28 november verschijnt de nieuwe roman van Joost Oomen: Het paradijs van slapen of Iemand die met bloemen fietst! En update: Het paradijs van slapen is ons Boek van de Maand december! Wij publiceren voor, Oomen komt signeren en presenteren. Lees nu een fragment en bestel vast je (gesigneerde) boek!
Gerrit Blauw leidde een rijk en mooi leven, en wil dat leven nu ook graag in schoonheid eindigen. Hij is niet ziek, hij heeft geen pijn, maar hij beschouwt zijn leven als voltooid. In zijn zoektocht naar een dokter die hem wil euthanaseren, stuit Gerrit op Theo Engel, die door het voortdurende contact met patiënten die ondraaglijk en uitzichtloos lijden zijn geloof in schoonheid juist is verloren. Lukt het Gerrit om Theo dat geloof terug te geven? En is dat voldoende voor Theo om Gerrit te helpen bij zijn wens om mooi dood te mogen gaan?
Het paradijs van slapen is een ode aan de schoonheid en een pleidooi voor euthanasie bij voltooid leven. Het is het verhaal van twee mannen met als inzet het recht om op eigen voorwaarden te sterven.
Voor het schrijven van deze roman interviewde Joost Oomen zijn vader, die in Friesland euthanasiearts is.
0
Omdat de aula van het uitvaartcentrum een uitbouw van glas heeft achter de plek waar de kist staat, kijken wij de hele dienst uit op een grasmaaiwagen die baan na baan het gazon afgraast. Er zit een meneer in met een fluorescerend hovenierspak aan. Hij luistert waarschijnlijk naar de radio, waarschijnlijk een zender met veel muziek uit de jaren negentig en vroege jaren nul, weinig gepraat, af en toe reclame voor nieuwe kozijnen, e-bikes, tandpasta die nu in de aanbieding bij Kruidvat is. Maar dat kunnen wij allemaal niet horen, want wij zitten binnen en luisteren naar ‘Everywhere’ van Fleetwood Mac. Een jonge vrouw twee stoelen van mij vandaan snikt door de muziek heen, maar alle anderen in de zaal zitten in stilte op hun stoelen, hebben hun armen gekruist voor hun borst, hun hoofd wat schuin gekanteld. Friese mannen en vrouwen die nadenken, of doen alsof ze nadenken, over de dood. Als het nummer wegsterft halen er een paar hun neus op, eentje kucht luid.
Toen ik net mijn fiets tegen het hek parkeerde, liep ik over het plein voor het uitvaartcentrum achter een man op klompen. Geen houten, maar van die leren van Gevavi, met adertjes in de neuzen omdat ze door het werken op het land en in de stal helemaal verdroogd zijn. Uitgeharde stront en modder op de hak, klikklak. De man, volgens mij de knecht van de derde boerderij buiten het dorp, wilde de klompen bij de ingang van het uitvaartcentrum uittrekken en naast de deur laten staan, maar voordat hij dat kon doen kreeg hij een por en een gefluisterde vermaning van zijn vrouw, die vervolgens in de rij voor de condoleance nog even geluidloos bleef giebelen om de naïviteit van haar echtgenoot. Totdat ze mij achter zich in de rij zag aansluiten en met een serieuze stem ‘dokter Engel’ tegen me mompelde. Ze werkt als huisartsassistente in Dronrijp, daarom herkende ze me. Haar man zei niets, keek me even boos aan en draaide me toen zijn brede rug toe.
Eigenlijk ga ik nooit naar begrafenissen van patiënten. Ik zou vaker in dit soort centra zitten dan thuis, daarbij kan mijn hart het niet aan om elke keer weer zo’n familie de hand te moeten schudden. Ik weet dat het niet echt zo is, maar het voelt op zo’n moment alsof ze er toch een beetje door mijn schuld staan. Hoe blij de patiënt zelf ook met de dood was, hoe opgelucht de familie ook met het overlijden is, het was niet gebeurd als ik niet met mijn spuiten was langsgekomen. Maar omdat de man in de kist bij dat raam uiteindelijk toch nog op een natuurlijke manier is gestorven – longkanker – en het traject met mij niet heeft afgemaakt, ben ik vandaag, in de zon, vanuit Leeuwarden naar dit dorp gefietst. Zijn dochter is een verpleegkundige die soms met me meegaat en ik vind het een goed gebruik om de begrafenissen van ouders van vrienden te bezoeken. Die verpleegkundige is strikt genomen geen echte vriend maar een collega, maar toch wilde ik gaan. Juist ook omdat ik haar vader wel ontmoet heb, maar hij toch zonder mijn toedoen is overleden.
Die man in zijn bed in het ziekenhuis, nauwelijks nog in staat om een volledige zin te formuleren, ik op een krukje ernaast. Een groot, zilverkleurig horloge met schakelband lag op het witgelige ziekenhuisnachtkastje, ernaast een hardplastic beker met een rietje. Tussen een van de schakels zat een zwarte haar.
De laatste spreker is zijn vrouw. Ze heeft kortgeknipte krulletjes die ze onnatuurlijk zwart heeft geverfd.
‘Piet had kanker,’ zegt ze. ‘Piet was op.’
Omdat het nu helemaal stil is in de zaal, horen we het grasmaaierkarretje op het gazon stilvallen. De hovenier stapt uit en bukt zich om de messen schoon te maken. Als de vrouw zich omdraait om nog een laatste keer haar man toe te knikken, valt het zonlicht op haar horloge, waardoor er een wit, bibberig lichtstipje op het plafond is te zien.
Door de weilanden fiets ik naar huis. Ik ben na de dienst zo snel vertrokken dat ik vergat om iets te drinken, dus ik verga van de dorst. Bij thuiskomst ligt er een dikke envelop in mijn brievenbus. Ik bekijk hem in de lift, op de achterkant staat als afzender alleen Doarpsstrjitte 19 en een postcode. Als ik hem aan de keukentafel openscheur en leegschud, vallen er een map met een dikke stapel papier en een kleinere envelop met een brief erin uit. Op die envelop staat nog een keer mijn naam geschreven.
Beste dokter Engel,
U kent mij niet, maar ik heb uw naam gevonden op de site van het Expertisecentrum Euthanasie en toen via via uw adres verkregen. Mijn naam is Gerrit Blauw, ik ben eenenzeventig en ik wil dood. Ik weet dat dit niet de reguliere weg is om een euthanasiearts te benaderen, maar omdat ik ook niet voor een reguliere euthanasie in aanmerking kom, schrijf ik u toch deze brief.
[...]
Copyright © 2024 Joost Oomen