20 september verschijnt het nieuwe boek van Wytske Versteeg, Waar. Over de kunst van het (niet) weten, een urgente zoektocht naar de kunst van het weten, en 26 september wordt het gepresenteerd bij Athenaeum Boekhandel Spui! Wij publiceren voor. Lees een fragment en bestel vast je boek!
Hoe weet je dat ik niet lieg? Er wordt vaak gezegd dat waarheid er in deze tijd niet meer toe doet, dat feiten hebben plaatsgemaakt voor meningen. Maar hoe bepaal je eigenlijk wat echt waar is? Wat is ervoor nodig om van gedachten te veranderen? En wat als het zinnetje ‘dat is jouw waarheid’ niet het eind van de discussie is, maar het begin van een gesprek?
Waar is een persoonlijke zoektocht naar de kunst van het (nog niet) weten, langs de poreuze grenzen tussen waarheid, waarneming en verbeelding. De duizelingwekkende reis voert langs wetenschappers en mediums, dichters en oplichters, kunstenaars en leugenaars. Werkelijkheid blijkt altijd ook een kwestie van vertrouwen. Hoe blijf je zoeken naar zachtheid terwijl de wereld verhardt? En als geen enkele wereldkaart helemaal klopt, hoe vind je dan de weg?
De waarheid in de put:
een terreinverkenning
Een eerste verkenning van een woord dat de hele wereld bevat. Waarom wetenschap helemaal niet ‘zomaar een mening’ is – en ook niet zo wordt gezien. Waarin we ontdekken dat zelfs duivels niet zonder eerlijkheid kunnen, terwijl wij niet kunnen leven zonder de kunst van het liegen – en wie wij eigenlijk zijn. Hoe sommige onwaarheden zichzelf verwerkelijken. Het belang van de beginnersgeest, welke vraag je moet stellen voordat een feit een feit wordt en of je opzij moet springen voor die aanstormende kar.
Hoe weet je dat ik niet lieg?
Als dit geen boek was en we tegenover elkaar aan tafel zouden zitten, dan zou je misschien opkijken om mijn gezicht beter te kunnen zien als ik je deze vraag stel. Zijn er tekenen die wijzen op angst voor ontmaskering? Kijk ik je recht aan of ontwijk ik je blik? Zit ik stil of frutsel ik zenuwachtig met mijn handen? Je zou luisteren naar de manier waarop mijn stem klinkt, proberen te horen of ik sneller praat dan ik normaal zou doen en letten op de woorden die ik gebruik. Onbewust zou je teruggrijpen op wat je denkt te weten over leugenaars, of op je eigen intuïtie. Die kennis zou je vermoedelijk niet helpen, want het is moeilijk om erachter te komen of iemand de waarheid spreekt. Je zult, bijvoorbeeld, geneigd zijn om je eigen gewoontes op mij te projecteren. Als jij je blik afwendt wanneer je liegt, zul je mij ook eerder van leugenachtigheid verdenken wanneer ik je niet aankijk – maar misschien vind ik het altijd wel moeilijk om oogcontact te maken. Je zou me moeten kennen, weten hoe ik gewoonlijk overkom om te beoordelen of mijn gedrag daar nu van afwijkt – en zelfs dan zou je niet weten of ik onzeker ben omdat ik een leugen vertel, of gewoon omdat ik bang ben dat je me niet gelooft. Maar je zou pas zo goed kijken nadat ik je deze vraag had gesteld.
Hoewel we onszelf graag als kritisch zien, zijn de meeste mensen goedgelovig. Vertrouwen in een gedeelde waarheid is cruciaal om in groepen te kunnen leven; het vormt de bodem onder ons gezamenlijk bestaan. Dat verkleint de kans dat je je zomaar vanuit het niets zou afvragen of ik lieg, maar misschien was je al op je hoede, had je een reden om me vooraf te wantrouwen. Omdat ik er in jouw ogen onbetrouwbaar uitzie, omdat ik je al eens eerder had bedrogen of omdat je schrijvers per definitie niet vertrouwt. Dat laatste is niet per se onterecht: het schrijven van een roman wordt vaak vergeleken met het overtuigend vertellen van een lange leugen. Als dat waar is zijn alle schrijvers professionele leugenaars, maar het klassieke excuus van de kunstenaar is dat de waarheid zich juist in die leugen verschuilt. Schrijvers zijn net zo eerlijk als goochelaars: ze vertellen je dat ze je zullen bedriegen en doen vervolgens precies dat. Desondanks stellen lezers altijd opnieuw dezelfde vraag: is het waargebeurd?
Jaren geleden schreef ik een proefschrift over de manier waarop we onderhandelen over wat waar is, wat telt als echte kennis en wat als onzin terzijde kan worden geschoven. Het beginpunt voor wat later mijn proefschrift zou worden was een zinnetje dat je vaak in de krantenkoppen leest: dat wetenschap tegenwoordig ook maar een mening is, dat waarheid er niet meer toe doet. Het is ironisch dat dat zinnetje zo vaak wordt herhaald, want het is niet per se waar – de werkelijkheid is in elk geval een stuk complexer. Wetenschappers behoren nog steeds tot de meest vertrouwde professionals. Daarbij maakt het wel uit over welk type wetenschappers je het hebt – politicologen (zoals ik) genieten bijvoorbeeld vaak juist weinig vertrouwen en hetzelfde geldt voor economen. Het hangt er ook van af met wie je praat: welk type wetenschap je wel of niet vertrouwt, valt niet altijd los te zien van politieke voorkeur. Maar uit een peiling uit 2015 blijkt dat zo’n 90 procent van het ondervraagde publiek verwacht dat wetenschappers alle relevante regels volgen. Dat is aanzienlijk meer dan wetenschappers zelf denken. Sterker nog, in een onderzoek onder economen gaf maar liefst 94 procent toe minimaal één keer de ethische regels van het wetenschappelijk bedrijf te hebben overtreden, bijvoorbeeld door resultaten op ‘strategische wijze’ te analyseren. Niet alleen heeft het publiek dus gemiddeld veel vertrouwen in de wetenschap, maar het heeft zelfs meer vertrouwen dan veel wetenschappers zelf. Anders dan vaak wordt gedacht leidde ook de coronapandemie voor de meeste mensen tot een stijging van vertrouwen in de wetenschap. En zelfs wie geen vertrouwen heeft in wetenschappers vertrouwt vaak wel op de wetenschap als ideaal. Wetenschappelijke resultaten zijn in onze complexe, bureaucratische en onpersoonlijke samenleving een belangrijk argument, dus juist iemand die zich door diezelfde samenleving in de steek gelaten voelt, kan die machtige wetenschappelijke organisaties gemakkelijk gaan wantrouwen. Maar diezelfde persoon kan zijn hoop tegelijkertijd juist wél vestigen op het ideaal van de wetenschappelijke methode, op wetenschap als roeping in plaats van beroep. Want dat ideaal blijft een van onze belangrijkste instrumenten om de wereld beter te begrijpen, om orde te scheppen in alles wat chaotisch lijkt.
Er is namelijk nog iets waaraan je kunt zien dat wetenschap helemaal niet wordt beschouwd als zomaar een mening: we verwijzen er voortdurend naar. Juist groepen die als antiwetenschappelijk beschouwd worden, zoals complotdenkers of ouders die hun kinderen niet willen laten vaccineren, hameren op de noodzaak van kritisch denken en ruwe data. Het staat in grote letters op het protestbord van woedende boeren: we willen feiten, geen oneerlijke verwijten. Zo wordt de symboliek van wetenschap voortdurend ingezet om standpunten te verdedigen, discussies te winnen en anderen te overtroeven. Dat is natuurlijk niet hetzelfde als daadwerkelijk wetenschappelijk denken, maar we zouden niet zo vaak naar de wetenschap verwijzen als die geen gezag meer had. Feiten overtuigen niet per se – ook daarover bestaat meer dan genoeg onderzoek – maar dat we ze zo graag aanhalen zegt iets over het belang dat we eraan hechten. Tijdens mijn onderzoek kreeg ik soms zelfs de indruk dat er alleen nog een soort semiwetenschappelijke taal overgebleven was: alsof de vraag wat ertoe deed, bijna geheel was vervangen door discussies over wat al dan niet een feit was. Zo stuitte ik op een debat waarin een rabbijn en een bekende neurowetenschapper tegenover elkaar stonden. Nadat de wetenschapper het geloof van de rabbi weinig respectvol had afgedaan als een epileptische aanval, ging het gesprek over op het ontstaan van de wereld. ‘De Big Bang,’ riep de rabbijn getergd uit, ‘is totaal onwetenschappelijk!’
Toen mijn proefschrift eenmaal af was en ik de resultaten van het onderzoek aan anderen uitlegde, merkte ik iets geks. Vaker wel dan niet vatte de persoon tegenover me mijn woorden samen op een manier die exact tegenovergesteld was aan wat ik net had beschreven en herhaalde nog maar eens hoe treurig het gesteld was met het aanzien van de wetenschap. Misschien was mijn uitleg niet helder genoeg of trof ik toevallig alleen mensen die niet konden luisteren. Maar het is waarschijnlijker dat mijn conclusies zo sterk afweken van het wereldbeeld van de ander dat hij ze simpelweg niet kon horen of in elk geval niet kon aannemen.
[…]
Copyright © 2024 Wytske Versteeg