Nu op de shortlist van de Libris Geschiedenisprijs 2024: Benjamin Duerr, De droom van Den Haag. De Haagse Vredesconferenties en het ontstaan van een nieuwe wereldorde. Lees nu een fragment en koop dat boek!
Moderne wapens, internationale conflicten en toenemend wantrouwen vormden aan het einde van de negentiende eeuw een gevaarlijk huwelijk. Om die dreigende geweldsspiraal te beteugelen kwam in 1899 en 1907 een bont gezelschap van diplomaten, juristen en activisten bijeen in Den Haag. Op twee internationale vredesconferenties werkten zij aan verdragen en organisaties die tot een vreedzamere wereld moesten leiden. In grootsheid en ambitie waren de conferenties ongeëvenaard – voor even was Den Haag het centrum van de wereld.
Aan de hand van sleutelfiguren als de beroemde vredesactivist Bertha von Suttner en de trotse Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken Willem Hendrik de Beaufort, vertelt Benjamin Duerr het verhaal van de twee geruchtmakende conferenties. Hij laat zien hoe zij streden voor ontwapening, regels in tijden van oorlog en de oprichting van internationale rechtbanken, maar ook hoe hun idealisme botste met de realpolitik van grootmachten. Na twee wereldoorlogen bestempelden velen de Haagse conferenties als mislukt, maar in De droom van Den Haag laat Duerr met overtuiging zien dat hier het fundament werd gelegd voor de wereldorde van vandaag.
Proloog
De strijd van haar leven was voorbij. Buiten stond de zon op het punt haar hoogste stand te bereiken, maar op Bertha von Suttner daalde de duisternis neer. Haar zware lichaam lag op het bed, was hulpeloos als een vis op de wal. Haar geest begon af te dwalen. De warmte van de zomer drong de kamer aan de Zedlitzgasse 7 in Wenen binnen en rond het bed verzamelden zich op deze zondag 21 juni 1914 kort na elf uur Suttners huishoudster Kathi en haar enige familielid, Luise von Suttner.
Bertha von Suttner, 71 jaar oud, leed aan een maagtumor die vanwege haar leeftijd en haar zwaarlijvigheid niet verwijderd kon worden. Sinds enkele weken sleet ze de dagen in haar bed, waar ze zich nog liet vertellen over de gebeurtenissen in de wereld. Nu doken voor haar geest de gevechten in Durrës, of Durazzo, op, de kustplaats op de Balkan waar een nieuwe oorlog dreigde. De kranten hadden er in de afgelopen dagen over geschreven.
‘Ik ga naar Durazzo,’ wilde Suttner roepen. ‘De wapens neer, zeg het allen.’ Haar stem was zwak en behalve haar arts, Kathi en Luise was er niemand meer die haar nog hoorde.
Daarna gleed Suttner weg. Ze viel in slaap, merkte haar arts op, zoals een vermoeid mens ’s avonds in slaap valt.
‘De wapens neer’, haar laatste verstaanbare woorden, was de leus waarmee Suttner wereldberoemd was geworden. Haar roman met dezelfde titel was in 1889 verschenen en een van de invloedrijkste boeken van de negentiende eeuw geworden. De wapens neer vertelde het verhaal van een Oostenrijkse aristocrate die vier oorlogen had overleefd, en toonde aan een groot publiek de pijn die oorlogen voor mensen veroorzaakten en de verwoesting die zij voor samenlevingen brachten.
Het boek bezielde de vredesbeweging. De Russische schrijver Leo Tolstoj hoopte dat Suttners roman hetzelfde effect op het uitbannen van oorlogen zou hebben als De hut van Oom Tom van de Amerikaanse schrijfster Harriet Beecher Stowe een paar jaar daarvoor op de afschaffing van de slavernij had gehad.
Bertha von Suttner was het boegbeeld van de vredesbeweging toen die aan het einde van de negentiende eeuw haar hoogtepunt bereikte. Met campagnes en congressen, verenigingen en eigen tijdschriften zetten mensen zich in voor vrede tussen landen. Oorlogen waren het grote kwaad waarvan de wereld bevrijd moest worden.
Op geen moment was dit doel dichterbij dan toen tientallen regeringen in 1899 in Den Haag bijeenkwamen om afspraken te maken over het voeren van oorlogen en de vreedzame beslechting van geschillen. ‘Vredesconferenties’, waar de overwinnaars over de overwonnenen oordeelden, werden tot dan toe alleen na een oorlog gehouden. De bijeenkomst in Den Haag daarentegen was de eerste conferentie die zonder directe gewelddadige aanleiding de internationale betrekkingen opnieuw trachtte in te richten.
Suttner was het hart geweest dat het lichaam deed leven. Vanuit haar salon met comfortabele fauteuils en banken in het Haagse Centraal Hotel stroomden de ideeën en de energie de wereld in. Tot laat in de avond kwamen en gingen de bezoekers en ontmoetten diplomaten en activisten elkaar.
Rond 1900 was Suttner de verpersoonlijking van de vredesbeweging, van mensen die geloofden in een betere wereld. In 1905 ontving zij voor haar inzet als eerste vrouw de Nobelprijs voor de Vrede. En toen zij 1907 voor de een tweede vredesconferentie opnieuw naar Den Haag kwam, werd haar komst in kranten aangekondigd alsof het een buitenlandse hoogwaardigheidsbekleder betrof.
Haar overlijden in juni 1914 raakte velen diep. Suttners beste vriend en trouwe medestander Alfred Hermann Fried was vanuit Parijs in één stuk doorgereden en arriveerde net op tijd in Wenen om de laatste minuten van Suttners leven mee te maken. Balduin Groller, haar plaatsvervanger als voorzitter van de Oostenrijkse Vredesbeweging, rende met een bos bloemen de trappen naar haar kamer omhoog, maar kwam te laat. De lichte zomerdag, schreef hij, veranderde in een sombere dag van rouw.
Met het overlijden van Suttner stierf niet alleen een bekende vredesactiviste en een hoofdpersoon van de Haagse conferenties, maar ook het geloof dat een betere wereld nog mogelijk was. Duurzame vrede, waarop velen in Den Haag in 1899 en 1907 hadden gehoopt, was door toenemende spanningen tussen landen steeds verder uit zicht geraakt. Nu stierf de misschien wel invloedrijkste vrouw die dit doel nog dichterbij had kunnen brengen. Dat haar ideeën over ontwapening en vreedzame betrekkingen tussen landen voort zouden leven en meer dan een eeuw later de wereldorde zouden bepalen, kon in juni 1914 niemand voorzien.
De strijd voor vrede leek helemaal voorbij toen precies één week na Suttners dood, op 28 juni 1914, in Sarajevo de troonopvolger van Oostenrijk-Hongarije, Frans Ferdinand, werd vermoord. De schoten op de kroonprins waren de bliksem die de Eerste Wereldoorlog veroorzaakte en het continent in brand stak.
* * *
De hitte van de oorlog dreef de mensen door de straten, naar de markten, de winkels en de Rijkspostspaarbank achter de Dom, naar de kazernes en de laatste treinen. Ze sjouwden met pakketten, keken de stroom militairen na en namen afscheid van de mannen die vertrokken. Op het Utrechtse stationsplein was er bijna geen doorkomen aan. De trein naar Den Haag die om kwart over drie ’s middags had moeten vertrekken, zette zich pas drie kwartier later in beweging, overladen met soldaten en hun uitrusting.
Tussen hen zat Willem Hendrik de Beaufort als een rots waar de drukte omheen vloeide. Hij ging niet op in de massa en was beheerst tot in zijn haarvaten. Beaufort deed met zijn uitstraling en zijn uiterlijk denken aan de aristocraten en geleerden uit de vorige eeuw. Kenmerkend voor hem waren zijn elegante pakken en de mat-bleke huid, de dichte zwartgrijze baard die tot zijn borst reikte en zijn smalle gezicht met de licht gebogen neus en de schitterende, koolzwarte ogen. Hij was hoffelijk en sociaal en begon graag gesprekken met medereizigers in de coupé, maar had een hekel aan elke vorm van onzorgvuldigheid. Taalfouten, gebrek aan omgangsvormen en een onverzorgd uiterlijk waren hem een gruwel en in de Tweede Kamer kon men zich niet herinneren dat hij ooit een bepaling van het Regelement van Orde had overtreden.
In de middagtrein van 5 augustus 1914 moet hij een van de enige passagiers in burger zijn geweest. Als lid van de Tweede Kamer mocht hij ook na het uitbreken van de oorlog nog gebruikmaken van de treinen die nu geen reguliere reizigers meer vervoerden, maar militairen. Van zijn landgoed Den Treek bij Leusden was Beaufort op weg naar een vergadering van het parlement in Den Haag, waarvan hij bijna tien jaar, sinds zijn aftreden als minister van Buitenlandse Zaken in het kabinet-Pierson, als lid van de oud- of vrije liberalen deel uitmaakte.
Toen Beaufort om zes uur in Den Haag uitstapte, waren de straten gevuld met soldaten. Mannen in militaire uniformen sjouwden strozakken met hun uitrusting naar de stations, doelgericht maar tegelijk zonder te weten waar ze naartoe gingen. Beaufort keek bedrukt. ‘Het is een ernstig ogenblik’, schreef hij over dat moment in zijn dagboek.
Het was die avond donkerder op straat dan gewoonlijk, want om kolen te besparen brandde de straatverlichting in Den Haag op halve sterkte. Treinen uit Duitsland bereikten de stad al niet meer en een paar dagen later kon Beaufort ook op het strand in Scheveningen geen stemmen van buitenlandse bezoekers meer waarnemen. Het wereldse was weg.
Den Haag verdween, net als heel Europa, onder de deken van nationalisme en militarisme. Den Haag, het oord dat wereldwijd een reputatie als stad van vrede en recht had verworven, bereidde zich voor op een oorlog.
Na de moord op Frans Ferdinand had Oostenrijk-Hongarije Servië een ultimatum gesteld voor een onderzoek naar de toedracht, en na het verstrijken daarvan eind juli de oorlog verklaard. Het Duitse Rijk steunde Oostenrijk, Rusland – op aandringen van Frankrijk – Servië. Daarna sloten zich steeds meer landen aan bij een van de twee blokken. De machtige Europese legers zetten zich begin augustus 1914 in beweging. Binnen enkele dagen was het continent een slagveld.
Beaufort wist dat hij een keerpunt meemaakte. Bijna dagelijks schreef hij nu in zijn dagboek. ‘Wij zijn in een tijdsgewricht gekomen waarin de macht alleen de gebeurtenissen beheerscht, niet het rechtsgevoel of het verstand’, noteerde hij ruim een week na het begin van de oorlog.
Een pijnlijke constatering voor een man die juist in de ratio en het recht geloofde. Beaufort was als Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken in 1899 erepresident en in 1907 vicepresident geweest van de twee grote internationale vredesconferenties in Den Haag – bijeenkomsten die emoties en oorlogszucht aan het recht hadden moeten vastketenen.
* * *
De relatief lange periode van vrede in de negentiende eeuw had de wereld ongekende wetenschappelijke, technologische en economische vooruitgang gebracht. In slechts een paar decennia hadden de radio, de roltrap en de röntgendiagnose hun intrede in het leven van de mensen gedaan, de gloeilamp, het machinegeweer en de auto, de evolutietheorie, treinverbindingen, elektromotoren, aspirine, warenhuizen en restaurants, cornflakes en ketchup, en suiker en thee voor iedereen.
Op de technologische vooruitgang en de toenemende welvaart in het Westen, zo dacht men aan het einde van de eeuw, zou morele en maatschappelijke verheffing volgen. De geschiedenis leert ons, schreef de Ierse historicus William Edward Hartpole Lecky in 1869, dat de ontwikkeling van een samenleving de mensheid warmer en barmhartiger maakt.
De slavernij werd in de negentiende eeuw na duizenden jaren praktisch afgeschaft – ondenkbaar totdat het zover was – en velen waren ervan overtuigd dat oorlog het volgende kwaad zou zijn dat de mensheid kon overwinnen. De Haagse conferenties waren een cruciaal moment waarop velen deze vreedzamere wereld mogelijk achtten. Nu kon het lukken. Nu moest het lukken. In een tijd waarin mensen geloofden dat een betere wereld op handen was, werd Den Haag het symbool van een nieuw tijdperk.
Op de Haagse Vredesconferenties van 1899 en 1907 onderhandelde een groot aantal landen over een stop op bewapening, regels voor oorlogsvoering en de oprichting van een internationaal gerechtshof. Het waren de grootste conferenties van hun tijd, bijeenkomsten die, vooral in 1907, voor het eerst nagenoeg alle landen ter wereld bijeenbrachten.
De conferenties moesten een gelukkige voorbode zijn van de aanbrekende eeuw, zo stond het in de aankondiging. Het begin van een nieuw tijdperk, van de suprematie van het recht over de dictatuur van de macht en van een wereldorde waarin landen woorden gebruikten in plaats van wapens.
En toch braken er meteen na de conferenties weer oorlogen uit, waardoor zij al snel bespot werden en als zinloos werden beschouwd. De Duitse historicus, schrijver en Nobelprijswinnaar Theodor Mommsen noemde de conferenties een ‘drukfout in de geschiedenis’. De pers bestempelde ze onmiddellijk als een mislukking. Wie van de slotvergadering hoorde, schreef de Duitse krant Berliner Tageblatt na het einde van de tweede conferentie in oktober 1907, moet zich gezien de povere uitkomsten zo somber voelen als bij het lezen van een rouwadvertentie. En het Britse dagblad The Times schreef onder de titel ‘The Hague Fiasco’ dat de conferenties dood en begraven waren.
Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914 en de grootschalige schendingen van de regels die slechts een paar jaar daarvoor in Den Haag waren opgesteld, waren voor velen de bevestiging dat de conferenties mislukt waren. Ze werden zelfs als een van de oorzaken van de oorlog beschouwd, omdat ze de wapenwedloop niet hadden kunnen stoppen en de grote mogendheden niet tot eensgezindheid hadden kunnen bewegen.
Meer dan een eeuw later wordt echter hun weerslag op de wereld zichtbaar. De concepten voor de vreedzame beslechting van conflicten, de internationale rechtbanken, zoals het huidige Internationaal Gerechtshof, en de principes van het oorlogsrecht die op de Haagse conferenties vorm kregen, zijn kernelementen van de internationale rechtspraak geworden. Uit de vergaderingen over vrede en veiligheid die in Den Haag begonnen, is het moderne multilateralisme ontstaan. De ervaringen die in 1899 en 1907 zijn opgedaan, bijvoorbeeld met de procedures voor debatten en stemmingen, met onderhandelingen over ontwapening en met het formuleren van verdragen, bleken onmisbaar voor het functioneren van moderne internationale organisaties zoals de Verenigde Naties.
Het verhaal van de Haagse Vredesconferenties is een sleutelhoofdstuk in de geschiedenis van de moderne diplomatie, van het internationaal recht en de wereldorde van de twintigste en de eenentwintigste eeuw. Het is het verhaal van de dromers en de hoopvollen die elkaar in een onbekend Nederlands stadje ontmoetten – en daarmee een pad hebben ingeslagen naar een wereld met meer vrede, veiligheid en rechtvaardigheid.
© 2024 Benjamin Duerr