Leesfragment: Er stromen rivieren in de lucht

18 juli 2024, door Elif Shafak

23 juli verschijnt de nieuwe roman van Elif Shafak, Er stromen rivieren in de lucht (There are Rivers in the Sky), nog vóór de Engelse editie in de vertaling van Manon Smits. Wij publiceren voor! Lees een fragment en reserveer.

  • ‘Maak ruimte voor Shafak in je boekenkast. Maak ook ruimte voor haar in je hart. Je zult er geen spijt van krijgen.’ Arundhati Roy

Londen, 1840. Arthur raakt gefascineerd door het oude Mesopotamië en in het bijzonder door het epische Gilgamesj-epos, over een hooghartige held die pas tot inkeer komt wanneer hij alles kwijt is.

Turkije, 2014. De 10-jarige Narin moet vluchten voor isis, samen met haar oma, die uit een lange lijn van vrouwelijke zieners komt.

Londen, 2018. Zaleekhah vindt troost in haar onderzoek naar rivieren, en komt via een vriendin in aanraking met een bijzondere oude taal.

Wat de drie buitenstaanders door de eeuwen heen met elkaar verbindt, is het water, want: ‘Water bewaart alle herinneringen. Het zijn de mensen die vergeten.’



 

Arthur
Aan de Theems, 1840

De winter arriveert vroeg dit jaar in Londen, en is daarna ook niet meer weg te krijgen. De eerste sneeuwbuien vallen al in oktober, terwijl de temperatuur met de dag verder daalt. De muren zijn begroeid met lichenen, de rotsen bedekt met mos, en de varens die uit de spleten steken zitten onder de rijp, glinsterend als zilveren naalden. Rupsen en kikkers laten zich zachtjes verstijven, klaar voor de kou en blij dat ze pas in het voorjaar weer hoeven te ontdooien. Gebeden en vloeken vormen zodra ze worden geuit ijspegels die aan de kale boomtakken bungelen. Soms tinkelen ze in de wind – een licht, los, klingelend geluid. Maar ondanks de kilte raakt de Theems niet bevroren zoals een paar decennia geleden, toen hij zo’n dikke ijsplaat vormde dat men er voor de grap een olifant overheen liet lopen en er hockeywedstrijden werden gespeeld tussen de beide oevers. Deze keer verhardt alleen het water langs de kant, terwijl de rivier in het midden blijft stromen tussen twee platen witte kristallen aan weerszijden.
Of het nu warm is of kil, stormachtig of windstil, voor de stank die opstijgt van de rivier maakt het weinig verschil. Wrang, scherp, weerzinwekkend. Een lucht die in je poriën gaat zitten, aan je huid blijft kleven en in je longen doordringt. De Theems – ‘Thames’, ‘Tamesis’, ‘Tems’, ‘Tamasa’, ‘de donkere’ – stond weliswaar ooit bekend om zijn frisse water en goede zalm, maar heeft tegenwoordig een vieze, troebele, bruine kleur. Vervuild door industrieel afval, rottend vuilnis, fabriekschemicaliën, dierlijke karkassen en ongezuiverd rioolwater was de rivier nog nooit in zijn lange leven zo verwaarloosd, ongeliefd en aan zijn lot overgelaten.
Er zweeft een deken van stof, roet en as boven de klokkentorens, spitsen en daken van Londen – de drukste stad van de wereld. Elke week komt er weer een golf van nieuwkomers met hun bundels vol dromen, terwijl de schoorstenen nog meer nachtmerries de lucht in braken. Naarmate de hoofdstad groeit en steeds meer buiten zijn grenzen treedt, beginnen er vuilnis, uitwerpselen en puin uit alle barsten te puilen, als vulling uit een oud kussen. Wat ongewenst is wordt afgedankt in de rivier. Afgetrokken graan uit brouwerijen, pulp uit papiermolens, slachtafval uit abattoirs, schraapsel uit looierijen, afvalwater uit stokerijen, restanten uit ververijen, secreetmest uit beerputten en afvoer van doorspoeltoiletten (de nieuwe uitvindingen waar de rijken en bevoorrechten van genieten) worden allemaal in de Theems geloosd, waardoor de vissen doodgaan, de waterplanten doodgaan, het water doodgaat.
Toch is het zo dat de rivier geeft, en dat begrijpt niemand beter dan de mensen die bekendstaan als de riooljutters. Dat zijn rusteloze rapers, plunderaars van de oevers. Geduldig turend waden ze vele mijlen door stinkend slijk. Soms lopen ze in het labyrint van rioolpijpen dat kriskras door de stad ligt, terwijl ze stroompjes afvalwater uitziften. Andere keren wroeten ze in de sliblaag aan de rivieroevers, die ze zorgvuldig uitkammen. Zo doorzoeken ze een vloeibare wereld, speurend naar waardevolle spullen, zowel onder als boven de grond.
Meestal gaan ze aan het werk als het getij laag staat en de wind is gaan liggen, zodat het oppervlak van de rivier mat en glad is als een dof geworden spiegel die geen licht meer weerkaatst. Er schuilt altijd wel iets van waarde op de bodem van het troebele water – stukjes metaal, koperen munten, zilveren bestek, en heel soms een kristallen broche of een oorbel met parel – kostbare bezittingen die per ongeluk zijn kwijtgeraakt in de Londense straten en parken, en vervolgens in de goot zijn beland, waarna ze aan een lange, stinkende reis begonnen naar de rimpelingen van de Theems. Sommige van die voorwerpen zullen hun reis vervolgen naar Oxford en verder, terwijl andere in de modder zullen blijven steken, bedolven onder de dikke, glibberige brij. Je kunt nooit voorspellen wat de rivier vandaag weer zal aanbieden, maar je kunt erop vertrouwen dat je niet met lege handen wordt weggestuurd. Een vakkundige riooljutter kan wel 6 shilling per dag verdienen.
Het werk is niet alleen walgelijk smerig maar ook vol gevaren – vooral in de riooltunnels. Het is altijd verstandig om in groepen te werken, want je kunt gemakkelijk verdwalen in de Londense wirwar van ondergrondse gangen, zonder dat je ooit nog bovenkomt. Ook bestaat het risico dat er in de buurt zonder waarschuwing een sluisdeur omhoog wordt getrokken terwijl jij daar beneden loopt te wroeten, waardoor er een plotselinge vloed opkomt door de buizen, en als je dan niks hebt om je aan vast te houden, of niemand die je bij je kraag kan grijpen, kun je zomaar wegspoelen en verzuipen, met je longen vol uitwerpselen. Dan is er ook nog de mogelijkheid dat je een gasbel doorboort die zich onder meerdere lagen afval heeft gevormd – een uiterst ongelukkige ontmoeting die een explosie kan veroorzaken, alsof er buskruit is ontbrand, waardoor je op slag dood bent of, erger nog, voortaan met kwellende verwondingen moet leven. De rivier neemt. Dat begrijpt niemand beter dan de riooljutters.

Op deze ijzige ochtend eind november sjokt een groep van acht mensen langs de waterkant in Chelsea, aan de noordelijke oever van de Theems, hun laarzen zompend in het slijk. Ze hebben lange stokken bij zich, die ze nu en dan in de drek steken om te kijken of er iets bruikbaars onder ligt. De lantaarn die ze aan hun borst hebben gebonden, schildert een gouden lint voor ze en verleent hun gezicht een spookachtige bleekheid. Ze hebben een sjaal om hun mond gewikkeld tegen de stank – niet dat het helpt. Ze dragen wijde katoenfluwelen jassen met extra grote zakken, en dikke handschoenen ter bescherming tegen de viezigheid – en tegen de aanvallen van ratten, die soms zo groot zijn als katten. Maar de hekkensluiter van de groep, een jonge vrouw met een bedeesde glimlach en sproeten op haar wangen, heeft de mantel niet helemaal over haar dikke buik kunnen dichttrekken. Hoogzwanger of niet, ze moet evengoed werken. En trouwens, de vroedvrouw heeft haar verzekerd dat het nog zeker een maand zal duren voordat de baby komt.
De groep nadert een bocht in de rivier waar een eik zijn takken over het water heeft uitgestrekt en bijna plat op de grond ligt. Terwijl de anderen het slik uitpluizen, blijft de jonge vrouw staan om op adem te komen. Ze veegt haar voorhoofd af, dat ondanks de bijtende wind behoorlijk bezweet is.
Haar blik volgt de diepe groeven en ribbels op de schors van de eik. Dat zie je niet vaak, een boom die zich zo omlaag heeft gekronkeld, alsof hij een onderonsje heeft met de Theems. Waar zouden ze over roddelen? Ze glimlacht bij de gedachte. En terwijl ze daarover nadenkt, voelt ze een flinke pijnscheut. Hevig, onverwacht. Haar hart begint te bonzen, maar ze probeert de pijn te negeren. Tot nu toe is deze dag haar niet gunstig gezind geweest; ze heeft alleen maar een kleine ring gevonden, waarvan ze niet kan weten wat hij waard is voordat ze hem heeft schoongemaakt en naar een pandjesbaas heeft gebracht. Evengoed heeft ze hem om haar vinger gedaan, bang dat ze haar enige schat anders zal verliezen.
Weer een kramp – deze zo indringend dat ze bijna geen lucht krijgt. Ze sleept zich uit het water en sjokt moeizaam naar de boom. Haar borst gaat zwaar op en neer terwijl ze achteroverleunt tegen de boomstam, dankbaar voor die ongewone vorm. De stekende pijn zakt, maar komt even later des te heviger terug. Ze houdt haar hand op haar buik en kan een kreet niet onderdrukken.
‘O, jeetje!’
Een van de riooljutters – een kleine, mollige oude vrouw met doorzichtig blauwe wallen onder haar ogen – rent naar haar toe.
‘Wat is er, Arabella? Alles goed?’
‘De baby – zou het kunnen dat-ie nu al komt? Is dat niet veel te vroeg?’ Ze kijken allebei om zich heen, de een in blinde paniek, de ander met verholen bezorgdheid.
Ach, nee toch, niet nu, niet hier. Geen enkele baby zou op zo’n vochtige, stinkende plek geboren willen worden, aan een rivier vol troep en rioolwater.
‘Zal ik iemand vragen om je man te gaan halen, schat?’ vraagt de oude vrouw, heel zachtjes, want ze voelt het antwoord al aan.
Arabella woont in een huurflat in de sloppenwijk niet ver van hier, een deel van Chelsea dat World’s End wordt genoemd, met een timmerman die zo getalenteerd is dat hij ooit opdracht had gekregen van Buckingham Palace om een ladekast te maken voor de koninklijke familie – maar tegenwoordig trillen zijn handen zo, vanwege zijn drankzucht, dat hij nog maar zelden werkt.
‘Mijn man?’ zegt Arabella. ‘Die heb ik in geen weken gezien.’
‘Ach ja, we redden ons wel,’ zegt de oude vrouw, en ze probeert haar stem niet droevig te laten klinken. ‘Laten we eerst maar eens zorgen dat je thuiskomt en op je gemak in bed kunt liggen, meid.’
Arabella knikt, maar ze ademt steeds sneller en oppervlakkiger. Terwijl ze overeind probeert te krabbelen, wankelt ze en raakt even uit balans. Haar gezicht vertrekt, meer van schrik dan van de pijn. Er glijdt een warme stroom vloeistof langs haar benen. Vol afschuw staart ze naar de plas bij haar voeten.
‘O god, o mijn hemel… het is te vroeg!’
De andere jutters zijn ook gestopt met werken en staan vanuit de rivier toe te kijken. Een van hen schreeuwt over het kabaal van de stroming uit: ‘Hé, alles goed daar?’
De oude vrouw schudt haar hoofd. ‘We hebben een probleem. God beware ons.’
‘Wat bazel je nou?’
‘Ik zeg, kom uit dat water en help me. Kom hier, jullie, opschieten! Haar vliezen zijn gebroken!’

[…]

 

© 2024 Elif Shafak © 2024 Nederlandse vertaling Manon Smits / Wereldbibliotheek

Wil je van je bestaande account gebruikmaken op onze nieuwe website? Je behoudt dan onder meer je bestelgeschiedenis, reeds aangeschafte e-books en je persoonlijke verlanglijst. Als je toestemming geeft krijg je direct een mail om een nieuw wachtwoord in te stellen.

Voer een geldig e-mailadres in

Hostname: pro-mbooks3