28 mei verschijnt het romandebuut van Daan Borrel: De dragers. Wij publiceren voor! Lees een fragment en reserveer je boek.
1996, een jonge Marokkaanse vrouw overlijdt tijdens haar bevalling. Maria, advocaat en onlangs zelf moeder geworden, probeert de achtergebleven familie bij de aangespannen tuchtzaak te helpen. In 2023 zoekt rijschooleigenaar Sanae een manier om het verleden, dat zich na de geboorte van haar eerste kind opdringt, te kunnen dragen. Vita, een nuchtere bakker en intimiteitsactiviste bij Wombs For All, draagt in 2035 een kind voor een homostel.
In dit verrassende romandebuut van Daan Borrel zoeken de unieke en intieme stemmen van Maria, Sanae en Vita naar wat dragen betekent: kinderen en het moederschap, maar ook de tijd waarin je leeft, het verleden en de toekomst. Met lichte toets en geheel eigen observaties creëert Borrel personages om van te houden.
Maria
September 1996
Schat?
Nu komt er een vraag.
Na het koosnaampje komt er altijd een vraag.
Het is dingetje,
roept Harmen uit de woonkamer,
van je werk.
Oh ja, tuurlijk, Ronald. Die zou me bellen vandaag. Snel scheur ik wat velletjes wc-papier af. Niet vergeten morgen nieuwe te kopen. Samen vliegen we door de rollen heen. In het eerste jaar vooral om zijn sperma mee op te ruimen, het jaar daarop moest ik constant plassen, en nu –
Schat?
roept Harmen nog eens, ongeduldiger nu.
Ja! roep ik terug,
en in vier stappen ben ik van de wc in de hoek van de huiskamer. Ik neem de uitgestoken hoorn van Harm over. Achter hem baadt onze woonkamer in warm licht, over de houten vloer ligt een gouden gloed. Ik schraap mijn keel. Met Maria, zeg ik overtuigd en met een zo laag mogelijke stem.
Ja, met mij,
zegt Ronald. Zijn stem klinkt vaderlijk, vertrouwd.
Harmen staat op, knipoogt naar me. Hij heeft zijn werkcolbertje nog aan. Soms lijkt zijn kruin bijna het plafond te raken. Ik wenk dat hij het geluid van de televisie uit moet zetten, dat doet hij, vervolgens loopt hij naar de keuken en zet daar de radio zachtjes aan. Ik neem zijn plek op de hoek van de okergele leren bank in, sla mijn benen over elkaar, aan de andere kant van de lijn kucht Ronald. Zijn krakerige rokershoestje.
Hoe is de bevalling gegaan?
vraagt hij dan. Wat een ráre vraag.
Grappig dat je het vraagt, begin ik terwijl ik wat stofjes van mijn broek afpluk.
Hij moest eens weten dat ik net na vijven alweer in pyjama zit. Zo’n degelijk flanellen pak, zachtblauw blokkenpatroon. Ooit gekocht met mijn moeder tijdens een vakantie in Zwitserland. Wat kan ik erover vertellen, ga ik nonchalant verder, ik wil er niet over klagen. Ik ben er gelukkig zonder al te veel kleerscheuren vanaf gekomen.
Mooi,
zegt hij goedkeurend, alsof hij weet waar-ie het over heeft.
Mijn vrouw zegt altijd: het is net als doodgaan, je moet er in je eentje doorheen.
Enfin, waar ik je over belde.
Jij gaat over twee weken weer aan de slag.
En ik wilde je vertellen dat ik een prachtige zaak voor je heb liggen.
Echt iets voor jou, meisje.
Oh ja, zeg ik vragend; het klinkt alsof ik echt geïnteresseerd ben.
Ik kan me niet voorstellen dat ik over twee weken weer aan het werk ben. Chronologische verhalen moet construeren, met een begin, midden en einde. Oorzaak en gevolg, dat soort dingen.
En waarom gebruikt hij toch altijd dat woord ‘meisje’? Ik had er meteen wat van moeten zeggen, op mijn eerste werkdag bij de ‘grote Ronald de Winter’, nu is het te laat; nu heb ik het al te vaak laten gaan.
In de slaapkamer begint kleintje te pruttelen, zachtjes, steeds harder, als een percolator.
Wakker. Dat moet Harmen in de keuken toch ook horen, hij roert luidruchtig in een pan, chorizo en knoflook, oh lekker, vet, zout – gaat-ie nou kijken of niet? Hij wacht meestal net iets langer dan ik voordat hij reageert op gehuil. Of dat biologisch is of persoonlijkheid, Joost mag het weten, maar ik tel de keren onbewust bij elkaar op, tot mijn telraam vol is en dan begin ik weer opnieuw. God, wat is het weer krankzinnig warm hier. Ik trek de natte stof van mijn overhemdblouse uit twee buikplooien. Ondertussen vertelt Ronald over een Marokkaanse vrouw die thuis is overleden tijdens haar bevalling hier in de stad, of eigenlijk in een buitenwijk van de stad, nog meer buiten dan die van ons. De baby heeft het overleefd – godzijdank.
Een ongelofelijke ramp natuurlijk,
zegt hij ineens heel statig.
De familie heeft een klacht tegen de gynaecoloog ingediend bij het tuchtcollege, móórd zeggen zij.
Moord?
Lijkt mij een beetje overdreven,
vervolgt Ronald betweterig.
Volgens hen komt het omdat ze buitenlanders zijn.
Alsof een arts daarop let.
Als je het mij vraagt is het gewoon miscommunicatie geweest.
Ik maak een afwezig maar instemmend geluid.
Een arts ziet inderdaad waarschijnlijk geen verschil tussen mensen, en als je niet dezelfde taal spreekt, lijkt een foutje me snel gemaakt. Zeker tijdens een bevalling, waarin alles nogal aankomt op elkaar begrijpen, wel of niet persen, stuitligging de ja of de nee.
Ik ril met mijn bovenlichaam. Overlijden tijdens je eigen bevalling.
Maar goed, dat ben ik,
gaat Ronald onverstoord verder. Ik hoor zijn leren stoel kraken op de achtergrond.
Ik heb een Turkse schoonbroer met wie ik heel aardig overweg kan.
We zijn allemaal Nederlanders, nietwaar.
Ik dacht: Maria zit midden in de materie.
Typisch een zaak voor jou.
Voor mij! roep ik, ben ík gespecialiseerd in buitenlanders? Het raam klapt plotseling dicht van een harde windstoot. De strijkplank trilt, heel kort. Ik zie hoe de bout van de plank valt, op de wang van kleintje, blijft plakken aan haar nieuwe ongeschonden huid, het hete ijzer stroopt haar egale velletje zacht als appelstroop volledig af.
Nee!
Ronald lacht uitbundig. Zijn vette lach rolt door de hoorn.
De geboortezorg, Maria.
Jij hebt dat ziekenhuis bij wijze van spreken gisteren nog van binnen gezien.
Kleintje huilt harder nu, paniekerig. Op de radio in de keuken hebben ze het nog steeds met opgewonden stemmen over een vliegtuigje dat net in de Waddenzee is gestort. Het zoveelste dit jaar.
Ik ben thuis bevallen, zeg ik zacht.
Dan, strenger: Ronald, je weet dat ik het liefst zedenzaken doe, daar weet ik de weg. Dit is bovendien tuchtrecht! Niet mijn afdeling.
Ik sluit mijn ogen, in mijn borst kriebelt iets. Als ik mijn ogen weer open, lijkt de bananenplant in de hoek bij het raam een beetje heen en weer te wuiven, alsof-ie op een exotisch strandje staat. Pingelend muziekje op de achtergrond, ziltig briesje over mijn gezicht. Het zou kunnen dat de plant er gewoon vandoor gaat op een dag, de deur uit schuifelt, een ander baasje zoekt. Misschien moet ik kotsen. Ik knijp in mijn borsten, kijk naar beneden, de linker lekt.
Maria?
hoor ik ongeduldig aan de andere kant van de lijn.
Ben je daar nog?
Dit kun jij hartstikke goed.
Je bent zo goed met slachtoffers. Of het nou een slachtoffer in een zedenzaak is of in zoiets als dit; maakt het uit? Eén pot nat, zeg ik je. Jij kunt dit gewoon. En aan wie moet ik de casus anders geven? Aan Frederik? Zie je het voor je?
Zie het als een káns, Maria. Dit is onontgonnen terrein.
Er zijn amper zaken op het gebied van bevallingen.
Copyright © 2024 Daan Borrel