Kristien De Wolf staat met Mooie Jo op de longlist van De Boon 2025! Tijd voor een fragment. Lees de eerste pagina’s en koop dat boek!
Jo is een notoir mooie jongen, die dat zelf ook wel weet. Na een turbulente, bij tijden erg wrange jeugd, beslist hij om in een kloosterorde in te treden, waar hij in een dubieuze relatie met een priester verstrengeld raakt. Die leert Jo drinken, schenkt hem een wagen en neemt hem mee op plezierreisjes. Net voor zijn eigen wijding treedt Jo alsnog uit en verhuist naar de grootstad. Hij stort zich in het bruisende uitgaansleven van de jaren zeventig en leert zijn seksualiteit te omarmen. Hij ontmoet er ook Felix, met wie hij een tragikomisch leven zal leiden, een leven dat ze decennialang met elkaar delen, ook al blijft de priester uit Jo’s verleden in de relatie van het koppel rondwaren. Mooie Jo is een biografische roman die een sprankelende tijd en een immens taboe naar voren schuift, een verkenning van vele soorten liefde en verraad.
Alles leeft!
Niets loopt ooit ten einde en nooit stoppen de verhalen. Steeds loopt het verder en steeds verandert het een beetje van vorm. Alles beroert alles. De hele wereld trilt, beweegt en leeft, ook de dode dingen en óók de dingen die je niet kan aanraken. Ze leven! Er bestaat niets dat niet iets anders bevingert, afvuurt en voortdrijft. Zo komt het leven op en trekt het weg in een zee die niet van water is. Wat is mooier dan op die eindeloze golfslag mee te drijven? Maar de mensen begrijpen niet dat de tijd in cirkels draait. Zij leven ook niet lang genoeg om werkelijk iets bij te leren. Bij hun dood sijpelt het kleine beetje wijsheid dat ze verzameld hebben door hun rottende kist heen, door de bodem van hun graf heen de aarde weer in en valt samen met hun vergankelijke vlees ten prooi aan de vrolijke wormen. Ze vinden van zichzelf dat ze dieren zijn, die mensen, maar wat de echte dieren zeggen, verstaan ze niet en van de ziel en de taal van spullen hebben ze zeker geen benul. Wij, de schilderijen waarop gezonken bootjes varen, waarop klokken beieren in afgebroken kerken, waarop verdwenen golven breken en nog net het licht weerkaatsen, oud licht van vroeger, dat maar één keer, precies één keer zo geschenen heeft, enkel in iemands hoofd dan nog, de spiegels met gezichten vol verwachting, met droevige gezichten, jong en nat van tranen, de vazen waarin verwelkte bloemen voortleven, de tapijten waarover kadavervoetjes vorderen in sokjes die uit de mode zijn, de kussens waarop gerimpelde hoofden rusten, met woekerend grijs haar dat verder blijft groeien. Wij, de schelpen, houtjes en botjes, waarover de grijze, oude golven nog aanspoelen, de gedroogde papavers en madelieven, eeuwig in bloei op geel geworden prentkaarten. Wij, de brillen, de pennen, de juwelen, die koud geworden zijn en geen vel meer raken. Wij, de roestige spades en de harken zonder steel, waaraan de oude aarde nog kleeft, de werkbanken in de stallen waarin de groeven nog zitten die de voorvaders erin kerfden. Wij, de foto’s, die maar vanuit één hoek kunnen kijken en altijd liegen. Wij zijn de spullen, we vullen de kamers, de lades, de schoenendozen, de bergplaatsen, de stallen, de zolders en de kelders. Wij houden de herinneringen levendig, bewaren ze. Wij waren erbij als de zieken hun laatste adem uitbliezen, als het verraad duidelijk werd, als het kind mislukt ter wereld kwam. Mensen doen ons weg om de doden niet te horen. Weg met ons! Naar de uitverkoop, het containerpark, de kringloopwinkel. Onze schaduwen breken door vers behang als brandvlekken. We vechten ons door alle lagen heen, ook nadat we verwijderd zijn, opgeborgen of weggegooid. De doden fluisteren door ons heen. Wij vergeten hen niet en niets van hun daden. Niets van hun blijdschap en pijn laten wij verloren gaan. Wie verdreven werd, uit zijn huis verjaagd, vervloekt de huidige bewoners door onze monden. Wij vormen het koor dat door zijn neus een andere waarheid zingt, een zacht en irritant gezoem op de achtergrond, dat de populaire verhalen doorkruist en de versies die mensen zichzelf wijsmaken, onderuithaalt. Mensen zouden alles doen om van ons af te komen. Behalve wie geen afscheid nemen kan. Hij staart naar ons, de jaren glijden weg, maar hij begrijpt ons niet.
De hoorndragers
Felix
Ik ben te laat opgestaan en heb nog geen klap uitgericht. Geen wonder dat ik zo moe ben. Vanuit zijn fotolijst kijkt Jo naar mij. Hij kijkt, zijn ogen volgen mij altijd, zoals de ogen van de Mona Lisa en hij vindt mij lui, maar wel lief. Ik ben opgestaan en meteen weer gaan liggen, in mijn pyjama, meteen de sofa in, de gigantische rode. Vermiljoenrood heet die kleur, RAL 3003. Jo zei altijd, rood is rood, maar néé, er zijn meer dan dertig tonen rood, RAL 3000 tot 3033. Wie is hier de architect?
De sofa staat in het midden van de kamer. Ik pas er met mijn volle lengte in. Overal voel ik kussens, achter mijn hoofd, onder mijn rug en bij mijn voeten. Ze zijn gevuld met eiderdons, staan bol als babybillen en de hoezen zijn van zijde, flesgroen, RAL 6035. Ze moeten precies goed liggen, zoals bij de prinses op de erwt. Ik wrikkel tot ik geen enkel bobbeltje, rimpeltje meer gewaarword.
Alles is nu eindelijk mollig, glad en koel. Mijn ogen zijn dicht. Ik adem diep in en dan langzaam weer uit, zo gaat het, mijn buik gaat omhoog, omlaag en mijn linkerhand ligt op mijn buik en beweegt mee. Ik heb niets te doen vandaag. De dag brengt mij niets anders dan tijd. Op zo een dag, een lege dag, even hol als een luchtballon, is het mijn voornaamste taak om weg te dromen. Ik maak beelden uit de rook in mijn hoofd. Ze trekken kleur aan als ik dat wil. De oude verhalen herleven op de bühne van mijn eigen kop, met geluid en al. Ik mag misschien de índruk wekken niets te doen, maar schijn bedriegt. Zélf de beelden maken, daar komt het op aan, niet piekeren, niet nadenken, geen vragen stellen, een scène kiezen, baas blijven. Verlies ik mijn concentratie, dan beginnen beelden lukraak op te doemen. Dan krijg ik de onbeleefderiken op bezoek, de droevige scènes, of nog erger, de nieuwe waarheden. Daarvan vlucht ik pijlsnel weg. Er zijn al waarheden genoeg.
Jo verschijnt voor mijn geestesoog. Hij is mooi bruin. Hij draagt een wit linnen hemd dat wappert in de zomerwind. Hij lacht naar mij. Op deze plek in het zuiden drinken de mensen hun koffie koud. Dat smaakt als het buiten heet is, koffie met ijs, café con hielo, waar is de tijd?
Mijn ogen gaan open en ik zie mijn lief in zijn lijst. Op deze foto, die op het tafeltje naast mijn sofa staat, is hij de zestig voorbij. Is het kiekje gemaakt voor of na de dag dat hij gestopt was met drinken? Ik weet het niet. Hij is nog steeds knap op dit plaatje. Jo is nooit één dag niet knap geweest, geen enkele. Ook niet toen hij op een keer al zijn haar had afgeschoren en ook niet toen hij bijna dood was. Precies tien jaar is het nu, dat hij er niet meer is. Elke dag kijk ik hem aan of droom ik van hem en zo gaan de dagen voorbij. De dagen zonder Jo.
Ik draai mijn hoofd en kijk mijn kleine woonkamer in. Mijn appartementje dichtgegroeid van plint tot lambrisering, getooid en behangen met tapijten, plaids, kussens, spiegels, schilderijen, porselein, zilverwerk, beelden, brillen, juwelen, vergeelde postkaarten, doodsprenten, vervagende kattebelletjes, oude brieven, diploma’s en vooral met ontelbare foto’s van mensen die iets voor me betekend hebben. Ook al hebben ze mij verdriet gedaan. Dat is geen reden om er niet tussen te mogen hangen. Als ik ze graag gezien heb, dan hangen ze er en als ze echt belangrijk voor me zijn geweest, heb ik een persoonlijk spulletje bewaard, bijvoorbeeld een bril, pen, bord, brief, ring of tand (in een potje). Het maakt niet uit hoe het tussen ons is afgelopen. Vroeger was Jo de fotobewaarder, nu ben ik het.
Uiteraard heb ik veel mannen in mijn bonte hofhouding, tot zelfs een paus (met een pint bier in zijn handen), maar ook vriendinnen, zusters, tantes, moeders, zoons en dochters. Ik weet perfect waar iedereen staat of hangt. Mijn lieve doden en hun snuisterijen zijn bijna vergeten, ze hangen maar met losse draadjes vast. Wie hen kende, ligt meestal zelf al in zijn graf. Het zijn half opgegeten vlinders in een verlaten spinnenweb, grijze voddengeesten met overal gaten. Daar hangt die en die en die te bengelen in de mist. Bij elke windstoot vliegt er weer een stukje weg. Zonder mijn gedroom zouden ze nog vlugger loslaten. Zoef! Weg voor altijd. Ik alleen hou hun nagedachtenis in leven. Als er chrysanten op de graven staan, komen ze van mij. Intussen vormen zij mijn publiek en mijn toneelgezelschap, willen of niet, want ik vind, voor wat, hoort wat. Of misschien zijn ze een soort familie. Familie geraakt ook nooit ver.
Wat er ook van zij, samen met hen, de doden, de spullen, de hele bestofte, blinkende hannekesnest, voer ik onze geschiedenis op, onze divina commedia. Het is een eindeloze reeks opvoeringen, het enige stuk dat nooit van de affiche verdwijnt. De planken van mijn theater zijn bevolkt met kleurrijke, vreemde en tragische figuren, niet het minst wordt het stuk van drama voorzien door Jo zelf, die hier in veelvoud aan de muren prijkt, afgebeeld als kind, als jonge man, als rijpere man. Hij ziet er op de meeste foto’s te oud uit voor zijn jaren, maar er staan geen leeftijden bij.
[…]