakt heeft tot wat ik was en niet tot wat ik had kúnnen zijn. Op de dag dat ik de boodschap kreeg dat ik kanker had, heb ik nagelaten iets in het dagboek te schrijven. De volgende dag noteerde ik wat ik in mijn koffer voor het ziekenhuis moest leggen – een lijst zonder enig commentaar. Verschool ik me ook voor mezelf? Misschien...
Maar misschien ook wel geloofde ik dat eerst het beeld compleet en afgerond moest zijn en dat het dan pas zin had erover te oordelen. En nu is dan mijn uur aangebroken.

 

Vóór Niki

I

In februari 1938 ben ik geboren uit twee mensen die zich door de omstandigheden van hun leven allerminst aangemoedigd voelden een kind te krijgen. Zelf waren ze in veel kalmere tijden ter wereld gekomen.
Mijn moeder was de oudste dochter van een man die in zijn jeugd heel arm was geweest, maar door zijn huwelijk een welgesteld landeigenaar was geworden. Ik wil niet suggereren dat hij een bruidsschatjager was – verre van dat. Mijn grootvader, Yoryis, werd verliefd op mijn grootmoeder, Elpida Petmezá, stapelverliefd, tegen elke maatschappelijke of financiële berekening in. Uit twee buurdorpen kwamen ze, in de vlakte van Messenië. Ze moesten elkaar gezien hebben, zo stel ik me voor, op dorpsfeesten, waar Yoryis allerlei reidansen op zijn bouzouki speelde en Elpida als meisje ingetogen meedanste, uitsluitend met haar nauwe verwanten. Van beide kanten, beweerden ze, was de vlam onmiddellijk overgeslagen. Qua uiterlijk waren ze in elk geval geknipt voor elkaar, ze waren allebei even knap. Elpida met zwart haar en witte huid, Yoryis rijzig, stevig gebouwd en blond, met krulsnor. Hij was van de eerste generatie die ‘Europese’ kleren droeg, zijn vader liep nog in traditionele plooirok. Peloponnesos, eind negentiende eeuw...
Dat Yoryis de hand van Elpida zou vragen, en krijgen, was ondenkbaar. Een dertiger van twaalf ambachten, dertien ongelukken als hij was – nu eens jager, dan weer stalknecht, dan weer rondtrekkend muzikant – scheidde een diepe kloof hem van de familie Petmezás, die veertig pachters in dienst had... Lang heeft hij er denk ik niet over hoeven nadenken: op een dag dat Elpida naar de tandarts moest (een hele reis in die tijd, van het dorp naar Kalamata – twee paarden voor, twee achter en ertussen een ezel met op het houten zadel het meisje), stond hij met zijn kompanen in een bocht van de weg op de uitkijk. Toen de stoet naderbij kwam, stelde hij zich met het geweer in de hand ervoor op. ‘Krijg ik haar van jullie als vrouw?’ vroeg hij met donderende stem. ‘Ach, man, ga toch slapen om wakker te kunnen worden!’ kreeg hij van de beschermers van het meisje te horen. Door de schoten die er volgden, vielen er één dode en drie gewonden. In de verwarring greep Yoryis de kleine Elpida mee en bracht haar voor een nacht naar een grot. Bij het aanbreken van de dag gaf hij zich aan de veldwachters over. Hij werd veroordeeld en opgesloten – sommigen spreken over vijf, anderen over zeven jaar – in de kerkers van Bourtzi. Het liet hem koud. Hij had haar nu tot zijn vrouw gemaakt, ze zouden haar met niemand anders meer kunnen laten trouwen...
Zodra hij vrijkwam, vond het huwelijk plaats en begonnen er kinderen te komen. Achilleas en Kyriakos, daarna Anna (mijn moeder), daarna Katerina (die als baby gestorven is), Alkmini – antieke namen waren toen heel gewoon – en ten slotte Theoni. Binnen vijftien jaar, van 1905 tot 1920.
Hadden de jongens eigenlijk een bijzondere aanleg om te leren? Of vormde het alleen maar een nobel streven voor een welgestelde boerenfamilie dat ze hun zoons lieten studeren? In elk geval vertrokken beide jongens meteen na school naar Athene en schreven zich aan de universiteit in. Achilleas voor theologie en Kyriakos voor rechten.
’s Zomers keerden ze naar het dorp terug, maar in plaats van bij het werk op het land te helpen, zochten ze een plekje onder een schaduwrijke boom en lazen met veel poeha marxistische handboeken. Wie hen in het communisme had ingewijd? Onbekend. Toen grootvader Yoryis met grimmige blik zijn zonen er op de man af naar vroeg, kreeg hij van Achilleas een antwoord dat volgens hem zijn vader de mond zou moeten snoeren, maar dat de meeste mensen alleen maar hooghartig zouden vinden: ‘Jong in onze dagen en geen communist worden, dan ben je of een grote sukkel of heb je geen gevoel in je lijf. Alsof je in 1821 tegen de Griekse Opstand was...’ Tegenover zo veel zekerheid gesteld haalde Yoryis de schouders op.
Tegen de avondschemering ging Achilleas naar het dorpscafé om propaganda te bedrijven, terwijl Kyriakos de opvoeding van zijn zussen ter hand nam.
‘Communisme is elektrificatie plus sovjetmacht,’ had Lenin gezegd. Kyriakos stond vooral stil bij het eerste lid van de definitie. Hij begon de meisjes te beschrijven hoe de Peloponnesos geëlektrificeerd zou worden en alle arbeid dan automatisch verricht zou worden door hypermoderne machines, terwijl er van de afstand Kalamata-Athene niets over zou blijven dankzij van die treinen die zich zouden voortbewegen op samengeperste lucht. De zussen luisterden met ogen op steeltjes, de sciencefiction vatten ze op als politieke scholing...
Anna’s reis naar Athene vond plaats met de stoomlocomotief – de Smeerpoets – en nam bijna anderhalve dag in beslag. Eerst waren er drie maanden geweest van gebekvecht met haar vader. Of liever, van haar vader met zichzelf, gespleten als hij was tussen Annoula loslaten – die vooral in haar temperament zoveel van hem weg had – en haar de wijde wereld laten ontdekken, of haar in het dorp houden. ‘Als je van plan bent mij hier opgesloten te houden, kinderen krijgen en die naar de vrijheid sturen...’ had Anna hem ten slotte gezegd, en zo met één zin de strijd beslecht.
Haar intrek nam ze in de studentenkamer van haar broers, in een huis aan de voet van de Lykavittós. Ze deed toelatingsexamen voor de kunstacademie en slaagde dankzij de flirt van een medekandidaat en later zeer bekende schilder, die voor haar rekening zowel het naakt als het stilleven schetste en stiekem aan haar doorspeelde. Maar gestudeerd heeft ze er nog geen dag. Van de communistische jeugdorganisatie waar ze zich meteen had aangemeld, kreeg ze opdracht in een weverij te gaan werken om de andere arbeidsters te scholen.
Ik weet niet of ze de gave van de overtuigingskracht bezat, of dat er – achter de proletarische façade – iets doorschemerde van het meisje waaraan het tot dan toe in het leven aan niets had ontbroken. Maar hoe dan ook was Anna niet iemand die zich zou verwaardigen het roer om te gooien. Vanaf het ogenblik dat ze zich voor de zaak van het socialisme had laten mobiliseren, zou ze die onwankelbaar blijven dienen, ten koste van alles.
Haar broer Achilleas daarentegen was veel minder standvastig, of had een veel opener geest (het is maar hoe je het bekijkt). Na zijn afstuderen werd hij als godsdienstleraar aangesteld op een school. Het eerste wat hij tegen de leerlingen zei, was dat ze niet in al die onzin moesten geloven, God bestond niet. Uiteraard werd hij op staande voet ontslagen. Om maar niet in ballingschap te hoeven – waar ook de communisten het op hem gemunt zouden hebben, aangezien hij intussen was overgestapt op het trotskisme – ontvluchtte hij Griekenland. Hij heeft heel wat jaren door Europa gezworven onder het verrichten van allerlei baantjes, en na de Tweede Wereldoorlog belandde hij in Israël, waar hij een stuk of tien nakomelingen heeft verwekt. In Tel Aviv stond hij algemeen bekend als een vreemde snuiter, in zwart pak en met lang, wapperend haar, die demonstratief met een boek in laat me dan maar meteen trouwen, dan kan ik zo snel mogelijk de hand langs de waterkant heen en weer liep en er passages uit voordroeg. ‘Ik ben reiziger van het denken,’ zo stelde hij zichzelf voor...
In 1933, toen ze tweeëntwintig was, moet Anna een van de knapste communistische meisjes geweest zijn, blond, rank en rijzig als haar vader en met daarbij een strenge uitstraling die, naarmate ze de mannen op afstand hield, hen des te meer prikkelde. Op een dag zei een vriendin tegen haar dat kameraad Armaos kennis met haar wilde maken. ‘Wie? Ons parlementslid?’ reageerde ze geïmponeerd. ‘Ja, die!’

 

© 2014 Christos Chomenidis
© 2023 Nederlandse vertaling Uitgeverij Prometheus en Hero Hokwerda

Gerelateerde boeken

Wil je van je bestaande account gebruikmaken op onze nieuwe website? Je behoudt dan onder meer je bestelgeschiedenis, reeds aangeschafte e-books en je persoonlijke verlanglijst. Als je toestemming geeft krijg je direct een mail om een nieuw wachtwoord in te stellen.

Voer een geldig e-mailadres in

Hostname: pro-mbooks2