26 september verschijnt Édouard Levé’s Zelfportret (Autoportrait), vertaald uit het Frans door Katrien Vandenberghe! Wij publiceren voor. Lees een fragment en bestel vast je boek!
In dit briljante en ontnuchterende zelfportret verbergt Édouard Levé niets voor zijn lezers en schetst hij, min of meer willekeurig, zijn hele leven. Zelfportret is een fysieke, psychologische, seksuele, politieke en filosofische triomf. Naast ‘oprechtheid’ streeft Levé naar een objectiviteit die zo radicaal is dat deze zou kunnen doorgaan voor grofheid, trivialiteit en zelfs banaliteit – de auteur heeft zichzelf blootgelegd. Levés boek lijkt in eerste instantie een autobiografie zonder sentiment, alsof het door een machine is geschreven, totdat we door de opeenstapeling van details en de droge, spottende toon merken dat we ontwapend zijn, geboeid en verrukt door niets minder dan de perfecte fictie… die geheel uit feiten is opgebouwd.
Édouard Levé (1965-2007) was een veelzijdige kunstenaar in de traditie van het conceptualisme. Hij debuteerde met Oeuvres (2002), dat minutieuze beschrijvingen bevat van 533 niet-verwezenlijkte installatie- en performanceprojecten. Zelfportret verscheen oorspronkelijk in 2005.
Als puber dacht ik dat Het leven een gebruiksaanwijzing me zou helpen met leven en Suïcide gebruiksaanwijzing met sterven. Ik heb drie jaar en drie maanden in het buitenland doorgebracht. Ik kijk liever naar links. Ontrouw brengt een vriend van me tot hoogtepunten. Het einde van een reis bezorgt me dezelfde tristesse als het einde van een roman. Ik vergeet wat me tegenstaat. Onbewust heb ik misschien gesproken met iemand die iemand heeft gedood. Ik kijk in steegjes. Wat er na het leven komt, beangstigt me niet. Ik luister maar half naar wat me gezegd wordt. Het verbaast me dat mensen me een bijnaam geven terwijl ze me nauwelijks kennen. Als iemand me onheus behandelt, heb ik dat pas laat door, zo bevreemdend is het voor mij om dat mee te maken – het kwaad heeft iets onwerkelijks. Ik archiveer. Ik sprak op mijn tweede met Salvador Dalí. Rivaliteit stimuleert me niet. Het zou me meer tijd kosten mijn leven nauwgezet te beschrijven dan het te leven. Ik vraag me af of ik met de jaren reactionair zal worden. Als ik met blote benen op skai zit, glijdt mijn huid niet, ze piept. Ik heb twee vrouwen bedrogen, ik heb het hun verteld, de ene bleef er onverschillig onder, de andere niet. Ik scherts met de dood. Ik houd niet van mezelf. Ik haat mezelf niet. Ik vergeet niet te vergeten. Ik denk niet dat Satan bestaat. Ik heb een blanco strafblad. De seizoenen zouden van mij een week mogen duren. Ik verveel me liever alleen dan met z’n tweeën. Ik been door lege plekken en lunch in desolate restaurants. Op voedingsgebied verkies ik hartig boven zoet, rauw boven niet-rauw, hard boven zacht, koud boven warm, gearomatiseerd boven geurloos. Ik kan niet rustig schrijven als ik geen eten in de koelkast heb. Ik kan makkelijk zonder drank en tabak. In het buitenland durf ik niet goed te lachen als de persoon met wie ik praat boert tijdens het gesprek. Ik merk grijze haren op bij mensen die er de leeftijd niet voor hebben. Ik kan beter geen medische vakboeken lezen en zeker geen passages waarin de symptomen van bepaalde ziektes beschreven staan – naarmate ik het bestaan ervan ontdek, zie ik ze in mij voortwoekeren. Oorlog lijkt me zo onwerkelijk dat ik me moeilijk kan voorstellen dat mijn vader erin meevocht. Ik heb een man gezien bij wie de linkerkant van het gezicht iets anders uitdrukte dan de rechterhelft. Ik weet niet zeker of ik wel van New York houd. Ik zeg niet ‘a is beter dan b’ maar ‘ik verkies a boven b’. Ik ben altijd aan het vergelijken. Als ik terugkeer van een reis, is het beste moment niet het betreden van de luchthaven en ook niet de thuiskomst, maar de taxirit daartussen: het is nog reizen, maar niet meer helemaal. Ik zing vals, dus ik zing niet. Omdat ik grappig ben, denken de mensen dat ik gelukkig ben. Ik hoop dat ik nooit een oor vind in een weiland. Ik houd niet méér van woorden dan van een hamer of een schroef. Ik ken de groene jongens niet. In Engelstalige landen lees ik sale op winkelramen als het Franse woord voor ‘vuil’. Ik kan niet slapen naast iemand die snurkt, zwaar ademt, niet stilligt en de lakens naar zich toe trekt. Ik kan slapen in omhelzing met iemand die stilligt. Ik had het idee voor een Droommuseum. Om redenen van taalgemak ben ik geneigd mensen die geen vrienden zijn toch ‘vrienden’ te noemen, ik vind geen ander woord voor kennissen die ik graag mag, maar met wie ik geen speciale band heb. Achteruitzittend in de trein zie ik de dingen niet komen, maar gaan. Ik regel mijn pensioen niet. Ik denk dat het beste deel van een sok het gat is. Ik let niet op mijn banksaldo. Mijn banksaldo is zelden negatief. Het nulnummer, Shoah, Mobutu roi du Zaïre, Titicut Follies, La Conquête de Clichy en Emergency Room maakten diepere indruk op me dan de beste speelfilms. De door Jean-Marc Chapoulie vertoonde readymadefilms maakten me meer aan het lachen dan de beste komedies. Ik heb één zelfmoordpoging gedaan en op de rand van vier zelfmoordpogingen gestaan. Het verre gebrom van een grasmaaier in de zomer roept mooie herinneringen op aan mijn jeugd. Ik heb moeite met weggooien. Een van mijn overgrootmoeders was behept met bewaarwoede, na haar dood is een schoenendoos gevonden met een etiket waarop in keurig schoonschrift stond: ‘Kleine stukjes touw zonder nut’. Ik denk niet dat de wijsheid van de wijzen verloren zal gaan. Ik heb plannen gehad voor een museum-boek over dialectteksten waarin handgeschreven berichten van onbekenden zouden worden gekopieerd en geordend op soort: advertenties voor vermiste dieren, argumenten onder de ruitenwisser aan het adres van de parkeerwacht om geen parkeergeld te betalen, spontane getuigenoproepen, mededeling van wijziging van eigenaar, kantoorberichten, huishoudelijke berichten, berichten aan jezelf. Bij het luisteren naar een bejaarde die me zijn levensverhaal vertelde, heb ik gedacht: die man is een museum van zichzelf. Bij het horen praten van de zoon van een Amerikaanse zwarte militant en een Franse sociologe heb ik gedacht: die man is een readymade. Bij het zien van een lijkbleke man heb ik gedacht: hij is een schim van zichzelf. Mijn ouders gingen elke vrijdagavond naar de bioscoop tot ze een televisie hadden. Ik houd van het franke geluid van een papieren tas, maar niet van het geritsel van een plastic tas. Ik heb weleens een vrucht van de tak horen, maar nooit zien vallen. Eigennamen boeien me omdat ik niet weet wat ze betekenen. Ik heb een vriend die, als hij thuis een etentje geeft, geen schotels op tafel zet maar zijn gasten opgemaakte borden serveert zoals in het restaurant, dus nog eens opscheppen is er niet bij. Ik heb meerdere jaren zonder sociale bescherming geleefd. Soms voel ik me minder op mijn gemak bij iemand die aardig is dan bij iemand die gemeen is. Mijn slechte reiservaringen zijn leuker om te vertellen dan mijn goede.
[…]
Copyright © P.O.L Éditeur, 2013
Copyright Nederlandse vertaling © 2024 Katrien Vandenberghe