Leesfragment: Kleine filosofie van het ommetje

01 november 2024, door Pieter Hoexum

Nu in onze boekhandels: het nieuwe boek van oud-collega Pieter Hoexum, Kleine filosofie van het ommetje. Een verkenning van de buurt! Lees bij ons een fragment en koop dat boek!

Sinds de coronacrisis weten we dat thuisblijven geen probleem is, als je het maar kunt afwisselen met een wandeling in de buurt. Het ommetje voldoet aan een levensbehoefte: onderweg zijn, en intussen wat mijmeren en rondkijken. Filosoof Pieter Hoexum gaat in dit boek op zoek naar het ideale ommetje.

Het is fijn als je meerdere, afwisselende routes kunt lopen: langs rijtjeshuizen, villa’s, een industrieterrein, een park, een sloot of flatgebouw. Er moet onderweg iets te ontdekken zijn en het is handig als de voorzieningen op loopafstand zijn. Het maken van een ommetje - de diep menselijke wens om onderweg te zijn en te mijmeren - is niet alleen het ontdekken maar ook het máken van een buurt. Wie een ommetje maakt, doet aan ‘stedenbouw by wandering around’.

Kleine filosofie van het ommetje helpt je om zin en onzin in het denken over de buurt te onderscheiden. Wandel mee met Pieter Hoexum en ontdek de buurt.



 

1
Prelude: lopen, denken, kijken

Zoals zoveel mensen maakte ik tijdens de coronacrisis steeds vaker een ommetje door de buurt. Ik deed dat sowieso al vaak, al was het maar om mijn stappenteller tevreden te houden. Maar deze ‘corona-ommetjes’ maakte ik met meer aandacht, meer gretigheid. Het was op een gegeven moment ook zo ongeveer het enige wat je nog kon doen, behalve binnenblijven. Het was het enige vertier dat er nog was, of zelfs de enige manier om nog te ‘ontsnappen’. Meer dan voorheen begon ik te beseffen hoe onmisbaar ommetjes zijn. Ik begon na te denken over de ommetjes, en vooral ook over de buurt. Ik was blij te zien dat er steeds meer mensen gebruikmaakten van de buurt, de buitenruimte, de openbaar toegankelijke ruimte tussen de huizen ... kortom de publieke ruimte. Eindelijk kregen die ruimtes en plekken waar je meestal zonder er acht op te slaan aan voorbijloopt of -fietst, de aandacht die ze verdienen. Misschien kon je wel spreken van een herwaardering. Maar wat was die waarde, die betekenis, dat belang? Waarom liepen we daar met z’n allen, wat zochten we daar, wat deden we daar?
Ik was bepaald niet de enige die zich dat afvroeg, maar de antwoorden die ik al lezende aantrof, bevredigden mij niet. Eigenlijk sprak uit het meeste wat ik las de hoop dat de publieke ruimte ons zou bevrijden van isolatie, eenzaamheid en polarisatie. Van alle narigheid eigenlijk. De publieke ruimte als wondermiddel. En dat ‘wonder’ zou dan bestaan uit ontmoetingen, gemeenschapsvorming, sociale cohesie, saamhorigheid, algehele verbroedering en harmonie. Het kwam er steeds op neer dat de publieke ruimte één grote ontmoetingsplek moest zijn, een plek waar mensen veilig en comfortabel tot elkaar kunnen komen, een gemeenschap kunnen vormen. Zolang dat vrijwillig gebeurt, is daar natuurlijk niets op tegen, integendeel. Maar het leek mij wel een nogal eenzijdige visie op de buitenruimte. Dit ging verder dan herwaarderen, dit werd overschatten.
Hoe langer ik nadacht over de nadruk op veiligheid, gemak (comfort) en geborgenheid in de buitenruimte, hoe ongepaster het mij leek. Als het om de bínnenruimte gaat is dat een heel ander verhaal, dan is het juist zeer gepast: binnen kan en mag alles draaien om veiligheid, comfort en geborgenheid. Maar als het daar in de buitenruimte ook om draait, dan zou je toch net zo goed binnen kunnen blijven? Ik las en hoorde steeds dat de buitenruimte een soort huiskamer zou moeten worden, een ‘huiskamer van de buurt’. Maar als je naar buiten gaat, wil je toch ook werkelijk naar buiten en niet van de ene huiskamer naar de andere? Al snel ontstond bij mij het idee dat we buitenshuis juist het tegendeel, of liever gezegd, het complement zoeken van veiligheid, gemak en geborgenheid, namelijk zaken als avontuur, vreemdheid en zelfs vervreemding, en vooral vrijheid, of specialer: bewegingsvrijheid. We gaan kortom naar buiten om een ommetje te maken, door de buurt te lopen en ondertussen na te denken en om ons heen te kijken.
Lopen, denken, kijken.
Er is buiten natuurlijk veel meer te doen, maar dit zijn toch drie levensbehoeftes waarin een eenvoudig ommetje in de buurt op een natuurlijke manier voorziet. Dat is belangrijk genoeg om even — niet te lang natuurlijk — bij stil te staan.

In dit boek breng ik verslag uit van de ommetjes die ik de afgelopen jaren maakte. Het onderwerp is dus de buurt, voor zover die openbaar toegankelijk is — voor zover je er een ommetje kunt maken. Gewichtiger gezegd is het onderwerp de openbare ruimte, ook wel de publieke ruimte. Maar zo vormelijk, of zelfs academisch wil ik hier helemaal niet zijn. Eigenlijk is het heel eenvoudig: in dit boek verken ik door middel van ommetjes de ruimte tussen de huizen in mijn eigen buurt.
Hoe eenvoudig ook, helemaal zonder ambities of pretenties is deze onderneming niet. Door het onderwerp niet af te bakenen, in te perken, vast te leggen, nader te bepalen, enzovoorts, hoop ik de openbare ruimte in al haar levendigheid én alledaagsheid, in al haar gewoonheid én avontuurlijkheid, op het spoor te komen. Het moet een pleidooi worden voor het behoud van die alledaagse grilligheid en ongrijpbaarheid van de openbare ruimte. Bij ‘openbare ruimte’ denk je wellicht aan pleinen, parken en winkelcentra, oftewel aan bestemmingen. Ik ben vooral geïnteresseerd in de meer onbestemde, vage en daarmee ook wel verwarrende ruimtes daaromheen, de ruimtes waardoorheen je gaat om bij die bestemmingen te komen: de straten, stoepen, paden, enzovoorts.
Ik waag mij dan ook niet aan een echte definitie van de openbare ruimte. In plaats daarvan gebruik ik de termen ‘openbare ruimte’, ‘publieke ruimte’, ‘buitenruimte’ en ‘de ruimte tussen de huizen’ (stiekem mijn favoriet) losjes door elkaar. Dat is volgens mij een goed alternatief omdat ik geloof, in navolging van (de latere) Wittgenstein, dat woorden betekenis krijgen in en door het gebruik — net zoals de publieke ruimte. Net zoals taal komt de publieke ruimte pas echt tot leven in het alledaagse, informele en soms vernieuwende en creatieve gebruik. Bovendien kun je volgens mij die termen prima door elkaar gebruiken, omdat het belangrijkste element overal in opduikt, en dat is ruimte. Hoe je het ook noemt of opvat, het gaat er mijns inziens toch vooral om dat er ruimte geboden wordt, gelegenheid, mogelijkheden ... bewegingsvrijheid. De mogelijkheid van een ommetje.
Publieke ruimte is een betwist begrip, zoals dat heet, of zelfs een wezenlijk betwist begrip: er bestaan sterk verschillende opvattingen van de betekenis of de essentie van het begrip, zodat discussie erover al gauw verzandt in een oeverloos langs elkaar heen praten. Praktisch is dat inderdaad een probleem, maar principieel is het mooi, want de discussie over de publieke ruimte moet zo open zijn als die ruimte zelf. Je zou de discussie wat mij betreft niet moeten willen beslechten, maar slechts in beweging willen houden.
Behalve een definitie van het ontwerp zouden hier, in deze inleiding, ook een onderzoeksvraag, of zelfs hoofdvraag genoemd moeten worden. En dan natuurlijk een methode waarmee ik het antwoord op die vraag probeer te vinden. De hoofdvraag is grofweg de vraag waarom je naar buiten zou gaan, als je het binnen zo naar je zin kunt hebben, als de binnenruimte je alles geeft wat je hartje begeert (veiligheid, comfort en geborgenheid). Van een methode is eigenlijk nauwelijks sprake: de ommetjes zijn mijn methode. Die zijn weinig systematisch. Maar juist de ondoelmatigheid van het ommetje, dat immers niets meer is dan een omweg en eigenlijk per definitie ondoelmatig, maakt het zo geschikt voor mijn onderzoek, dat een soort sporenonderzoek is. Om met historicus Carlo Ginzburg te spreken: de omweg is mijn methode.

Daar komt nog iets bij. Enkele jaren geleden zijn we verhuisd. Verhuizen is geen pretje, dat hoef ik niemand te vertellen. Ook onze verhuizing was een fysieke, emotionele en financiële uitputtingsslag, maar die hebben we glansrijk doorstaan. Mij kwam het bovendien eigenlijk wel goed uit. Het was heel leerzaam. Ik moest afscheid nemen van de oude buurt en wennen aan de nieuwe. Door het afscheid nemen van de oude buurt en wennen aan de nieuwe, kon ik de betekenis en waarde daarvan letterlijk en figuurlijk nalopen, proefondervindelijk nagaan.
Wie verhuist, verwisselt niet alleen van huis maar ook van buurt en verdere woonomgeving. Daar moet je aan wennen, je moet acclimatiseren. Ook daar zal ik hier verslag van uitbrengen. Ik zoom daarbij langzaam steeds verder in, van landschap en streek naar de stedelijke condities, naar buurt en naar de straat. Na deze oriëntatie en plaatsbepaling volgen filosofische verkenningen van woonerf, verkeersdrempels en zebrapaden in de buurt. Maar het moet beginnen in mijn oude buurt in Purmerend, want het zal ook gaan over de band die door het wonen ontstaat tussen bewoner en woonomgeving. Toen we in Purmerend woonden was ik me nauwelijks bewust van die band. Toen ik hem moest verbreken des te meer.

 

© 2024 Pieter Hoexum | uitgeverij Noordboek

Gerelateerde boeken

Wil je van je bestaande account gebruikmaken op onze nieuwe website? Je behoudt dan onder meer je bestelgeschiedenis, reeds aangeschafte e-books en je persoonlijke verlanglijst. Als je toestemming geeft krijg je direct een mail om een nieuw wachtwoord in te stellen.

Voer een geldig e-mailadres in

Hostname: pro-mbooks3