Leesfragment: Magnetisch middernacht

26 september 2024, door Laura Broekhuysen

1 oktober verschijnt de nieuwe roman van Laura Broekhuysen: Magnetisch middernacht! Wij publiceren voor. Lees nu een fragment en bestel vast je boek.

Nog lang na de lawine blijft Loki’s moeder hun buurmeisje Iðunn zien. Iðunns huis is met bewoners en al in zee geschoven, haar naam staat op de gedenksteen. Als Loki’s moeder blijft geloven dat Iðunn nog leeft, haar blijft zoeken en niet opgeeft, wordt zij door haar man naar een psychiatrische kliniek gebracht.

De androgyne Loki krijgt een nieuwe moeder; samen met haar dochter Pippa vormen ze een nieuw gezin. Tot de kinderen op een dag een meisje zien, op de helling, even beige als het gras, met haren als takken en de oogopslag van een dier.

Zoals IJslandse familiegeschiedenissen verstrengeld zijn met mythen en sagen, zo fungeert de Edda in deze roman als een magnetisch veld, waarmee niet alleen het verhaal maar ook de taal aan zwaartekracht wint.



 

1 Fjord

Je zult gemerkt hebben dat een vrouw geen
baard heeft, dat een kat als hij rent geen
geluid maakt en dat er onder de bergen
geen wortels liggen.
Edda

 

Witblind

Je ziet geen diepte in een sneeuwwit landschap. Wit omhoog, wit omlaag, van voor naar achteren, duizelwit.
Snorri mompelt: ‘Ik heb erger meegemaakt.’ Hij tuurt vanuit de jeep op de weg.
Ik ben blij dat Oddný, die mijn moeder is maar zich daar zelden naar gedraagt, mijn zoveelste vader achter het stuur laat. Ze bemoeit zich wel met elke bocht.
Rechts is de zee, dat weten we, te zien is het niet. De wind, van links, blaast op de jeep in, de berg is een glijbaan voor poedersneeuw, die als suiker over ons wordt uitgestort. De ruitenwissers vegen op volle kracht, maar de weg is onvindbaar. De auto schudt. Snorri rijdt stapvoets, stuurt tegen de wind in. Oddný zegt: ‘Ik zie de vangrail niet eens.’
Ik hoor Snorri brommerig zingen: Bijna bijna bijna thuis. Ik weet nog niet dat ‘bijna’ hier betekent: over een paar uur. En ik weet ook niet wat ik moet denken van dat woordje ‘thuis’ – thuis ben je niet zomaar. Hij zegt: ‘Hier is geen vangrail.’
De jeep verliest grip, we schuiven. Snorri vloekt, stuurt, probeert te remmen; het wegdek is glazig, we glijden. Ik bijt in mijn rafelige slaaplap, grijp me vast aan mijn moeders kruin, ze graait naar mijn vingers, roept: ‘Au! Laat los!’
Aan de rand, in het grind, staan we stil. Even zie ik tussen de wolkenflarden een glimp van de diepte, de zee.
Snorri kijkt over zijn schouder en lacht: ‘Vond je het eng?’ Hij is mijn eerste vader met baard. Voorzichtig trekken we op, rijden we omhoog, omlaag, naar links, naar rechts, witter witst, berg op, berg af. Ik voel de zwaartekracht langzaam uit de auto en mezelf wegtrekken. Uren geleden zijn we de stad uit gereden. Links de bergen, rechts de zee. We hebben besneeuwde vlaktes gezien, bergen als reusachtige taarten met toeven slagroomgladde sneeuw. We hebben de maan gezien. Die schijnt hier ook, dezelfde, we hebben de zon als een tegenligger langs zien komen. We hebben het laatste bos gezien, het laatste tankstation met de laatste wc. We hebben joekels van hagelstenen tegen de ruit gekregen, brokken gestolde lava zien liggen, we hebben een gletsjer gezien. Het heeft me koud gelaten. Niemand woont hier. Soms zien we een houten huisje, een weekendhuisje. ‘Wat doe je hier met je weekend? Wat doe je hier met je leven?’ Ik weet niet of ik mezelf hoorde mompelen of mijn moeder. We proberen een zender te vinden op de radio, een stem, een liedje, een strijkkwartet, iets, maar vinden alleen ruis.
‘Rendieren.’ Snorri staat op de rem. Hardop tellen we koppen. De kudde steekt over; haast hebben de beesten niet. Sommige blijven midden op de weg staan en kijken naar ons, indringers. Ik denk dat we in een droom zitten, een spierwitte droom, want ook die rendieren, zonder schaduw, lijken met hun geweien plat op het wit geplakt.
Ik weet niet of ik buikpijn heb omdat ik een blaas vol plas heb of omdat ik in een jeep zit die de wereld uit rijdt.
Mijn moeder zegt: ‘Pippa, heb je wel goed naar die rendieren gekeken, ze zijn zeldzaam.’
Ik probeer te antwoorden, maar mijn hoofd is zo leeg en zo wit als de witte leegte waarin Snorri de auto vaart laat minderen. ‘Daar.’ Hij wijst in het luchtledige.
Ik staar naar buiten, ik fluister: ‘Wat, waar?’
‘We zijn er.’ Snorri grijnst.
Ik schrik. Want we zijn nergens.

 

Copyright © 2024 Laura Broekhuysen

Wil je van je bestaande account gebruikmaken op onze nieuwe website? Je behoudt dan onder meer je bestelgeschiedenis, reeds aangeschafte e-books en je persoonlijke verlanglijst. Als je toestemming geeft krijg je direct een mail om een nieuw wachtwoord in te stellen.

Voer een geldig e-mailadres in

Hostname: pro-mbooks3