Leesfragment: De goddelijke comedyclub

17 december 2024, door Christiaan Weijts

Een van de beste boeken van 2024 volgens HP|De Tijd: Christiaan Weijts’ De goddelijke comedyclub! Tijd voor een fragment. Lees de eerste pagina’s en koop dat boek!

Als in de polder tegenover het huis van de tienjarige Felix Kajuit een nieuwe woonwijk verrijst, wordt ‘de bouw’ het decor van blaaspijpgevechten en schatgraverij, maar ook van raadselachtige ongelukken die de kinderen in de ban houden. De komst van een circus zet de verhoudingen op scherp, ook in Felix’ gezin. Een half leven later diept Felix die periode weer op. Hij is inmiddels succesvol als ‘stand-up-archeoloog’ en radiocolumnist. Maar dan volgt de lockdown. Wanneer een vroegere collega-cabaretier hem strikt voor een clandestiene comedyclub begint hij, omringd door artistieke paria’s en complotdenkers, op te helderen wat hem gevormd heeft, als fantasievol jongetje in een aparte familie.



 

I
De overkant

1

Soms voelde ik mij de helft van een cabaretduo, en niet per se de meest grappige. Niet dat ik dit letterlijk dacht, of dagelijks, het was eerder een angst op de achtergrond. Dat een wildvreemde op me afstapte, en me bekeek met een wraakzuchtige grimas: nú weet ik wat het is met jou...! Of dat de kranten het schreven: ‘Felix Kajuit komt over als de helft van een cabaretduo, en helaas niet de meest grappige.’
Ik overdrijf. Maar overdrijven is ook een vak. Het mijne bijvoorbeeld. Of misschien moet ik zeggen: dat was het. Want eerlijk gezegd heb ik, na alles wat er is gebeurd, inmiddels genoeg van al dat uitvergroten, omkeren, persifleren en wat er nog meer voor clownsneuzen bestaan voor het gezicht van de waarheid.
Ik ben klaar met alle komedie. In plaats van jullie te overladen met slimme verhalen, gedrenkt in ironie, ga ik vertellen waarom ik er klaar mee ben.

Dat begint waar het begon.
We waren in Zeeuws-Vlaanderen, in Terneuzen, in de foyer van het Scheldetheater. De tafeltjes glommen in het lage voorjaarslicht dat door de glazen gevel scheerde. Hier zou ik mijn voorstelling Wachten op de Bataven spelen, die door de landelijke pers met zeldzame eensgezindheid was uitgeroepen tot een absolute miskleun. Na een te korte try-out-fase had ik drie officiële voorstellingen achter de rug. De eerste ging matig, de tweede iets beter, de derde was een regelrechte afgang.
Bij de eerste avond zat de regionale pers in de zaal. Bij de twee de – die we tot première hadden gedoopt, een thuiswedstrijd, in theater Diligentia in Den Haag – zaten vooral vrienden, familieleden en andere genodigden, zoals vertegenwoordigers van twee erfgoedstichtingen die met hun logootjes op de posters en in de programmaboekjes stonden. Bij de derde, in Amstelveen, zaten de landelijke dagbladen met opengeslagen kladblokken op schoot. Op donderdag verschenen hun vernietigende stukjes.
‘Wat denk je? Wordt Amstelveen ons Waterloo?’ Dat had Martin nog gevraagd, mijn technicus, op weg erheen. Maar dat vroeg hij bij elk plaatsje waar we naartoe reden in zijn eigele Volkswagen Transporter, als we een deel van het decor achterin hadden gepropt en de rest met sjorbanden aan het imperiaal hadden gegespt, waarna hij achter zijn stuur neerplofte en de dieselmotor startte. Wat denk je, wordt Bladel ons Waterloo? Wordt Naaldwijk ons Waterloo? Dat hij het die middag niet vroeg, betekende maar één ding: Amstelveen was ons Waterloo geweest. Terneuzen kon hooguit nog uitgroeien tot ons Sint-Helena.
Voor een ballingsoord was het ver genoeg.
Met Martin en wat plaatselijke technici hadden we het decor opgebouwd – de tent, de hoopjes aarde, de metaaldetector, het Romeinse schild, de toga – zoals je je aankleedt voor een feest waar je te uitgeput voor bent, stinkend, brak – de geur van schoenpoets maakt je misselijk, van tandpasta moet je kotsen – en als je je ogen sluit voel je een coma aan je trekken, maar je moet dóór, verdomme, je moet hopen dat je je herpakt, dat je dadelijk, in die kakelende menigte, zo’n onwaarschijnlijke stoot energie krijgt – misschien na het wegwerken van twee, drie biertjes, met tegenzin, alsof je een medicijn inneemt – je moet hopen dat je het uitzingt tot het voorbij is en je eindelijk neer mag vallen.
Het nieuws kwam tot ons in de foyer. Die was nog niet open voor publiek. Met de hele ploeg zaten we er wat te drinken. Het kwam niet onverwacht, wel abrupt. De persconferentie verscheen op alle schermen tegelijk. Even hiervoor toonden die nog de programmering van het lopende seizoen. Om de veertig seconden zag ik mezelf erin oplichten als pr-beeld. Opgetuigd als Romeinse soldaat, met een helm boven mijn hoofd getild, vlak voor het moment dat ik die liet zakken. Wachten op de Bataven is een Asterix en Obelix-achtig verhaal, maar dan rond de limes, de grens van het Romeinse Rijk in de Lage Landen.
Aan de bar zette de stage manager een nasaal stemmetje op toen de persconferentie begon: ‘Landgenoten... tot u spreekt...’
‘Bek dicht,’ snauwde Martin, die zich anders nooit voor politiek interesseerde. Stil bleef het maar even. De minister van Volksgezondheid had nog geen zes zinnen gesproken of daar barstte de verontwaardiging al los onder de aanwezigen. Echt? Ging álles dicht? Restaurants, theaters, bioscopen, cafés? Jawel, al binnen een uurtje moest het allemaal ontruimd zijn.
‘Dit is toch níét te geloven,’ begon Lot. Lot is mijn impresario. Ze kwam lang niet altijd naar mijn optredens, maar omdat dit het eerste zou zijn na de grote afgang, voelde zij zich daartoe geroepen of verplicht. Behalve een impresario en een technicus had ik een vrouw en twee kinderen die nog op de basisschool zaten. Die zouden vanaf de dag erop thuis moeten blijven, kondigde de minister nu aan. Ik moest ze gaan assisteren met hun onlineonderwijs, voor zover de lesstof me niet boven de pet ging. Anna, mijn vrouw, zou op haar beurt lesgeven aan haar studenten in mijn werkkamer, waarin ik maandenlang de tekst van Wachten op de Bataven had bijgeslepen tot een fonkelend stuk graniet, een onontkoombare mijlpaal in de theatergeschiedenis.
‘Nee, o néé... verdomme...’ Lot was te aangeslagen om haar vloek de gebruikelijke kracht bij te zetten. Eventjes blikte ze opzij naar mij, om de schade op te nemen. En ik, de komediant, ik fixeerde mij op het tv-scherm. Zo kon het lijken alsof ik net zo verbouwereerd, net zo perplex, net zo verslagen was als zij, terwijl ik niets anders voelde dan opluchting.
Lots telefoon begon te zoemen en danste over het glimmende tafelblad. Ze veegde de beller weg. Eerder deze week waren er alleen in Brabant maatregelen afgekondigd. Evenementen met meer dan duizend bezoekers waren geschrapt. ‘Da’s nou balen,’ had zij gezegd. ‘Dan bén ik bang dat we de Brabanthallen voor jou van de lijst moeten halen.’ Waarop ik gewoontegetrouw reageerde: ‘Humor om te lachen. Anders ga jij daar zelf eens staan. Jij trekt volle zalen.’
Twee dagen later slonk het toegestane bezoekersaantal naar honderd. Voor sommige van mijn collega’s was dat al een genadeslag, zo’n absurde inperking dat ze maar beter helemaal niet meer de planken op konden. Voor mij betekenden honderd verkochte stoelen een prima avond. Hier in Terneuzen hadden ze maar liefst tweehonderddrieënzestig zielen bereid gevonden om twee tientjes neer te leggen voor mijn voorstelling. Dat getal maakte me behoorlijk nerveus. ‘Die komen niet speciaal voor jou,’ stelde Lot me gerust. ‘Er is hier een groep die heel trouw elke voorstelling bezoekt, maakt niet uit van wie of wat. Een sociaal uitje. Zoveel hebben die mensen hier ook niet.’
Tweehonderddrieënzestig. Twaalf van hen hadden op het laatste moment hun kaarten ingeruild voor een tegoedbon voor betere tijden, onder dreiging van het virus, dat weliswaar vooral nog ‘aan d’n overkaant’ toesloeg; maar dat het niet terugdeinsde voor de toltunnel snapten die Zeeuws-Vlamingen ook wel, nou ja, in elk geval twaalf van hen.

Nog geen twintig minuten later stonden we buiten, onder de blauwe voorjaarshemel. Ook hier vlogen nog flarden persconferentie langs. Ook passerende auto’s, die normaal hun stampende beats uitstootten, hadden op de rampenzender afgestemd, zonder het volume aan te passen. Alleen Martin mocht binnenblijven om het decor af te breken.
Ik liet Lot op de parkeerplaats achter met die telefoon die om de paar minuten dat opdringerige gezoem was blijven produceren dat zij consequent had weggeveegd. Nu werd haar Saab een eenpersoonsalarmcentrale. Er zaten meer komedianten in haar stal dan die ene knol voor wie ze naar Zeeland was afgezakt – artiesten in paniek, zaalverhuurders in paniek, publiciteitsmedewerkers, decorbouwers, regisseurs.
Ik wandelde de dijk op. Daar ving ik wat van dat onnodig harde stemgeluid op uit haar handsfree-set. Waarom draaide iedereen die takkedingen toch altijd op maximaal volume? Alsof ze rondreden in omroepkarretjes: attentie, attentie, hier komt iemand langs van formaat. Lot draaide de bocht in. Daarna waren er alleen nog de boodschappen die meeuwen elkaar toekrijsten boven de Schelde, die er bijna rimpelloos bij lag, metalig blauw, zo kalm en onaangedaan dat hij de wereld leek uit te lachen.
Na een tijdje ontwaarde ik een groepje verloren cafégangers voor een brasserie, naar buiten gejaagd als na een brandalarm. Ze monsterden me toen ik binnen hun blikveld kwam. Dat was iets nieuws deze dagen. Je keek elkaar wat langer aan op straat. Niet overdreven veel, het verschil met vóór de uitbraak was nog geen seconde, maar het gebeurde, onbewust; misschien wilden we inschatten of de ander het virus bij zich droeg, misschien zochten we steun, want vaak had zo’n blik iets vragends: snap jíj het nog?
Omdat het zo zelden gebeurde, herkende ik het als iemand mij herkende. Ook dan was er die blik die bleef kleven, maar ook de impuls om een hand op te steken voor een groet. Hier schoten er wel drie tegelijk de lucht in. ‘Felix!’ Alsof ze mij stonden op te wachten voor een rondvaarttochtje. Twee echtparen, eind zestig, plus een vrouw alleen, duidelijk een zus van een van de anderen. Een van de mannen spreidde zijn armen alsof hij me ging zoenen. ‘Hij ís het echt hoor... Felix Kajuit!’

[…]

 

Copyright © 2024 Christiaan Weijts

Wil je van je bestaande account gebruikmaken op onze nieuwe website? Je behoudt dan onder meer je bestelgeschiedenis, reeds aangeschafte e-books en je persoonlijke verlanglijst. Als je toestemming geeft krijg je direct een mail om een nieuw wachtwoord in te stellen.

Voer een geldig e-mailadres in

Hostname: pro-mbooks3