16 mei verschijnt De wereld een lichaam. Essays, het debuut van vertaler Melani Reumers. Wij publiceren voor! Lees een fragment en reserveer je boek.
Melani Reumers biedt een unieke nieuwe stem in de vaderlandse essayistiek. Het lichaam dat in deze bundel essays centraal staat, wordt uit elkaar gehaald, geanalyseerd, verlengd, weer in elkaar gezet, en soms zelfs gewichtloos gemaakt. Dat levert fascinerende stukken op die de lezer bij vlagen ongemak bezorgen. De auteur wil in haar jeugd het liefst géén lichaam hebben en voelt zich meer een tussenmens. Later zal ze vaak uit haar lichaam verdwijnen en onbereikbaar worden. Gaandeweg krijgt ze vrede met haar lichaam.
Maar echt houvast vindt ze pas in het water waar ze dagelijks zwemt, in alle mogelijke omstandigheden. In de zwemstukken onderzoekt ze de grenzen van haar lichaam, en overschrijdt die af en toe. Ze ontdekt dat haar afzonderlijke lichaamsdelen, zoals botten, ogen en tanden, nauw verbonden zijn met identiteit. Dat geldt ook voor verlengstukken van het lichaam, zoals de pijp en het schaakspel van haar vader. En het gaat zelfs op voor iets wat zo ongrijpbaar en vluchtig is als iemands bewegingen, of haar eigen schaduw.
Lichaamsdelen
Beenderwerk
De rug van mijn moeder heeft een ritssluiting. Als klein kind keek ik gefascineerd naar haar wervelkolom, die lang voor mijn geboorte een herniaoperatie had ondergaan. In de jaren erna werd in mijn hoofd die ritssluiting steeds groter, tot ik ervan overtuigd raakte dat er een rits van haar onderrug tot haar nek liep, net zoals bij de jurken waarvoor ze de hulp van mijn oudste zus inriep. Pas na mijn eigen herniaoperatie, die een litteken van vijf centimeter in mijn onderrug achterliet, besefte ik dat de veertig centimeter lange rits over mijn moeders rug vrucht was van mijn verbeelding.
In de anatomische atlas blader ik naar de bladzijden met de wervelkolom, waar de tekeningen in zijaanzicht met hun krommingen doen denken aan prehistorische reptielen. Dat reptiel is de basis, de kern van de mens. Zeggen dat iemand geen ruggengraat heeft, is een zware belediging; iemand die ruggengraat toont, laat zien dat hij een sterk karakter heeft.
Dag 1. Bouw je eigen menselijk geraamte, staat er in vijf talen. Het bouwpakket bestaat uit tien grote kartonnen platen, een instructieboek met tekeningen en een plastic zakje met honderden splitpennetjes en een paar haken. De schepping begint met de wervelkolom. Eerst een voor een de lendenwervels en dan omhoog naar die van borst en hals. Een puzzel vanjewelste met de uit het karton gedrukte vormen: ik moet zorgen voor de juiste kromming, de achterkant uitstulpen, ruimte maken voor het wervelkanaal en bovenal voorkomen dat er te veel spanning op de wervel komt te staan. Ook bij karton ligt een hernia op de loer. Bij de onderste nekwervel beginnen de problemen. Ik snap de instructietekening niet en de wervel dreigt te scheuren. Ook bij mijzelf slaat de spanning toe.
Ik houd van botten. In mijn eigen lijf vind ik het fijn om ze te zien en te voelen: wervelkolom, borstbeen, ribben, sleutelbeenderen. In mijn beeldhouwtijd deden mijn meest geslaagde beelden denken aan botten, al ontstonden ze altijd intuïtief. Uit het steen hakte ik het vlees weg en bevrijdde ik het gebeente.
De anatomische atlas is een schatkist vol wonderlijke vormen en namen. Hamer, aambeeld, stijgbeugel: de drie gehoorbeentjes roepen het beeld op van een paard in een smederij, klaar om nieuwe hoefijzers te krijgen. Zeefbeen, wiggenbeen, ploegschaarbeen. Atlas, sesambeen, heiligbeen. Het geraamte als gedicht.
Waar komt die liefde voor botten vandaan? Is het omdat ze voor essentie staan? Niet voor niets spreken we van het geraamte of skelet van een roman, muziekstuk of gebouw. De kale essentie van botten komt duidelijk naar voren bij muziektheatergroep bot, in een liedje dat klinkt als een beginselverklaring. ‘Enkel botten. Je hoort dat het zwijgt, je krijgt wat je ziet. Meer is het niet.’ En even later: ‘Hak het vlees toch van de vis. Dat er enkel graten zijn. Dit is alles wat er is. Dit is alles wat we zijn.’
Bij een concert van Afro-Peruaanse muziek werd ik verliefd op de quijada, een percussie-instrument dat niets meer en niets minder is dan de onderkaak van een ezel, muilezel of paard. De percussionist houdt met zijn ene hand het smalle uiteinde van de kaak beet en slaat met de andere (hetzij met de vuist hetzij met een stokje) tegen het brede deel van het kaakbot, waarbij de meerammelende tanden het instrument zijn typische geluid geven. Ook kan hij de kiezen als rasp laten klinken door er met het stokje ritmisch overheen te gaan. Bij dat concert bedacht ik dat een quijada het perfecte cadeau was voor de percussionist van bot, met wie ik al een half leven bevriend was. Toen hij een jaar later door een val zijn kaak brak, wist ik het zeker: ik moest op zoek naar een onderkaak.
‘Ezels doen we niet, maar een paardenkaakje leg ik zo voor je in de vriezer,’ zei de eigenaar van paardenslachthuis Van de Veen door de telefoon. Al ruim dertig jaar was ik vegetariër, maar een week later keek ik mijn ogen uit in het slachthuis in Nijkerk. In de trein terug naar Utrecht lag op de stoel naast me een pakket dat zelfs door de twee blauwe vuilniszakken heen koud en hard aanvoelde. Thuis haalde ik de kaak tevoorschijn: er zaten veel meer vleesresten aan dan me telefonisch was voorgespiegeld. Tandvlees, vooral veel tandvlees, dat gedurende de reis was ontdooid. Er zat niets anders op: ik moest aan de slag. Urenlang kookte ik hem uit in de grootste pan die ik had (waar hooguit de helft van de kaak in paste), wat walmen opleverde waarvan ik bijna tegen de vlakte ging. Ik peuterde met mes en vork, schuurde met metaalspons, borstelde en poetste met grof en fijn geschut, van staalborstel tot tandenborstel, en liet hem weken in een teil met heet sodawater. Tandvlees is taai. Na anderhalve dag gaf ik het op, de natuur moest het karwei afmaken. Om hem ooit als quijada te kunnen laten klinken, begroef ik hem in de tuin.
Vlees is een last. Vlees leidt af van de kern, vlees verhult, verdoezelt. Ook bij mensen stoot een teveel aan vlees me vaak af. Net zoals ik houd van uitgebeende taal, houd ik van lichamen waar de botten doorheen schemeren.
Dag 2. Ik druk de schedel uit het karton. Zo uitgevouwen doet hij denken aan een grote vleermuis, en door de uitsparingen voor ogen en neus ook aan een masker. De wervelkolom valt uit elkaar; herstelwerkzaamheden zijn noodzakelijk. Ik bestudeer nogmaals de instructies en zie dat ik weliswaar een mooie kolom van al die wervels heb gemaakt, maar ben vergeten ze met de splitpennetjes aan elkaar te bevestigen. Ik ben een schepper die met vallen en opstaan leert. Aan de bovenkant van de wervelkolom bevestig ik de atlas, die de schedel de vrijheid geeft om te draaien; aan de onderkant het heiligbeen en de heupen, die ook voor hoofdbrekens zorgen. Aan het eind van de dag hang ik naast mijn bed het skelet in wording op. Met het lamplicht van de avond zie ik dat ik zelfs twee nieuwe huisgenoten heb: ook een schaduwskelet op de muur, zonder de onvolkomenheden van zijn kartonnen evenbeeld.
Niet het vlees, wel de botten. Diezelfde gedachte spreekt uit een verhaal van de Argentijnse schrijver Mariana Enriquez met de titel Nada de carne sobre nosotras, wat ik zelf zou vertalen als: geen vlees op onze botten. Een vrouw vindt op straat een doodshoofd en neemt het mee naar huis. Ze geeft het de naam Vera (van calavera, het Spaanse woord voor doodshoofd) en bestudeert het aandachtig. Het jaagt haar volgevreten vriend de stuipen op het lijf, waarna ze Vera een prominente plek geeft in de slaapkamer. Steeds meer draait haar leven om Vera: ze praat tegen haar, geeft haar een pruik, parfum en sieraden en bouwt een altaar om haar heen. Nadat ze haar vriend het huis uit heeft gegooid, stopt ze met eten. Ze voelt haar eigen lichaam veranderen en tegelijkertijd breekt ze zich het hoofd over hoe ze Vera een lichaam kan bezorgen, hoe ze aan menselijke botten kan komen, met alle praktische en ethische bezwaren die daarbij komen kijken.
Zelf zou ik geen menselijk doodshoofd in huis willen hebben. Dierenschedels hebben mooiere vormen en zijn minder confronterend, omdat ik mezelf er niet in herken.
[…]
© Copyright 2024 Melani Reumers