Genomineerd voor de Jan Hanlo Essayprijs 2025: Meredith Greer, Bedenktijd! Lees nu een fragment en koop dat boek.
Wat gebeurt er met de verliezen die we liever vergeten en het verdriet dat niemand ziet? Meredith Greer ondergaat in complete isolatie een abortus. Te midden van een orkaan vol rouw, woede en verdriet begint ze te schrijven. Ze raakt gefascineerd door de magische, vervreemdende en verwoestende effecten van liminaliteit. Haar onderzoek naar onderwerpen als onzichtbaarheid, de verbeelding van verdriet en de onvermijdelijkheid van vergeten, verweeft ze met poëzie, proza en rauwe herinneringen.
Het resultaat is een ingenieus boek waarin Greer de grenzen tussen genres tart en de mogelijkheden van de taal probeert op te rekken waar die tekortschiet. In de traditie van Susan Sontag, Olivia Laing en Claudia Rankine schept Greer met Bedenktijd een besef van wat het is om mens te zijn en vast te zitten in een tussentijd.
Het tussenin van de afgebroken zin. De restschade van de interruptie. Het opgedrongen, ongevraagde gedachtestreepje midden in een lettergreep, waar je ademhaling een seconde aan blijft haken. De tekstwolk die op de vloer blijft liggen nadat je in de rede bent gevallen, die nooit meer ongewijzigd kan aankomen.
Doorpraten na een interruptie vervormt je woorden. Geeft ze scherpe randen die er eerder niet waren, nu het gesprek waarin je zin begon, veranderd is in een confrontatie. Je woorden inslikken lukt nooit meer volledig; de andere helft ligt al op de vloer. En accepteren dat je genegeerd wordt, is iets anders dan je mond houden. Zachtjes je zin afmaken terwijl er niet naar je geluisterd wordt verandert weinig. Waartoe richt je een zin, wanneer je weet dat die niet aan zal komen?
*
Het oneindige tussenin van de tijdlijn die geen route blijkt te zijn, maar een loopband. Wat een online labyrint van verhalen had moeten zijn, vol verdwaalbare vertakkingen, is nu alleen nog een infinite scroll. Je hoofd wordt constant gevoed met het volgende, maar nooit bevredigd met iets uitlezen, afmaken of eindigen. Je vergeet wat je zag of las zodra je je scherm ververst. Niets beklijft. De hypnose van kleine beetjes en altijd het volgende, om de hoek misschien het ding waardoor het eindelijk genoeg is. (Het is nooit genoeg.)
*
Het tussenin van de stationshal, de plek waar niemand is om te blijven. Iedereen die in het bezit is van een eindpunt is actief bezig met weggaan, of met wachten tot ze weg kunnen gaan. Dus alles wat er te koop is, wordt verkocht om met je mee te gaan. Je kunt er op een bankje zitten, de duiven gezelschap houden, en zien hoe hele dorpen, steden en samenlevingen aan je voorbijtrekken zonder een stap te hoeven zetten. Je vangt er glimpen op van levens die je aan kunt proberen, om te zien of ze zouden passen. In je achterhoofd weet je dat je op ieder moment je laatste zakgeld uit zou kunnen geven aan een kaartje naar Parijs. Antwerpen. Brussel. Berlijn. Londen. Je zou in kunnen stappen, in slaap kunnen vallen, om wakker te worden in Praag. Er is maar een reden om in een stationshal te blijven. Dat je niet naar huis wil of kan, maar ook niet weet waar je anders terechtkunt.
*
Het tussenin van de ongenomen beslissing. De verlammende splitsing waarin alle vertakkingen nog voor je liggen, en je denkt de gevolgen te kunnen overzien vanuit de plek waar je op dat moment staat. (Dat kun je niet.) Het zit niet zozeer in de beslissingen waar je niet bij stilstaat, die oneindig echoën en doorklinken in de gebeurtenissen die erop volgen. Het tussenin zit in het moment dat je voor een expliciete keuze staat, waarbij orkanen, lawines en schipbreuken maar drie stappen van je verwijderd lijken. De invloed van iedere beweging lijkt kolossaal, grotesk; je gooit blind een hengel in de toekomst, en bent visser en regenworm tegelijk.
Geen enkele uitkomst die je je kunt voorstellen – of het nou een snelle schets is, een gedetailleerde blauwdruk of een onnodig complex mozaïek – is op dat moment eigenlijk werkelijk meer dan fictie. Maar tijdens het tussenin van de ongenomen beslissing zijn ze allemaal mogelijk. Tegelijk. Oneindig.
Het is een straat waar je iedere dag langs kunt fietsen. Waar je honderden keren langs bent gelopen, zonder te weten wat hier zit. Naast een vergrendelde deur van gewapend staal met een klein slagvast kijkglas hangt een plakkaat. De naam van de stichting staat niet voluit geschreven, alleen een afkorting. Wie ervoor komt, weet het te vinden.
Je hebt je moed verzameld. Hebt er gisteren speciaal kleren voor gekocht en meegenomen – een pyjamashirt, een yogabroek, slippers – die je hierna kunt weggooien.
Je moet aanbellen, een vrouw van middelbare leeftijd zegt dat je in de gang moet wachten. Er staan bordjes met symbolen: één persoon tegelijk naar binnen, niemand mag mee. Regels zijn regels. Ze blijft op een onnatuurlijke afstand van je staan. De afstand waar iedereen aan probeert te wennen, alsof je een afkeer van elkaar hebt. Zij weet dat jij weet dat zij er ook niets aan kan doen.
Eerst je handen onder een machine aan de muur, een mechanisch pompje dat zachtjes een toefje desinfecterend schuim uitdeelt. Verse blauwe plastic handschoenen uit een doos op een klaptafel, die in de hal tussen jullie in staat. De vrouw pakt een plastic kapje uit een andere doos, en doet die op het tuitje van een thermometer. Ze legt hem op de tafel en stapt weer naar achter. Je houdt hem ongemakkelijk in je ene oor. Piep. En daarna de andere. Piep. Je lichaamstemperatuur is 37,8 graden. Er is wat verwarring, de vrouw vraagt of je zeker weet dat je geen klachten hebt. Goed, vooruit.
Je mag achter haar aan de trap op lopen, en de hoek om naar de tweede stalen deur. Een dikke deur met veiligheidsglas – een dik raster ijzerdraad. De vrouw houdt haar kaartje voor de sensor, de sloten klikken open. Je mag een nieuwe gang in voor je in de wachtkamer komt. Aan de muren hangen levensgrote portretten van vrouwen; verschillende etnische achtergronden, kledingstijlen en leeftijden. Ze kijken tegen de zon in naar de camera, de koude wind op hun wangen. Kennelijk zijn ze opgelucht. Krachtig. Vrij. Muren vol goede bedoelingen die hun zinnen niet afmaken.
De wachtkamer om de hoek zit vol vrouwen die elkaar nadrukkelijk niet aankijken. Allemaal alleen. Samen ben je een wij waar niemand onderdeel van uit wil maken. Een gedateerd interieur. Brochures, tijdschriften en plastic planten. Een koffieautomaat. Achter de balie van de receptie wordt druk overlegd. De huid van je lippen voelt als een korst. Je mocht de afgelopen vierentwintig uur niets eten, de afgelopen zes uur niets drinken, omdat je niet wakker wilt zijn terwijl het gebeurt. De golven misselijkheid zeuren niet meer, maar schreeuwen. Om zachte, witte, platgeslagen bolletjes brood. Het soort dat je in de supermarkt op de onderste schappen kunt vinden, in een plastic zak. Om zachte, jonge, zilte kaas. Om een deken waarmee je de golven kunt dempen.
Om de beurt worden vrouwen opgeroepen door een arts of een verpleger. Ze noemen alleen een voornaam. Je bent al een halfuur aan het wachten, hebt je formulier al ingevuld met een balpen uit het bakje op de balie. Een arts noemt je naam. Je denkt dat je aan de beurt bent, en zoekt naar je laatste restje moed terwijl je alles in elkaar krampt. Maar de dokter blijft staan en deinst naar achteren als je opstaat. Ze vertelt je dat er helaas iets mis is gegaan. Je hebt verhoging en ze kunnen geen enkel risico nemen. Regels zijn regels.
De dokter blijft op de onnatuurlijke afstand van je staan, praat alsof ze zich voorbereid heeft op een scène die jij vast en zeker zult schoppen. Je begint te huilen. Ze moet je helaas verzoeken om het pand te verlaten, zegt ze, en vraagt je om te vertellen wat je hebt aangeraakt, zodat ze die plekken kunnen desinfecteren. Je wijst naar het balpenbakje. De vrouw die je naar binnen liet, loopt als een beveiliger achter je aan tot je de gepantserde deur weer hebt dichtgetrokken.
De zon schijnt. Je steekt de straat over, gaat zitten op een bankje, je hoofd tussen je knieën, en kokhalst.
Copyright © 2023 Meredith Greer