Nu op de longlist van de Europese Literatuurprijs 2023: Jakub Małecki’s roman Saturnin (Saturnin), uit het Pools vertaald door Karol Lesman. Lees bij ons een fragment!
Warschau, 2014: Saturnin, vertegenwoordiger en voormalig gewichtheffer, krijgt een telefoontje van zijn moeder: zijn 96-jarige grootvader Tadeusz is verdwenen. Vastbesloten rijdt hij naar zijn geboortedorp om hem te zoeken. Als een familiekroniek ontvouwt zich het verhaal van drie generaties, sterk beinvloed door het verleden van de grootvader. Hij was een zachtaardige muzikant die nooit soldaat had willen worden, maar tegen zijn wil een wraakzuchtige partizaan werd en zich daarna in een diep stijlzwijgen hulde. Wanneer Saturnin hem vindt, hoort hij een verhaal dat zijn eigen jeugd in een ander daglicht stelt.
Ik weet heel weinig, alleen dat mijn broer een slang is, dat ikzelf niet leef en nog een paar dingen. Alles loopt door elkaar, misschien moet het zo zijn.
Ik heette Irka, mijn achternaam herinner ik me niet, volgens mij begon die met een M. En volgens mij was ik mooi. Soms droeg ik mijn haar in een vlecht, ik lachte graag en een vrouw die lacht, ook al is ze nog zo gewoontjes, is altijd mooi.
Ik maakte me niet al te druk tijdens mijn leven, ik vond dat nergens voor nodig. Natuurlijk had ik genoeg dingen om me druk over te maken, die heeft iedereen. Ik had soms meer redenen daarvoor dan anderen, dat denk ik toch.
Ik ben als een niet goed afgestemde radio die een signaal van verschillende stations opvangt. Een zongebruind jongetje dansend rond een vrouw met een blauw-witte tas. Een corpulente oude man met een grote landkaart op zijn knieën. Een meisje met warrige bruine haren rukt aan een brievenbus. Een bezwete soldaat die bij een auto door het raam naar binnen kruipt. Zo zou ik nog wel even door kunnen gaan. Beelden sijpelen hier door, ik kijk ernaar, wat moet ik anders.
Er zijn ook momenten waarop ik me een heleboel van mijn levens herinner en ik kan alleen niet zeggen welke echt waren. Ik weet heel weinig. Alleen dat ik Irka heet. En dat dit allemaal over mij gaat.
Deel I
I
Mijn moeder draagt anderhalve kilo zon in een grote blauwe stoffen tas met witte strepen en ik dribbel naast haar voort, ongeduldig, met een pijnlijke kaak. Mijn huid is zongebruind en heeft de kleur van koffie met melk, dat zegt opa tenminste. Het is de gelukkigste dag van mijn leven.
Mama zei dat als ik het trekken van twee kiezen dapper zou verdragen, zij voor mij zou kopen wat ik maar wilde. Ik begrijp heel goed dat de formulering ‘wat ik maar wilde’ in feite de afkorting is van ‘wat ik maar wilde, maar, laat ons zeggen, tot een bedrag van vijftien zloty’, maar dat maakt geen enkel verschil, want ik kan me niet voorstellen wat je zou kunnen willen voor meer dan vijftien zloty.
Ik wilde natuurlijk anderhalve kilo zon. Ik zou nooit in één keer meer dan één verpakking op kunnen, maar omdat ik het gevoel had dat met de declaratie van mijn moeder zich de gelegenheid zou voordoen om meteen een voorraadje in te slaan, besloot ik tot een poging dit uit te proberen. Dus kochten wij vanille, chocola en toffee. Zo nu en dan opspringend dribbelde ik naast mijn moeder voort en probeerde het probleem van welk ijsje met welke smaak ik na thuiskomst als eerste zou opeten op te lossen. Ik weet de naam niet meer van die ijsjes, het staat me alleen nog bij dat de bekertjes gemaakt waren van hard plastic en dat er een lachend zonnetje op het etiket stond.
Op de grafiek van mijn leven zouden die, de verpakkingen van ijsjes en allerlei snoep, alle belangrijke momenten aanduiden. Prestaties, successen, nederlagen en moeilijkheden. Uitdagingen, beroepen, ziektes en verrassingen. Soms denk ik dat ik niet meer zal achterlaten dan dat zinledige spoor van verpakkingen van producten met een hoog suikergehalte.
Nu ben ik dertig en volgens mij is er niets meer over van dat jongetje dat rond zijn moeder op straat liep te huppelen. Het is 2014, ik ben werkzaam als vertegenwoordiger en woon in Warschau. Mensen als ik noemen ze ‘single’, maar ik ben niet single, ik ben gewoon eenzaam.
Vandaag is het dinsdag, vanavond kijk ik voetbal en voor het slapen ga ik zoals altijd nog even op internet. Nu sta ik op mijn balkon en zie hoe mijn buurman, meneer Andrzejczak met een spons zijn auto wast. Geduldig dompelt hij de spons in een rood emmertje met schuim en vervolgens brengt hij die plotseling omhoog tot boven de motorkap, duidelijk bang om een druppel op het beton te morsen. Misschien is hij de laatste persoon op aarde die nog zoiets doet: zijn auto wassen voor zijn flat.
Ik zwaai naar hem van boven het droogrek met uitstaande vleugels – waarvan er één een tijdje geleden is verbogen, ik zou het eindelijk eens moeten vervangen; maar op de een of andere manier kom ik er maar niet toe – en hij zwaait terug, rechtopstaand, alsof ik me niet op een balkon bevind maar in een trein die op het punt staat het station te verlaten, en dan belt mijn moeder.
Ik neem op, terwijl ik eerst nog even een T-shirt recht hang en een sok corrigeer die van een stang dreigt te vallen, terwijl de zon in mijn nek en op mijn schouders brandt. Meneer Andrzejczak is klaar met het poetsen van zijn motorkap en begeeft zich gebogen naar de deur aan de bestuurderskant.
En precies op dat moment, als ik na het ophangen van de was aan het drooghek met de telefoon aan mijn oor op mijn balkon naar de buurman sta te kijken, krijg ik te horen dat mijn opa verdwenen is.
*
Ma spreekt rustig, alsof dat hele verdwijnen iets heel gewoons is voor mensen op die leeftijd, iets wat hun van tijd tot tijd simpelweg kan overkomen.
‘Vanmorgen, dat wil zeggen vannacht, weet je, want vanmorgen was hij al weg, Satek, ik bel alleen maar even zodat je weet, nou, weet je, ik dacht dat hij misschien buiten was of bij de vijver, je herinnert je vast nog wel dat hij daar graag naartoe ging, maar hij was niet terug voor het middageten, dus maak ik me nu zorgen, weet je, maar ik houd mezelf voor dat hij misschien bij de buren is...’
Ze lijdt aan zinnen-loosheid, ze heeft altijd geleden aan dat gebrek aan punten en andere leestekens die het mogelijk maken afzonderlijke delen in haar uitspraken uit elkaar te houden en daardoor komt het gewicht van het afremmen van die woordenvloed gewoonlijk voor rekening van haar gesprekspartner, van mij.
‘Ma, heb je de Pieczaba’s gebeld?’
Die heeft ze gebeld.
‘De Karmowski’s?’
Die heeft ze gebeld.
‘Pa?’
Die ook.
‘Ik heb iedereen gebeld, nou ja, laten we nog maar even wachten, weet je, en daarna misschien toch maar naar de politie, hij verdween anders nooit zomaar, zo zonder iets te zeggen, weet je, en zelfs vanmorgen...’ enzovoort, aan één stuk door.
*
Ik heet Saturnin Markiewicz, ik weeg honderdachttien kilo, ik heb een licht terugwijkend voorhoofd, ik beperk het gebruik van de woorden ‘nachtmerrie’, ‘altijd’ en ‘vriend’, ik zou wel wat minder willen snoepen, ik huur een vrijgezellenflat aan de Karmelickastraat in Warschau, in december ben ik aan mijn knie geopereerd, soms word ik lastiggevallen door de kleine, harige hond van de buurman op nummer drie, ik lees graag avonturenromans, ik doe mijn inkopen bij de Carrefour aan de Anielewiczstraat, ik speel Football Manager en ik ben verliefd op een apothekersassistente in de plaatselijke apotheek.
Ik weet echt niet hoe ik aan die idiote naam kom. Natuurlijk heb ik het meermaals gevraagd, moeder, mama, waarom hebben alle anderen een normale naam, bijvoorbeeld Wojtek, Radek, Przemek en Karol, en moet ik Saturnin heten?
‘Saturnin is een mooie naam! Bevalt die je niet?’
Wat moest ik daarop zeggen?
*
In de geur van gewassen goed, met een telefoon tussen een schouder en mijn hoofd, verblind door de zon en hongerig zoals altijd loop ik van het balkon de woning binnen, de geur verdwijnt, ik neem de telefoon in mijn hand, luisterend ga ik eindelijk zitten.
Ik vraag waar opa naartoe kan zijn gegaan. Ma zegt een tijdje niks, alsof ze een veer moet opdraaien die de volgende aaneenschakeling van woorden in beweging zal zetten.
‘Gereden, weet je, ja precies, want juist, Satek, weet je, hij is niet te voet gegaan, hij heeft mijn auto genomen, nou.’
Ik ga weer staan.
‘Maar wacht eens. Opa?’
[…]
Copyright © 2020 Jakub Małecki
Copyright vertaling © 2022 Karol Lesman / Em. Querido’s Uitgeverij bv, Weteringschans 259, 1017 XJ Amsterdam