Leesfragment: Binnenrijm van bloed

31 juli 2025, door Antjie Krog

14 augustus verschijnt het nieuwe boek van Antjie Krog, een autobiografische roman: Binnenrijm van bloed (Die binnerym van bloed), vertaald uit het Afrikaans door Robert Dorsman! Wij publiceren voor. Lees een fragment en reserveer je boek.

Wanneer haar moeder ernstig ziek wordt, keert Antjie Krog na een jaar afwezigheid terug naar haar geboorteplek in de provincie Vrijstaat. Dieper dan ooit voelt Krog zich verbonden met de vrouw die haar het leven gaf, en met haar wortels. Desondanks lijken moeder en dochter, beide schrijvers, soms als dag en nacht te verschillen. In ontroerende briefwisselingen dagen de twee elkaar uit om hun situatie en leefwereld te begrijpen. En zo blijkt dat de geschiedenis van hun moederland misschien wel de belangrijkste factor is die hun leven bepaalt.



 

Als inval-lerares Duits las je ons ‘Kennst du das Land, wo die Zitronen blühn’ voor en ik als kind vond je mond er zo vreemd uitzien toen je de woorden ‘Im dunkeln Laub die Goldorangen glühn’ uitsprak. Maar in dat stoffige klaslokaal met buiten het raam de zich samenpakkende middagwolken was het je stem, iets onbestemds in je stem in het andere Goethe-gedicht: ‘Es schwindelt mir, es brennt / Mein Eingeweide. / Nur wer die Sehnsucht kennt / Weiß, was ich leide!’ wat mij, jong als ik was, het koude zweet deed uitbreken. Die klank heb ik je nooit meer horen maken, maar het is alsof ik mijn leven lang geprobeerd heb er de oorsprong van te achterhalen.

 

Boek 1

Na bijna een jaar in het buitenland is het mijn eerste bezoek aan de Vrystaat. Terwijl ik de huurauto vanaf de Bram Fischer- luchthaven in noordelijke richting de n1 op rijd, werpen mijn ogen zich als verbeten minnaars op het landschap van mijn jeugd. De horizon is een en al winterlucht, gras en geoogste maisakkers. Al mijn zintuigen zet ik in om de verblindende vlasblonde vlakten met hun graspluimen met het zachte, door de rijp gebleekte zaad op te snuiven, te strelen, te vangen. Je hoort weleens zeggen dat het menselijk lichaam maar één landschap waarachtig kan liefhebben.
Ik zet de wagen aan de kant van de weg, draai de raampjes open, barst uit mijn voegen, steek mijn voelsprieten uit en neem een diepe teug van de zuivere, winddroge lucht. Zelfs de voorbijdenderende vrachtauto’s kunnen mijn ontspannen ledematen niet deren.
Tijdens de twee uur durende rit begroeten mijn lievelingsplekken mij als nauwe verwanten. Daar is het bosje doringbome waar ik een keer het amberkleurige geurspoor van een jakhals heb opgevangen, daar het stukje grasvlakte dat geen levend teken van een mens vertoont, geen afrastering, geen grens, geen telegraafpaal, niet eens een boom – alleen een zachte heuvel met maagdelijk rooigras; aan de andere kant van die boerderij staan de vier eucalyptusbomen waar ik een keer zonder benzine kwam te staan; het duurt niet lang of ik zie de rookblauwe toppen van de Maluti’s, waarvan het blauw de lucht in lekt. Mijn nek wordt vloeibaar, mijn bloed valt stil, de randen van mijn zelfbeheersing beginnen te rafelen, mijn scharnieren voelen opeens licht als distels... ik ben waar ik moet zijn.
Het schemert al wanneer ik het dorp binnenrijd. In het zwakke schijnsel van de straatlantaarns is het lastig om de onverhoedse gaten in de weg en de donkere stroken water of vuilnis te vermijden, alsook de enorme sombere monstergestalten van vrachtwagens die langs de hoofdstraat staan geparkeerd voor de nacht.
Bij het toegangshek van Arborpark druk ik op de bel.
‘Ik wist dat jij het was! Altijd eerder dan aangekondigd,’ roept mijn moeder verheugd.
Ik rijd tot onder de boom bij haar appartement. De garagedeur gaat omhoog.
‘Kom hier maar door naar binnen.’
Mijn moeder is niet dol op fysiek contact, maar de geur van haar huis, een mengsel van tambotie, meubelolie, wol en lamsvlees, vangt mij in een omhelzing waarvan je hart sneller gaat kloppen.
Ze staart me aan: ‘Gut, wat is er met je haar gebeurd! Wat mankeert die Duitse kappers?’
We barsten in lachen uit en ik kan het niet laten haar toch even vast te houden.
Terwijl ik mijn koffer naar de kamer breng, trillen mijn ellebogen na van het broze, weerspannige beenderstelsel in mijn armen en de onverwachte bochel.
Op het eenpersoonsbed liggen ettelijke lagen van mijn moeders wollen dekens en zelfgemaakte donsdekens, de dikke winterlakens passen niet bij elkaar en in één deken zit een haastig gestopt gat. Voor mijn bed, op het tafeltje met de Singer-naaimachine, staat een vaasje met late roestrode herfstbladeren.
Dan zet ik me aan de eetkamertafel zoals ik mijn hele leven al bij mijn moeder aan tafel ben geschoven. En zoals altijd staat er een braadpannetje met een speciaal bereide dubbele lamskotelet, een gebakken ei en wat gekookte groente.
‘En dit is Victoria,’ stelt mijn moeder haar met onmiskenbare trots in haar stem aan me voor.
De glimlach om haar mond beduidt dat Victoria de onuitgesproken betekenis van de situatie begrijpt.
‘En uw achternaam?’ vraag ik.
‘Motloang.’
We schudden elkaar de hand.
Mijn moeder en ik praten tot ’s avonds laat, waardoor het stipt geplande zorgschema helemaal in de war wordt geschopt.
Later die nacht word ik wakker van gestommel bij de deur. ‘Je bent het echt,’ zegt mijn moeder achter haar looprek, terwijl ze het licht aanknipt. ‘Ik werd wakker en ik dacht toch echt dat ik droomde dat jij er was... en je bént er! Heb je het wel warm genoeg?’ Achter mijn moeder verschijnt het bezorgde gezicht van Victoria.
’s Ochtends bij het ontbijt vraagt mijn moeder plotseling: ‘Schijt jij ’s ochtends of ’s middags?’
Mijn moeder scheldt en vloekt er altijd onverschrokken en hartstochtelijk op los, maar even ben ik toch uit het veld geslagen. ‘Waar heb je het nu over?’
‘We zitten al een week zonder water. Hier staat een grote fles, maar die is voor thee en drinkwater. Als jij een ochtendschijter bent, kunnen we nu samen naar de boerderij rijden om onze behoefte te doen. Goddank heeft de man die hem nu pacht gezegd dat je zus in het boerenhuis mag blijven wonen... anders moesten we net als de rest van de bejaarden hier bij anderen om zwembadwater gaan bedelen. Ben je een middagschijter, dan moet je vanmiddag zelf maar gaan – maar wees gewaarschuwd, dan komt de hele familie na het werk kakken.’ Ze schudt haar hoofd. ‘Dat dát nu de hoofdactiviteit van die stomme boerderij moet zijn – de ontlasting van de hele familie wegspoelen... waar je niks aan hebt voor het gewas of voor de verkoop!’
We rijden met Lydia, de dagzuster, naar de boerderij. Mijn zus Helena komt tussen haar rozen overeind, snoeischaar in de hand: ‘Alles staat al klaar voor jullie.’
Na de gang naar de wc geven we onze ogen de kost in het huis waar we ooit als gezin hebben gewoond, het huis dat mijn moeder samen met Simon Mtimkulu en zijn zoon David van zandsteen en hergebruikte materialen heeft gebouwd. Ik zie dat mijn tenen een vochtige afdruk achterlaten op de vloer van ysterklip in de gang, ik ruik de zandstenen muren en zie de winterzon gouden vierkanten werpen op de geelhoutvloeren van de slaapkamers.
Als we alle drie teruglopen naar de auto, schoongewassen en met een lege dikke darm, neemt Helena me apart. ‘De pachter heeft me gisteren laten weten dat hij niet weet hoelang hij dit nog volhoudt. Vorige week is er zomaar een draad van de afrastering doorgeknipt en zijn ze met vijf koeien aan de haal gegaan.’
Later die middag, na koffie en beskuit, vraagt mijn moeder of ik haar ‘kiekjes’ wil uitzoeken. Er is er een bij van haar als vier- of vijfjarig meisje op een groot blok zandsteen met een kat in haar armen. Ik kijk naar haar, zoals ze hier nu bij me zit met haar benen in de zon, haar hand die zachtjes strelend over de kat gaat die daar als een grote losse schort op haar buik ligt. Katten en paarden zijn haar grote liefde.

Antjie Krogs moeder als kind, met oukat. Uit: Antjie Krog, Binnenrijm van bloed

‘Die kat op de foto lijkt nijdig.’
‘Hij was al oud toen hij bij ons op het erf kwam aanlopen, daarom heette hij Oukat. Eerst was-ie van je oom Danie. Die heeft zijn snorharen kortgeknipt, nam hem mee als ze op stekelvarkens gingen jagen, voerde hem vinken, totdat hij moest overgeven van de veren. Daarna ging hij naar tante Nooientjie. Die trok hem poppenkleren aan en nam hem mee uit rijden in een kinderwagentje. Ik zal nooit vergeten hoe hij op een zondag, toen er bezoek op de veranda koffie zat te drinken, over het gras kwam aanlopen, zijn achterpoten hoog optillend om niet op de zoom van het poppenjurkje te trappen, een kapje scheef op zijn kop en met een ijzingwekkende rat in zijn bek. Uiteindelijk kreeg ik hem en wij eerbiedigden elkaar.’
‘Dat was niet dezelfde kat die altijd bij overgrootmoeder aan haar voeten lag en een dag voor haar dood van haar bed sprong, alsof hij wist dat ze een dag later zou overlijden?’
‘Nee, dat was Swartkat. En kijk deze nu hier op mijn schoot... ze begrijpt me zo goed. Als ik van streek ben, of rusteloos, dan klimt ze heel beslist op me, alsof ze wil zeggen: nou even geen nonsens. Kijk, hier zijn we, jij en ik allebei, tel uit je winst.’

[…]

 

Copyright © 2025 Antjie Krog
Copyright Nederlandse vertaling © 2025 Robert Dorsman / bv Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam

Wil je van je bestaande account gebruikmaken op onze nieuwe website? Je behoudt dan onder meer je bestelgeschiedenis, reeds aangeschafte e-books en je persoonlijke verlanglijst. Als je toestemming geeft krijg je direct een mail om een nieuw wachtwoord in te stellen.

Voer een geldig e-mailadres in

Hostname: pro-mbooks3