Tweemaal genoemd als beste boek van 2024 door de recensenten van NRC: Evelyn Rolls Pericallosa. Herinnering aan een verborgen verleden (Pericallosa. Eine deutsche Erinnerung), vertaald door Goverdien Hauth-Grubben! Tijd voor een fragment. Lees nu de eerste pagina’s en koop dat boek!
Evelyn Roll is als sterverslaggever van de Süddeutsche Zeitung al jaren geobsedeerd door de werking van de hersenen en specifiek het geheugen wanneer een slagader in haar brein scheurt: een aneurysma pericallosa. Het is bijna wonderbaarlijk dat ze het overleeft. Haar interesse in de hersenen lijkt bijna voorbestemd. Want het levensgevaarlijke monster in haar hoofd blijkt herinneringen te hebben blootgelegd waar ze jarenlang niet bij kon. Tijdens de operatie die volgt belooft ze zichzelf dan ook plechtig haar eigen levensverhaal, inclusief de onderdrukte leugens, grondig te onderzoeken.
Dit boek is het resultaat: een literair staaltje journalistiek over de werking van het brein, vervlochten met het ongelooflijke verhaal van Roll zelf. Ze ontdekt familiegeheimen zoals het naziverleden van haar beide grootvaders en wordt uiteindelijk opgenomen in een voor haar volstrekt nieuw deel van haar familie van vaderskant, die naar het voormalige Oost-Duitsland was gevlucht. Een ontroerend verhaal van een fenomenale journalist en verteller.
De helse engel
Ik wist het al voordat ik het wist. En ook de pijn was er weer voordat ik doorhad waarom. Buiten schoot met driehonderd kilometer per uur geel-rood-groen-bruin en blauw de herfst voorbij. Binnen, op mijn zitplaats aan het raam in de intercity- expres-sprinter van Neurenberg naar Berlijn, had ik in weerwil van mijn vermoeidheid en de hypnotisch slaapverwekkende geluiden van de trein een onmogelijke eerste zin nogmaals vergeleken met mogelijke eerste zinnen die ook verrassend en waar waren, maar niet zo krankzinnig spectaculair als begin van een boek.
‘Zonder Adolf Hitler zou ik niet op de wereld zijn.’ Met deze zin wilde ik dus beginnen mijn verhaal te vertellen – en met de aanslag op mijn leven. Ik dacht aan mijn eerste snel opgeschreven aantekeningen, waarmee ik had geprobeerd de controle terug te krijgen, dat wat er was gebeurd te categoriseren als een wetenschappelijk verklaarbare, statistische uitschieter en mezelf op die manier gerust te stellen. Contrafobisch verwerkingsgebrabbel was dat, onbruikbare verboden flauwekul, dacht ik. Vertellen over jezelf in de derde persoon reduceert de neurale activiteit in de amygdala en zorgt zo voor de psychologische afstand tot het trauma die noodzakelijk is om te overleven, maar die verder nergens toe dient.
Misschien zat ik voor een beslissing over eerste zinnen ook wel gewoon verkeerd om. De emoties en het denken van een reiziger veranderen afhankelijk van de rijrichting waarin hij of zij zit. Het heeft effect op het brein of het oker-bloedroodherfstgroen- roestbruin-hemelsblauw met driehonderd kilometer per uur op de eigenaar van het brein af raast of van hem weg. Ik heb dat voor het eerst uitgeprobeerd en begrepen op de terugweg uit Polen, aan het einde van de verste reis die ik in mijn leven heb gemaakt. Hoewel Szyp³ów, Sulêcinek en Radlin, de dorpen van mijn voorouders, en ook de provinciestad Jarocin, waar mijn vader is geboren, slechts driehonderdvijftig kilometer verwijderd liggen van mijn veilige schrijfplek in het Berlijnse stadsdeel Charlottenburg.
Trainbrainhack. Op elke treinreis sinds Polen experimenteer ik daarmee als in de coupé genoeg vrije zitplaatsen zijn. Terugkijken naar wat is geweest. Andersom gaan zitten. De blik op wat gaat komen. De zitrichting verandert het voelen en denken.
Treinreizen gaat vooruit, terwijl de reiziger terugkijkt. Roeien ook. Denken, voelen en vertellen doen dat sowieso. Schrijven functioneert altijd alleen voorwaarts, ook al ligt het verhaal dat wordt verteld in het verleden.
Alleen de oude Eurocity’s die op het traject Warschau-Berlijn worden ingezet hebben in het laatste rijtuig een achterraam. Je kunt daar voor gaan staan, de toekomst tegemoet razen en ondertussen toekijken hoe de parallelle spoorstaven elkaar in het oneindige snijden, in het oneindige van het verleden. Herinneren is terugdenken. Een terugdenken dat de mens die zich herinnert verder brengt. ‘Het leven wordt voorwaarts geleefd en achterwaarts begrepen.’ Kierkegaard.
Overal in Europa zijn het dezelfde spoorwegen, dezelfde spoorstaven, de oude route, de altijd eendere dof geruststellende spoorweggeluiden. Raaktaktak. Raaktaktak. Raaktaktak. Wat is de trein toch een verschrikkelijk vervoermiddel geweest toen Polen werd binnengevallen. Naar het oosten reisden soldaten, wapens, voertuigen, munitie, proviand en verbandmateriaal. Hele wagons vol pilotenzout en Göring-pillen, met pervitine, het uithoudings-crystal meth voor het Duitse onoverwinnelijkheidsgevoel, ter activering van de moordwaan, tegen de uitputting, tegen de angst en ter verlaging van alle drempels.
Terug naar het westen, naar het Duitse Rijk, transporteerden de treinen alles wat er in de overvallen steden en dorpen maar geroofd en geplunderd kon worden. Terug komen aanvankelijk nog doodskisten, later alleen nog de identiteitsplaatjes van de dode soldaten. Of helemaal niets. Terug reizen door valse beloftes aangelokte of met geweld gedeporteerde werkslaven. Dan staat in de dienstregeling ‘Speciale trein voor het vervoer van werknemers’. Terug komen lazarettreinen. Gewonden die vreselijke dingen hebben meegemaakt, gedaan en gezien. Zwaargewonden, geamputeerden, die in hun morfinekoorts de hoofdconducteur van de Reichsbahn – mijn grootvader dus – gruwelijke dingen toevertrouwen en jammeren als kinderen. Terug komen verlofgangers, uiterlijk ongedeerd gebleven maar zwaar getraumatiseerde mannen, die zonder meetbare koorts over onbegrijpelijke dingen berichten in korte honende of lange verbitterde zinnen. Partizanen neerknallen. Massa-executies. Gaskamers in de kampen. Moordpartijen en geweldsorgieën zonder enige soldateneer. Ze hebben bij een vrouw de vulva eruit gesneden en op een schuurdeur gespijkerd terwijl die vrouw het uitgilde, toekeek en doodbloedde.
Mijn grootvader weet allang alles. En wil niets weten. En mag niets weten. En weet niets. Was hij radeloos en eenzaam met wat hij wist? Hij geloofde allang niet meer in het nationaalsocialisme toen je grootmoeder nog met Adolf Hitler dweepte, zeggen degenen die hem hebben gekend. Zijn ogen begonnen te stralen als hij vertelde over het neerknallen van Polen, zeggen anderen die hem ook hebben gekend.
Mijn grootvader kent de dienstregelingen en documenten waarop ‘Speciale trein voor evacués’ staat. Hij ziet dat deze evacués met de op hun kleding genaaide gele sterren in wagons reizen die vanbuiten zijn afgesloten. Niemand mag uitstappen. Niemand keert terug.
Terug naar het westen komen dozen en emmers gevuld met gouden vullingen die uit de kaken van de vermoorden zijn gebroken en nu bestemd zijn voor het chemieconcern Degussa. Heim ins Reich reizen sieraden en kostbaarheden. Wagons vol zakken met mensenhaar. De Reichsbahn mag de zakken overnemen tegen een gunstige prijs, een halve rijksmark voor één kilo mensenhaar. Hiervan worden kousen gemaakt. Kousen voor de spoorwegmedewerkers.
Zou mijn grootvader kousen van mensenhaar hebben gedragen? Heeft hij deportatietreinen naar Auschwitz begeleid? Ik weet het niet. Ik kan het hem niet vragen. Mijn grootvader leeft niet meer. Er leeft niemand meer die het me kan vertellen, niemand die het me wil vertellen. Er zijn zo veel papieren en dienstregelingen vernietigd. Alfred Gottwaldt, de grote spoorweghistoricus, is overleden. De Deutsche Bahn heeft zijn nalatenschap geërfd en toegankelijk gemaakt. Werkroosters van lager spoorwegpersoneel hebben ze ook daar niet gevonden.
Toen mijn ouders in 1951 trouwden – met de wind in de rug, zoals men dat toen noemde, omdat mijn broer al op komst was – schreven ze bij ‘vader van de echtgenoot’ niet ‘hoofdconducteur van de Deutsche Reichsbahn’ op de huwelijksakte, maar ‘boer’. Waarom?
Ook dat zal ik misschien niet meer kunnen achterhalen. Het blijven proberen is zo zinloos en vermoeiend. De geluiden van de trein zijn zo bedrieglijk onschuldig, geruststellend en slaapverwekkend. Raaktaktak. Raaktaktak. Raaktaktak.
‘Guben,’ roept mijn grootvader door de luidspreker van het station. ‘De volgende duizend naar de hel, alstublieft...’
‘Sie war das allerschönste Kind, das man in Polen find...’ Jonge mannen in hun confectiepakken voor moordenaars en doodskandidaten brullen om adrenaline op te wekken en hordenmoed te verzamelen, die ze zo dringend nodig hebben voor hun reis naar het slachthuis.
‘Aber nein, aber nein, sprach sie, ich küsse nie...’ Een mager bleek meisje heeft haar handen door de met prikkeldraad afgesloten opening van een veewagon gestoken. Mijn grootvader reikt haar zijn waterkan aan. Het meisje drinkt, gretig en dankbaar, met haar ogen dicht.
Drie mannen die iets verderop in hun zwarte ss-uniformen van Hugo Boss op het perron staan kijken elkaar aan; nadrukkelijk nonchalant nemen ze met zachte lippen een trekje van hun sigaretten. Vervolgens trappen ze de peuken uit. Langzaam, als in een simultane choreografie en in slow motion, richten ze hun aan een leren schouderband hangende machinepistolen op mijn grootvader en schieten dan voor zijn voeten in het perron. Steensplinters spatten in het rond. Mijn grootvader danst. Lang en mager.
[…]
© 2023 Droemer HC. Een imprint van Verlagsgruppe Droemer Knaur GmbH & Co. KG, München
© 2024 Nederlandse vertaling Goverdien Hauth-Grubben