Leesfragment: De Heksenkind-trilogie

27 juni 2024, door Monica Furlong

2 juli verschijnt De Heksenkind-trilogie: Monica Furlongs boeken Heksenkind (Wise Child), Juniper (A Year and a Day) en Colman (Colman) verschijnen eindelijk gebundeld, in de vertaling van Anneke Koning-Corveleijn. Lees nu een fragment en koop dat boek!

Cornwall, zevende eeuw. Ter afronding van haar opleiding wordt Juniper, een koningsdochter, voor een jaar en een dag naar de strenge Euny gestuurd. Euny is een doran, een wijze vrouw die over magische krachten beschikt. Het is een zwaar leven in Euny’s oude hut, maar in de loop der tijd leert Juniper steeds meer over de natuur en magie. Als ze later terugkeert naar het paleis, worden haar krachten op de proef gesteld: een echte heks wil het rijk van haar vader te gronde richten.

Jaren later sterft in een Schots dorpje de grootmoeder van het meisje Leana. Nu is er niemand meer om voor haar te zorgen… Tot Juniper aanbiedt haar in huis te nemen. Juniper woont in haar eentje buiten het dorp en wordt gehaald als er zieken zijn, want ze weet veel van kruiden en geneesmiddelen. Fluisterend noemen de dorpelingen haar ‘de heks’.

Leana is verschrikkelijk bang en wantrouwig. Zou Juniper echt een heks zijn?

Colman vormt het spannende slot van deze trilogie over moed, magie en trouw – aan jezelf en aan je vrienden.

Miriam Bos (Help! Een verrassing!) maakte het schitterende nieuwe omslag. Dé bundel die iedereen deze zomer wil lezen.



 

Heksenkind

Leana en Juniper leefden in de zevende eeuw, in het koninkrijk Dalriada, dat nu deel uitmaakt van Schotland, op het eiland dat we Mull noemen. Ze spraken Gaelisch, een Keltische taal, wat betekent dat Engels een vreemde taal voor hen was; Juniper, die uit Cornwall kwam, sprak ook nog het Gaelisch zoals het in Cornwall werd gesproken. Dalriada was pas tweehonderd jaar voor het verhaal begint bekeerd tot het christendom. Maar er waren nog steeds mensen die een ander geloof hadden. En sommigen van hen, zoals Juniper, waren heksen...

 

1 - Juniper

Juniper was anders dan wij. Ze kwam dan ook uit een ander land, uit Cornwall, en hoewel ze onze taal perfect beheerste – behalve dan de p’s, want die konden alleen wij goed uitspreken – zag ze er anders uit dan wij. Ze was langer, donkerder van huid, en hoewel ze zwart haar had, net als Finbar en ik, had ze niet dezelfde helderblauwe ogen als wij. Haar ogen waren zachter en donkerder van kleur en gaven haar iets peinzends, iets stils.
Ze leidde ook een heel ander soort leven dan onze vrouwen. Ze was wat wij in onze taal een cailleach noemden. Een cailleach was een alleenstaande vrouw, maar niet alleen dat, het was ook een vrouw die iets geheimzinnigs had. De meeste vrouwen in ons dorp waren getrouwd. Ze waren de vrouwen van boerenknechten, van zeelui of van vissers, en ze hadden een heleboel kinderen door het huis krioelen. De enkele vrouwen die niet getrouwd waren, woonden thuis en zorgden voor hun ouders. Er was geen vrouw die op zichzelf woonde, zoals Juniper.
Juniper woonde buiten het dorp in een wit, stenen huis. Het lag heel hoog, boven op een soort steile rots, waardoor het net leek of de grond een paar meter voor haar tuin plotseling was opengespleten. Achter haar huis lag een grote weide die in het voorjaar en in de zomer bezaaid was met bloemen. Achter die weide, zou ik op een dag ontdekken, lag een heideveld, geurend naar munt, slaaplelies en gagel, en daarachter lagen de blauwe bergen. Daarboven op die rots leken de sterren ’s nachts heel dichtbij en overdag leek het wel alsof je op het dak van de wereld stond.
Aan de voorkant van haar huis kronkelde een pad naar beneden, naar het dorp toe. Er waren ook schapenpaadjes en er waren spelonken in de rode rotswand. De voorkant van haar huis keek uit op het dorp en de achterkant op haar kruidentuin en de hei.
Wat Juniper het meest anders maakte dan wij was dat ze de toverkunst beoefende. Als we haar een cailleach noemden bedoelden we eigenlijk dat ze een heks was, een tovenares, waarschijnlijk in dienst van de duivel. Ons bewijs daarvoor was dat ze op zondag niet naar de kerk kwam, waar de priester tijdens de mis het brood en de wijn omhoog hield. Ze kwam naar het dorp als de mensen wanhopig waren en het hun niet meer kon schelen wat priester Fillan ervan vond. Als een man het niet meer kon aanzien hoe zijn vrouw al uren tevergeefs met een bevalling bezig was; als iemand na een ongeluk bijna dood was; als een kind ijlde van de koorts; als een vrouw een boze geest in zich had, dan haalden ze Juniper erbij en wat ze ook bij de mensen deed (en niemand vertelde ooit hetzelfde), dikwijls werd de patiënt beter.
Eigenlijk maakte dat ons niet dankbaar; het versterkte juist ons gevoel dat ze een heks was.
Als heel klein kind was ik doodsbang voor haar. De moeders in ons dorp zeiden vaak dreigend tegen hun kinderen: ‘Als je stout bent, geef ik je aan Juniper.’ Ik vraag me af of mijn moeder Maeve dat ook heeft gedaan. Natuurlijk was Juniper niet de echte naam van de heks. Zoals zovelen in ons dorp werd ze bij haar bijnaam genoemd – in haar geval naar de plant Juniperius communis, de jeneverbes, omdat die plant haar favoriete geneesmiddel was. We konden er heel gemakkelijk aan komen, want het groeide op de berg. In een dorp waar heel veel mensen arm waren was het een goedkoop medicijn tegen allerlei kwalen.

Mijn allereerste herinnering aan Juniper is van toen ik een jaar of drie was. Ik stond in onze dorpsstraat, terwijl mijn grootmoeder met een groepje buren praatte. Er viel ineens een stilte toen Juniper langskwam. Ze zei iets vriendelijks tegen de vrouwen en glimlachte naar mij. Ik lachte niet terug maar begroef mijn gezicht in mijn grootmoeders rok – ik kan nu nog die muffe oude-vrouwengeur ruiken – en haalde pas weer adem toen haar lange gestalte voorbij was. Mijn grootmoeder legde haar hand op mijn hoofd om me gerust te stellen, maar met echte kinderlogica bedacht ik dat ze dat niet gedaan zou hebben als Juniper niet gevaarlijk was geweest.

De eerste keer dat Juniper en ik een soort gesprek hadden was toen ik ongeveer vijf was. Ik speelde vaak bij mijn neefjes en nichtjes omdat mijn moeder Maeve, van wie sommige mensen beweerden dat ze zelf ook een heks was, toen al weggelopen was. Mijn grootmoeder werd te oud om de hele tijd voor mij te kunnen zorgen. (Mijn vader Finbar zat gewoonlijk op zee. Hij voer op die woeste driehoek tussen ons land, Dalriada, Wales en Ierland. Soms ook voer hij naar Cornwall of Bretagne en bracht dan tin mee, of zilver, of prachtig bewerkte wapenrustingen.)
Ik was op een na de jongste van alle neefjes en nichtjes, enig kind, en werd altijd razend als ik mijn zin niet kreeg. Als ik daaraan terugdenk ben ik heel verbaasd dat ze zoveel geduld met me hadden, vooral omdat ik, zeker in het begin, meer te eten kreeg en mooiere kleren had dan zij. Net als Juniper en vele anderen werd ik niet bij mijn eigen naam genoemd, maar had ik een soort bijnaam, Leanaibh Glic, afgekort tot Leana, die je zou kunnen vertalen als ‘Wijs Kind’. Het was geen compliment; het was een naam die gebruikt werd voor kinderen die net als ik vaak moeilijke woorden gebruikten, die alles wilden weten, of die op de een of andere manier vroegwijs leken. Ik vond het niet erg dat mijn neefjes en nichtjes me zo noemden, omdat ik ze heel erg bewonderde en zij in mijn ogen bijna geen kwaad konden doen. Het was heerlijk om bij ze te zijn en door hen vertroeteld te worden.

Op een mooie, gouden, windloze herfstdag waren we naar de kust gegaan om te spelen: Conor en Domnall, Seumas en Fingal, Bride, Morag, Mairi, Colman en ik. Daarna zwierven we rond met onze grote manden tot we de velden vonden waar heel veel bramen groeiden aan huizenhoge struiken. Die braamstruiken zaten vol sappige vruchten, net rode en zwarte vingerhoedjes. Ik plukte niet zo snel, omdat ik telkens ophield om ervan te snoepen, maar op het laatst had ik een klein mandje vol.
Op weg naar huis werd ik moe. Het begon al donker te worden, het was koud en mistig, en de schrammen op mijn armen en benen, waarvan ik eerst geen last had gehad, begonnen nu pijn te doen. Mijn mand werd zwaar en ik wilde gedragen worden. Conor droeg me toen een hele tijd op zijn rug en Colman, mijn grote vriend, droeg mijn mand, hoewel hij niet veel groter was dan ik. Maar op het laatst werden zij ook moe en Conor zette me weer op het pad neer. Colman gaf me mijn mandje terug.
‘Lopen!’ zei Conor.
Ik vond het heerlijk op Conors brede rug gedragen te worden en wilde niet lopen. Ik liep te mokken en bleef een beetje achteraan hangen, terwijl de anderen op mij wachtten. Uiteindelijk ging ik op de grond zitten. Ik dacht dat Conor me dan wel weer zou dragen.
‘Nou goed,’ zei Conor. ‘Dan gaan wij wel verder zonder jou.’
‘Dadelijk komen de tarans je halen,’ zei Mairi, die altijd een beetje hatelijk was. ‘Of het volk van de Sidhe.’ De tarans waren de geesten van baby’s die niet gedoopt waren en waarvan gezegd werd dat ze kinderen meenamen.
Het volk van de Sidhe waren de feeën, het Stralende Volk. Tot mijn grote verbazing liepen ze allemaal door en lieten me daar zitten – ze hadden schoon genoeg van mijn driftbuien. Alleen Colman keek onzeker over zijn schouder achterom. Ik zag hun witte en bruine kielen vervagen toen ze een veld overstaken en een ander veld opliepen. Toen waren ze weg. Het donker kwam om de bosjes heen geslopen en nestelde zich langzaam in de hoeken van de velden. De lucht was vaalblauw, het blauw van het oog van een oude boze man. Ik was verbijsterd dat ze me zomaar in de steek lieten.
Het kwam niet bij me op om op te staan en achter ze aan te gaan. Ik bleef zitten op het pad waar ze me hadden achtergelaten en een gevoel van grote eenzaamheid bekroop me. De tarans of het Stralende Volk zouden me zeker komen halen en ik zou niemand van wie ik hield ooit terugzien. De tranen sprongen in mijn ogen en rolden over mijn wangen. Ik legde mijn hoofd op mijn knieën en snikte het uit van vermoeidheid en wanhoop. En toen gebeurde het.
‘Leana!’ zei een stem. Er was genegenheid in die stem. Ik keek omhoog en daar zat Juniper op haar ezel en keek me aan. Met een sierlijke, jeugdige beweging stapte ze van haar ezel, en voor ik wist wat er gebeurde, had ze zich over me heen gebogen en met een zakdoek de tranen van mijn wangen geveegd. Ik stopte met huilen, vooral van verbazing denk ik, en ze tilde me op en zette me met een zwaai op het zadel.
‘Arm kindje!’ zei ze. Ik kon niet met mijn voeten bij de stijgbeugels, maar ze hield me stevig vast en zei met zachte stem iets tegen de ezel, die weer begon te lopen. Het was allemaal heel wonderlijk. Het was ook vreemd om te zien dat de draagmanden van de ezel vol zaten met bramen, met helemaal bovenop een paar grote paddenstoelen – het was nog nooit bij me opgekomen dat Juniper ook at, net als andere mensen.
Al spoedig kwamen we mijn neefjes en nichtjes weer tegen. Om me een lesje te leren stonden ze een paar velden verder op me te wachten. Ze schrokken toen ze de ezel en Juniper in de opkomende duisternis zagen aankomen. Ze schrokken waarschijnlijk nog meer toen ze mij op het zadel zagen zitten. Ik wist zelf niet of ik me nu zelfvoldaan voelde of verlegen.
‘Ze wilde niet lopen,’ verdedigde Conor zich.
‘Haar benen zijn nog maar kort,’ antwoordde Juniper, zonder verwijt.

[…]

 

© the Estate of Monica Furlong, 1987, 1990, 2004
Nederlandse vertaling © Anneke Koning-Corveleijn, 1988, 1991, 2004

Wil je van je bestaande account gebruikmaken op onze nieuwe website? Je behoudt dan onder meer je bestelgeschiedenis, reeds aangeschafte e-books en je persoonlijke verlanglijst. Als je toestemming geeft krijg je direct een mail om een nieuw wachtwoord in te stellen.

Voer een geldig e-mailadres in

Hostname: pro-mbooks2