Een van de meestgenoemde (21 x) beste boeken van 2024 in de Engelse en Amerikaanse kranten en tijdschriften (en niet in Nederland of Vlaanderen): Kaveh Akbars Martelaar! (Martyr!), vertaald door Hans Kloos! Tijd voor een fragment. Lees nu de eerste pagina’s en koop dat boek!
Cyrus woont in een vieze, kleine kamer in een gedeeld appartement in Indiana met een stapel vuile was en te laat ingeleverde bibliotheekboeken als zijn enige bezittingen. In de ledige uren sinds hij de drank heeft opgegeven, is hij vooral bezig met nadenken over schrijven en het niet doen. Zijn moeder stierf jaren geleden toen het passagiersvliegtuig waarin ze zat werd neergehaald door de vs, zijn vader is er ook niet meer; in de gedichten die hij schrijft gaat hij op zoek naar de wortels van zijn Iraanse achtergrond. Wat hij eigenlijk wil, is sterven. Het ultieme martelaarschap bereiken. Dat zit in de Iraanse aard, stelt hij. Zwalkend door het leven, op zoek naar de focus die zijn kunstenaarschap mist, hoort hij over de Iraanse kunstenares Orkideh die in het Brooklyn Museum in New York een performance opvoert: Death-Speak. Haar laatste weken en dagen brengt ze door in het museum. Terwijl ze sterft aan kanker, kunnen bezoekers met haar praten. Dit is wat hij nodig heeft. En hij neemt het vliegtuig naar New York. Maar de gesprekken die hij met Orkideh voert, brengen hem niet dichter tot de dood, maar het leven.
Cyrus Shams
keady university, 2015
Misschien kwam het doordat Cyrus de verkeerde drugs in de juiste volgorde had gebruikt of de juiste drugs in de verkeerde volgorde, maar toen God na zeventwintig jaar stilte eindelijk iets tegen hem terugzei, wilde Cyrus bovenal een herkansing. Opheldering. Liggend op zijn matras die naar pis en textielverfrisser rook in zijn slaapkamer die naar pis en textielverfrisser rook, staarde Cyrus naar het enige peertje in de kamer met het vurig verlangen dat het nog eens zou knipperen, het vurig verlangen dat God zou bevestigen dat het knipperen van het peertje goddelijke tussenkomst was geweest en niet gewoon de aftandse bedrading van het oude appartement.
Laat het aangaan en weer uit, had hij niet voor het eerst in zijn leven liggen denken. Gewoon één flitsje en dan verkoop ik al mijn troep en koop ik een kameel. Dan begin ik opnieuw. Al zijn troep bestond op dat moment uit niet veel meer dan een berg vuil wasgoed en een stapel boeken die hij bij verscheidene bibliotheken had geleend en nooit had teruggebracht, poëzie en biografieën, Naar de vuurtoren, Mijn oom Napoleon. Let daar evengoed maar niet op: Cyrus meende het echt. Waarom kreeg de profeet Mohammed wel een compleet bezoek van een aartsengel? Waarom kreeg Saulus wel letterlijk het licht uit de hemel te zien op de weg naar Damascus? Natuurlijk was het na zulke heldere openbaringen kinderspel om een rotsvast geloof te stichten. Hoezo was het eerlijk die mannen te roemen om hun geloof dat helemaal geen geloof was, dat slechts gevolg geven was aan wat zij simpelweg als werkelijkheid hadden aanschouwd? En waar sloeg het op om de rest van de mensheid te straffen terwijl zo’n duidelijke openbaring hun nooit ten deel was gevallen? Om de rest wanhopig en alleen van crisis naar crisis te laten strompelen?
Maar toen overkwam het Cyrus ook, daar in die armetierige slaapkamer in Indiana. Hij vroeg God zichzelf, haarzelf, hunzelf, hetzelf, zeg het maar, te openbaren. Hij vroeg het met alle ernst die hij in zich had en dat was niet zo’n klein beetje. Als elke relatie uit een reeks toenaderingen en terugtrekkingen bestond, was Cyrus vrijwel nooit de terugtrekker, want hij vertelde alles van belang over zichzelf al na één vraag, één glimlach, haalde dan zijn schouders op als om te zeggen: ‘Zo is het gewoon. Waarom zou ik me daarvoor schamen?’
Hij lag daar op de kale matras op de hardhouten vloer als een pruilerige vorst de as van zijn sigaret steeds op zijn blote buik te laten vallen en dacht: Doe het licht aan en uit heer, dan koop ik een ezel, echt dan koop ik een kameel en rijd ik naar Medina, naar Gethsemane, zeg maar waarheen, laat het licht aan- en uitgaan en ik vogel het wel uit, dat beloof ik. Dat lag hij te denken en toen gebeurde het – íéts. Het lichtpeertje flikkerde of misschien scheen het even sterker, als de flitser van een camera die afgaat aan de overkant van de straat, zo net een fractie van een fractie van een seconde, en toen scheen het weer normaal, een gewoon geel peertje maar.
Cyrus probeerde na te rekenen hoeveel verslavend spul hij die dag had gehad. Het standaardboeketje van drank, wiet, sigaretten, clonazepam, medische amfetamine, gabapentine de hele dag door in wisselende samenstelling. Hij had nog een paar oxy-paracetamolletjes, maar die bewaarde hij voor later op de avond. Niets wat hij had gebruikt was buitenissig, niets waarvan hij echt helemaal zou gaan hallucineren. Hij voelde zich zelfs behoorlijk nuchter, vergeleken met zijn gangbare staat.
Hij vroeg zich af of het misschien de pure kracht van zijn verlangen, van zijn kijken was geweest waardoor zijn ogen zo gespannen raakten dat ze zagen wat ze wilden zien. Hij vroeg zich af of dat misschien de manier was waarop God te werk ging in de nieuwe wereld. Misschien was God de tussenkomst van spektakelstukken als brandende braambossen en sprinkhanenplagen zat en ging Hij nu te werk via de vermoeide ogen van dronken Iraniërs in de Amerikaanse Midwest, via megaflessen bourbon van de CVS en roze pilletjes met G 31 op de zijkant. Cyrus nam een teug van de enorme plastic fles Old Crow. De bourbon was voor hem wat een nachttafeltje voor normale mensen was – hij stond altijd aan het hoofdeinde van zijn matras en hield wat voor hem essentieel was op zijn plek. De drank haalde hem elke dag uit dezelfde slaap waar hij hem op den duur weer in stortte.
Toen Cyrus daar lag te peinzen over het mogelijke wonder dat hij net had meegemaakt, vroeg hij God het nog eens te doen. Om bevestiging, zoals je wachtwoord twee keer intypen in een browser. Als de alwetende schepper van het heelal zich aan Cyrus had willen openbaren, zou er toch zeker geen meerduidigheid optreden. Cyrus staarde naar de plafondlamp die er in de mist van zijn sigarettenrook uitzag als een waterige maan, en wachtte tot het weer zou gebeuren. Maar het gebeurde niet. Wat voor splintertje flikkering hij al dan niet had waargenomen, het kwam niet terug. En dus moest Cyrus, terwijl hij daar lag in het bedompte waas van betrekkelijke nuchterheid – zelf ook een soort roes – tussen het ondergoed en de blikjes en opgedroogde pies en lege oranje pillenpotjes en half gelezen boeken opengehouden op het hardhout met de rug geknakt, de bladzijden afgewend, een besluit nemen.
Eén
twee jaar later
Maandag
keady university, 6 feb 2017
‘Voor jóú heb ik mijn leven over,’ zei Cyrus helemaal alleen tegen zijn weerspiegeling in de kleine ziekenhuisspiegel. Hij wist niet zeker of hij het meende, maar het voelde goed om het te zeggen. Wekenlang speelde hij al dat hij doodging. Niet à la Plath met haar ‘Ik heb het weer gedaan, eens in de tien jaar’. Cyrus werkte als trainingsacteur in het academisch ziekenhuis van Keady. Twintig dollar per uur, vijftien uur per week. Cyrus deed alsof hij behoorde ‘tot hen die ten gronde gaan’. Hij hield van hoe de Koran het formuleerde, niet ‘tot je sterft’ maar ‘tot je behoort tot hen die ten gronde gaan’. Alsof je in een nieuwe gemeenschap terechtkomt die verlangend naar je heeft uitgekeken. Cyrus liep altijd het ziekenhuiskantoor op de derde etage binnen waar een secretaresse hem dan een briefje overhandigde waarop de naam en identiteit van een neppatiënt stond met ernaast een karikatuurgezicht op een pijnschaal van 0-10 waarbij 0 een glimlachend gezicht was, ‘helemaal geen pijn’, 4 een strak gezicht, ‘dat doet wel pijn’ en 10 een jankhoofd, ‘ontzettende pijn’, een gruwelijke tekening met een omgekeerde U als mond. Cyrus had het idee dat hij zijn roeping had gevonden. Op sommige dagen was hij degene die ging sterven. Op andere was hij familie. Die avond zou hij Sally Gutierrez zijn, moeder van drie kinderen, en het gezicht een 6, ‘dat doet nog meer pijn’. Dat was de enige informatie die hij kreeg voordat een gespannen student medicijnen in een slecht zittende witte jas naar binnen schuifelde en Cyrus/Sally vertelde dat zijn dochter een auto-ongeluk had gehad, dat het team alles had gedaan wat ze konden, maar haar niet had kunnen redden. Cyrus schroefde zijn reactie op tot een zes, bijna maar nog niet in tranen. Hij vroeg de geneeskundestudent of hij zijn dochter kon zien. Hij vloekte, schreeuwde zelfs een beetje op een bepaald moment. Toen Cyrus die avond wegging, graaide hij een chocolade granolareep uit het rieten mandje op de tafel van de secretaresse.
De studenten medicijnen waren er vaak maar al te tuk op om hem te troosten, zoals presentatoren van overdagse talkshows. Of het stond hun tegen hoe gekunsteld de situatie was en ze leefden zich amper in. Dan kwamen ze met dooddoeners aanzetten van een lijst die ze uit het hoofd hadden moeten leren, en probeerden ze Cyrus door te verwijzen naar de psychosociale dienst van het ziekenhuis. Uiteindelijk verlieten ze de onderzoekkamer en bleef Cyrus daar achter om hun medeleven te beoordelen door het invullen van een gekopieerde puntenlijst. Een kleine camera op een statiefje legde elk gesprek vast voor evaluatie.
[…]
Copyright © 2024, Kaveh Akbar
© 2024 Nederlandse vertaling Hans Kloos