Leesfragment: Uitgewist

01 april 2024, door Sasja Filipenko

4 april verschijnt de nieuwe roman van Sasja Filipenko, Uitgewist (Красный крест), vertaald uit het Russisch door Arie van der Ent. Wij publiceren voor. Lees een fragment en bestel het boek.

  • ‘Een tour de force. Een boek vol rumoer en woede, maar ook grootsheid en zachtheid.’ – Le Figaro

Moskou, 1941. Rusland is al in oorlog met nazi-Duitsland, maar de waanzin van de stalinistische zuiveringen woedt nog steeds. Tatjana Aleksejevna is een jonge secretaresse op het ministerie van Buitenlandse Zaken; ze heeft een dochtertje en haar man is opgepakt. Op haar bureau ligt een brief die moet worden vertaald, namelijk een lijst van het Rode Kruis met Russische krijgsgevangenen in Roemenië. Op die lijst staat de naam van haar man. Een dubbele schok: opluchting, want hij leeft! En afgrijzen, omdat ze weet dat krijgsgevangenen en hun families als verraders worden vervolgd en naar de Goelag worden gestuurd. Dan neemt ze een beslissing die haar nog tientallen jaren zal achtervolgen.

Zestig jaar later vertelt Tatjana haar levensverhaal aan haar nieuwe buurman Aleksandr, een jonge man wiens leven bruut in tweeën is gescheurd. Tussen de twee ontstaat geleidelijk een onverwachte vriendschap, die tegelijkertijd een verbond is tegen het vergeten.



 

Als de handtekening is gezet, zegt de vrouw, een zonderling zoals elke verkoper van onroerend goed: ‘Gefeliciteerd! Ik ben heel blij voor u. U doet zo somber, maar dat is nergens voor nodig! Ik heb u het beste object gegeven wat prijs-kwaliteitverhouding betreft.’

De makelaar haalt haar lipstick uit haar tasje en gaat met haar diepe stem verder, zonder aandacht aan de inmiddels ex-eigenaar te schenken: ‘Wij zitten zogezegd in een win-winsituatie. Trouwens, met wie wilt u hier gaan wonen?’
‘Met mijn dochtertje,’ zeg ik, terwijl ik naar het kleuterschooltje op de binnenplaats kijk.
‘Hoe oud is die?’
‘Drie maanden.’
‘Wat geweldig! Een jong gezin. Gelooft u mij, u zult me nog dankbaar zijn.’
‘Waarvoor?’
‘Dan vraagt u nog waarvoor?! Dat heb ik u verteld! Wat bent u toch verstrooid. U hebt maar één buurvrouw. En dat is een eenzame oude vrouw van negentig, met alzheimer. Dit is echt de jackpot. Gewoon vrienden worden en de woning op uw naam laten zetten.’
‘Dank u,’ zeg ik om de een of andere reden, zonder op te kijken.
De flat is leeg. Geen stoel, geen bed, geen tafel. Ik rommel wat in mijn tas. De oude eigenares weet van geen weggaan. De vrouw staat bij het raam, in de tredmolen van haar herinneringen, en strijkt over de verfplooien in de vensterbank, alsof ze de was staat te strijken. Vergeefs, ik ga de hele boel hier toch veranderen.
‘Blijft u vandaag alleen?’
‘Ja.’
‘Waar slaapt u dan?’
‘Ik heb een slaapzak bij me, en een waterkoker…’
‘Als u wilt, kunt u wel bij mij slapen.’
‘Nee, dank u.’

De makelaar geeft zich gewonnen. Ik ben te jong voor haar. Ze voert de voormalige vrouw des huizes aan een elleboog mee en verlaat eindelijk de flat. Alleen achtergebleven ga ik op de grond zitten.
Klaar, denk ik, doek. Het leven is afgelopen, het leven begint opnieuw. Het transcendente nulpunt. Op mijn dertigste heb ik een levenslot dat in tweeën is gescheurd. Ik krijg het aanbod het nog eens te proberen. Ik weet daar niets tegen in te brengen. Zelfmoord is niets voor mij; bovendien heb ik nu een dochter.
Ik ga vast vergeten waar ik die avond met mijn gedachten ben. In mijn hoofd hangt een mist, in het binnenvallende licht walst het stof. Verder is hier helemaal niets. Een uurtje op adem komen en dan de volgende poging tot leven. Het eerste verhaal is afgelopen, het tweede staat op het punt te beginnen. Een afgrond en een hangbrug, in de gedaante van een mens. Om de andere oever te bereiken, moet hij zichzelf over de kloof heen slaan. Geluk heeft altijd een verleden, zegt mijn moeder graag, elk verdriet vindt onherroepelijk een toekomst.
Als een aangespoelde schipbreukeling besluit ik het onbekende eiland te verkennen. Minsk. Waarom ben ik eigenlijk hierheen gekomen? Het mag dan een broedervolk zijn, het is toch een vreemd land. Een rode, katholieke kerk en een brede avenue, een of andere kalende dichter en de doodkist van het Republikeins Paleis. Tientallen flatgebouwen en niet één herinnering. Onbekende ramen, vreemde gezichten. Wat is dit eigenlijk voor een land? Wat weet ik van deze stad? Mijn moeder heeft er haar tweede gezin.

Voor de portiek ligt een hoopje afgedankte boeken. Ik bekijk er een. Jakoeb Kolas. Novaja zjamlja.
Terug op de derde verdieping zie ik op mijn buitendeur een rood kruis staan. Even klein als opvallend. Zeker een grapje van de makelaar, denk ik. Ik laat mijn plastic tassen bij de lift staan en begin het kruis weg te vegen, maar op dat moment zegt een onbekende stem achter mijn rug: ‘Wat doet u nu?!’
‘Ik maak mijn deur schoon,’ zeg ik, zonder me om te draaien.
‘Waarom?’
‘Een of andere hufter heeft er een kruis op gekalkt.’
‘Aangenaam kennis te maken! Die hufter van u, dat ben ik. Onlangs is bij mij de ziekte van Alzheimer vastgesteld. Vooralsnog heeft alleen mijn kortetermijngeheugen eronder te lijden; soms weet ik niet meer wat mij een paar minuten eerder is overkomen, maar de dokter belooft dat heel binnenkort ook mijn spraak wordt aangetast. Ik zal woorden gaan vergeten, en daarna verlies ik mijn vermogen om me voort te bewegen. Aardig vooruitzicht, niet? Die kruisen heb ik hier aangebracht zodat ik de weg naar huis kan vinden. Trouwens, alles wijst erop dat ik heel gauw vergeten zal zijn waar ze voor staan.’
‘Wat erg voor u,’ zeg ik, in een poging beleefd te zijn.
‘Hou op, zeg! In mijn geval moest het zo wel aflopen.’
‘Waarom dan?’
‘Omdat God bang voor me is. Er wachten hem te veel ongemakkelijke vragen.’

Buurvrouw leunt op haar stok en slaakt een diepe zucht. Ik zwijg. God is wel de laatste over wie ik het nu wil hebben. Ik wens de oude vrouw een goede nachtrust, pak mijn plastic tassen met etenswaren op en maak aanstalten om mijn flat binnen te stappen.
‘Wat nu, stelt u zich niet eens even voor?’
‘Aleksandr, ik ben Aleksandr.’
‘Praat u altijd met uw rug tegen vrouwen?’
‘Sorry. Ik ben Sasja, en dit is mijn gezicht. Tot ziens!’ zeg ik, met een gespeelde glimlach.
‘Dus wie ik ben kan u niet schelen?’

Nee. Dat kan mij niet schelen. Wat is dat voor een opdringerig oud mens?! Wat wil ze eigenlijk van me?

[…]

 

© 2020 Diogenes Verlag AG Zürich. All Rights reserved
© 2021 Nederlandse vertaling Arie van der Ent

Wil je van je bestaande account gebruikmaken op onze nieuwe website? Je behoudt dan onder meer je bestelgeschiedenis, reeds aangeschafte e-books en je persoonlijke verlanglijst. Als je toestemming geeft krijg je direct een mail om een nieuw wachtwoord in te stellen.

Voer een geldig e-mailadres in

Hostname: pro-mbooks3