Nu in onze boekhandels: het nieuwe boek van Marijn Kruk, Opstand. De populistische revolte en de strijd om de ziel van het Westen! Mischa Cohen: ‘Ik wil Opstand van Marijn Kruk opdringen aan alle leden van de Tweede Kamer, zodat ze doorkrijgen wat de agenda is van extreemrechtse politici als Wilders en Baudet.’ Lees een fragment en koop dat boek!
In zowel Europa als de Verenigde Staten kleuren zogeheten nationaalpopulistische bewegingen alweer enige tijd het politieke landschap. Gebruikmakend van de ontstane onrust over immigratie en verlies van identiteit, kwamen op tal van plaatsen populistische leiders aan de macht. De grote verkiezingswinst van Geert Wilders eind 2023 en de uitslag van de Europese verkiezingen laten zien dat dit moment allerminst voorbij is.
Tegelijk maskeert het populisme de bredere ambitie die achter deze beweging schuilgaat. Er is sprake van een contrarevolutie, gericht op de omverwerping van een links-liberale en ‘globalistische’ elite, die de westerse eigenheid zou ondermijnen.
Klassieke conservatieven, rechtse christenen, duistere etnonationalisten en allerhande complotdenkers trekken hierin zij aan zij op. Daarbij doet de Hongaarse hoofdstad Boedapest dienst als intellectuele broedplaats en als model. Viktor Orbán gaat voorop in de strijd voor het ‘eigene’ te midden van een moderniteit die dit uitholt. Maakt deze opstand kans van slagen, en zo ja, tegen welke prijs?
Opstand is een journalistieke verkenning van het illiberale moment en neemt de lezer mee op een reis door het Europa anno nu.
Marijn Kruk (1971) studeerde geschiedenis in Utrecht en politieke filosofie in Parijs. Hij was werkzaam als Frankrijkcorrespondent en deed verslag van de Arabische Lente in Noord-Afrika. Aansluitend was hij correspondent in Istanbul en maakte hij tal van reportagereizen door Europa. Hij schrijft voor onder andere De Groene Amsterdammer en NRC. Eerder publiceerde hij Parijs denkt, over het Franse intellectuele leven.
Proloog
De samoerai van de Notre-Dame
Het is een zonnige Parijse middag als een onopvallende man met doelgerichte passen op het altaar van de Notre-Dame afstapt. Het is mei 2013, zo’n dag waarop de caféterrassen uitpuilen en de Seine glinstert in het voorjaarslicht.
Frankrijk zelf staat al maanden in het teken van legalisering van het homohuwelijk en protesten daartegen. Zojuist heeft president François Hollande de wet ondertekend die het mariage pour tous een feit maakt.
De maanden ervoor hielden katholieke activisten sit-ins op het plein voor de Notre-Dame. Maar die zijn nu nergens te bekennen. Toeristen zwermen in en om de beroemde kathedraal. Onder de gotische kruisribgewelven schuifelt een groep bejaarden rond het indrukwekkende koor.
Dan maakt een man zich van het gezelschap los. Met zijn kalende hoofd en zijn grijze zomerjack verschilt hij uiterlijk niet van de overige bezoekers. Hij loopt richting de balustrade voor het hoofdaltaar.
Daar aangekomen haalt hij een stuk papier uit zijn binnenzak, legt dat voor zich neer en doet een paar stappen terug. Hij tast opnieuw in zijn jas, haalt een pistool tevoorschijn en kijkt om zich heen. Dan knielt hij, steekt de loop in zijn mond en haalt de trekker over.
Een schok van ontzetting gaat door de immense ruimte. Er klinken kreten en er ontstaat paniek. Suppoosten snellen toe en leiden de bezoekers – zo’n vijftienhonderd – richting de uitgang. Brandweerlieden dekken het lichaam toe met een wit laken.
Een ontspoord individu? Er is meer aan de hand, zo blijkt al snel. De zelfmoordenaar is de extreemrechtse historicus Dominique Venner; zijn daad is minutieus voorbereid. En zijn boodschap zal tot ver buiten de Notre-Dame weerklinken.
Op dat moment zit ik een paar kilometer verderop, thuis, in mijn appartement. Vlak om de hoek is de Santé-gevangenis, waar Venner ooit zat wegens deelname aan de Organisation de l’armée secrète.
In het begin van de jaren zestig verzette deze terreurorganisatie zich tegen de mogelijke onafhankelijkheid van Algerije. Ze pleegde diverse mislukte aanslagen op het leven van president De Gaulle.
Zelf woon ik sinds 2004 in Parijs. Ik studeerde er politieke filosofie en ging vervolgens aan de slag als correspondent. Op de dag dat Venner zich op 78-jarige leeftijd van het leven beneemt, ben ik bezig om het materiaal van een reportagereis naar het noorden van Mali uit te werken. Hier beëindigden de Fransen eerder dat jaar een bezetting door radicale islamisten.
Hoe moest ik Venners dood duiden? In een postume verklaring zegt hij op te staan tegen ‘de geïndividualiseerde verlangens’, die ‘onze identitaire ankers vernietigen, nota bene de familie’. Hij maakt zich zorgen over het teruglopende geboortecijfer van de witte bevolking en vreest voor wat hij de ‘vervanging van de Franse en Europese bevolkingen’ noemt.
Vredelievende demonstraties, zoals die tegen het homohuwelijk, volstaan volgens Venner niet; een herbewustwording van de Franse en Europese identiteit is noodzakelijk. Hiertoe zijn ‘nieuwe gebaren’ nodig – ‘spectaculair en symbolisch’ – om het ingedutte Westen te wekken en zijn ‘geanestheseerde bewustzijn op te schudden’.
Die ochtend heeft Venner zijn bijna veertig jaar jongere vrouw gedag gezegd en is hij op pad gegaan vanuit Rouen, waar hij alweer decennia woont. In Parijs heeft hij eerst een lunchafspraak met een paar vrienden in een brasserie nabij het Palais-Royal. Geen van hen zei achteraf iets ongewoons aan zijn gedrag te hebben opgemerkt, of het zou moeten zijn dat hij bij de koffie niet één, maar twee glazen whisky drinkt.
Direct na de bekendmaking van Venners dood volgen reacties vanuit de Franse politieke wereld. Een gezant van de regering gaat naar de Notre-Dame om er zijn afschuw uit te spreken. Op Twitter betuigt Marine Le Pen, leider van het radicaal-rechtse Front National, juist respect voor Venner en diens daad, die – ‘ten diepste politiek’ – bedoeld was om ‘het Franse volk te wekken’ – een bewering die ze twintig minuten later in een vervolgtweet fors zal afzwakken.
Die avond vult het plein voor de Notre-Dame zich met rechtse activisten. Ze dragen fakkels en zingen liederen.
Le Monde noemt Venner postuum ‘de vader van het huidige radicaal-rechts’. Dat gaat terug op Europe-Action, het tijdschrift dat Venner in 1963 oprichtte. Hierin verbreedde hij het vooroorlogse nationalisme door het een Europese dimensie te geven. ‘In Frankrijk is de komst van immigranten van kleur een enorm probleem,’ schreef hij. ‘We weten dat de oorspronkelijke Europese bevolking, die een beschavingssprong mogelijk maakte, wit was [d’une ethnie blanche].’
Daarom maakte Venner zich sterk voor de afbakening en de verdediging van een ‘witte, noordelijke ruimte, die zich uitstrekt van Lissabon tot Vladivostok’. Dit was nodig omdat de Europese beschaving, gesticht door ‘onze boreale voorouders’, verzwakt zou zijn geraakt.
Als oorzaak noemde hij het verdwijnen van de militaire traditie na 1945. Dit zou meer traditionele ideeën over mannelijkheid hebben ondergraven en ruim baan hebben gegeven aan een consumentencultuur die werd aangedreven door een ‘globalisering op Amerikaans-kapitalistische leest’.
In de jaren zeventig was Venner een van de voortrekkers van La Nouvelle Droite. Hier legde hij, samen met Alain de Benoist, de basis voor het zogeheten ‘differentiedenken’ – een lichte variant van het biologische racisme van voor de Tweede Wereldoorlog. Tussen volkeren zouden diep verankerde verschillen bestaan, en die dienden volgens De Benoist en Venner in stand te blijven.
Onder de naam ‘etnopluralisme’ zal deze theorie later opgeld doen binnen de Amerikaanse alt-right, de op wit nationalisme gebaseerde politieke subcultuur die onder Donald Trump opbloeit. In Nederland laat Erkenbrand zich erdoor inspireren. Dit extreemrechtse ‘studiegenootschap’ zegt op te komen voor een ‘blank’ Europa.
Op de dag dat Venner zich in de Notre-Dame door het hoofd schiet, heb ik geen weet van dergelijke lijnen en verbanden. Ik vraag me vooral af hoe iemand erbij komt zich het leven te benemen vanwege zoiets als het homohuwelijk.
Zelf heb ik dat leren zien als uitdrukkingsvorm van een onverdroten voortschrijdende moderniteit, waarin minderheden emanciperen en hun rechten opeisen. Dit was geen ontwikkeling die je zomaar kon stuiten, net zomin als je migratie niet zomaar wegdacht. Je kon proberen het een plaats te geven, maar niet stoppen.
Venner was niet de eerste en ook niet de laatste activist die meende dat het vijf voor twaalf is en dat alleen een spectaculaire daad het tij zou kunnen keren. Maar hij was geen teruggetrokken levende zonderling die op een goede dag een bloedbad aanricht. Hij was op leeftijd, genoot gezag in radicaal-rechtse kring en had een weids oeuvre op zijn naam staan. Hij sloeg de hand aan zichzelf, niet aan anderen.
Wel zag Venner zichzelf als een soort kruisridder, strijdend voor het behoud van de westerse cultuur. In het postuum verschenen Un samouraï d’Occident (Een samoerai uit het Westen, 2013) schetste hij het beeld van een krijger in de Japanse aristocratische traditie, gedreven door eer, moed en discipline – concepten waarvan de betekenis in het moderne Europa volgens hem verloren was gegaan.
Uitvoerig stond Venner stil bij de zelfmoord – door harakiri – van de beroemde Japanse schrijver Yukio Mishima (1925-1970), een daad die destijds veel aandacht kreeg, ook in Europa. Centraal in Mishima’s werk stond de spanning tussen de traditie en de idealen van de westerse consumptiesamenleving die zich vanaf de jaren vijftig ook in Japan ontvouwde.
Gealarmeerd door de golf van studentenprotesten van 1968 en de mogelijkheid van linkse radicalisering, probeerde Mishima een staatsgreep te plegen. Het leverde een even bizarre als macabere vertoning op, waarvan de beelden de wereld over gingen.
Eerst verschafte Mishima zich met een viertal adjudanten toegang tot het ministerie van Defensie. Daar zette hij de opperbevelhebber van het Japanse leger in diens eigen kantoor gevangen en sprak hij vanaf het balkon de samen gestroomde soldaten toe. Vervolgens ging hij terug naar binnen en pleegde de rituele zelfmoord, gevolgd door kaishakun, waarbij een van de adjudanten Mishima onthoofdde (en op zijn beurt werd onthoofd door een tweede adjudant).
De schok was groot, maar het haalde niets uit. Het keizerrijk kwam niet weer en ook in Japan ging de transformatie van een traditionele samenleving naar een moderne, industriële samenleving gewoon door.
Dat gaf te denken over Venners daad. Was het Europa zoals hij dat graag zag – wit, traditioneel en viriel – gedoemd, of zou Venner, anders dan Mishima, het tij wél weten te keren?
[…]
© 2024 Marijn Kruk