Leesfragment: Bomen

27 augustus 2025, door Aya Kōda

4 september verschijnen van Aya Kōda zowel de roman Stromen als de essaybundel Bomen (Ki (木)), uit het Japans vertaald door Jacques Westerhoven, met illustraties van Marion Vrijburg! Wij publiceren voor. Lees een fragment uit Bomen en bestel dat boek!

Aya Kōda neemt je mee op een reis door Japan en voert je met frisse beschrijvingen langs belangrijke en bewonderde bomen, zoals de jezosparren in Hokkaido en de blauweregen uit haar jeugd. De cipressen, wilgen en kersenbloesems van Japan worden vervlochten met de seizoenen, lucifers en parallellen van leven en dood, rijping en ontwikkeling.

In deze herontdekte klassieker brengt Kōda het belang van bomen in de Japanse cultuur en natuur naar boven. Bomen is een kennismaking met een unieke Japanse stem.

 

Leven en dood en de jezospar

(1971)

Opeens ging het gesprek over de jezospar en de manier waarop hij zich voortplant.
In de nagenoeg ongerepte bossen van Hokkaido, zoals het eiland Ezo of Jezo tegenwoordig heet, groeit de jezospar op omgevallen, dode bomen – de zogeheten moederstammen. Natuurlijk produceren zulke sparren onnoemelijk veel zaadjes die op de grond vallen. Maar de natuur in Hokkaido is hardvochtig. De zaadjes ontkiemen wel, maar groeien niet. Alleen de zaadjes die op omgevallen bomen terechtkomen en daar ontkiemen hebben geluk. Daar zijn de omstandigheden bevorderlijk voor hun groei. Niet dat ze lekker ontspannen de hoogte in kunnen. Op zo’n moederstam is niet veel ruimte. De zwakke redden het niet en moeten het veld ruimen. Alleen een heel beperkt aantal, dat zich aan die barre omstandigheden heeft weten aan te passen – de echt sterke – is het met enig geluk gegund in leven te blijven, en sommige daarvan zijn nu driehonderd of vierhonderd jaar oud. Omdat ze wortel hebben geschoten op dezelfde omgevallen boom, staan ze netjes in een rechte rij. Daarom kunnen zelfs mensen die er niets vanaf weten meteen zien: hier lag vroeger een moederstam. Aldus de spreker.
Het was een avontuurlijk verhaal, vol risico’s en gevaar. Het deed me iets. Wat een mooi verhaal! Het schreeuwde om een reactie. Er alleen maar naar luisteren was niet voldoende. Dit moest ik met eigen ogen zien, besloot ik.
Gelukkig kreeg ik de gelegenheid om het experimentele bos van de Universiteit van Tokio in Furano te bezoeken. Toen ik me eenmaal had voorgenomen de jezospar te zien, begon ik namelijk luidkeels te gillen. Ik was me er drommels goed van bewust dat dit een ramp was voor de mensen tegen wie ik gilde en ik had ook met hen te doen, maar ik wist niet van ophouden. Ik gilde lustig door. Ik ben al op leeftijd, en ik vond het idee dat ik, als ik deze kans liet schieten, nooit iets met de jezospar te maken zou krijgen zo onverdraaglijk dat ik de overlast die ik anderen bezorgde samen met mijn eigen onbeschoftheid maar in de kast zette en de sleutel weggooide. Je kunt je mijn blijdschap voorstellen toen het eindelijk zeker was dat ik de jezospar zou ontmoeten.
In Hokkaido waren op 28 september de bladeren al aan het verkleuren. Het was de eerste herfstpracht, en alles was één felgekleurd schouwspel. De chrysanten langs de spoorbaan waren donkerpaars, de takken van de lijsterbes naast de ingang van mijn onderkomen waren zwaar van trossen scharlaken vruchtjes. De herfst ging zijn hoogtepunt tegemoet. In de kamer waar ik naartoe werd gebracht, brandde de kachel, en rond zonsondergang werd het opeens nog kouder. Toen ik vanochtend uit Tokio vertrok, meldde het weerbericht dat het in Hokkaido drie graden boven nul was. Ik kon het nauwelijks geloven, maar nu vertelde mijn huid me dat het waar was.
De eerste dag. Is dit wat ze een specimenkamer noemen? Hij staat tenminste vol specimens van grote Hokkaidose bomen. Rijen zware stammen in het gelid, allemaal netjes op dezelfde lengte gezaagd, de schors er nog aan. Het eerste wat ik voel is de druk van hun gewicht. Het gewicht van betonnen gebouwen doet me niets, daar ben ik wel aan gewend, maar het gewicht van al die bomen werkt een stadsbewoner op de zenuwen. In zulke omstandigheden kan ik niets onthouden. Ik luister wel, maar ik hoor niets; ik kijk wel, maar ik zie niets; wat ik zo naarstig in mijn hoofd heb gestampt, verliest alle samenhang. Het enige wat blijft hangen is het beeld van rijen enorme houten pilaren.
De tweede dag rijden we naar een gedenksteen en hebben daar een schitterend uitzicht over een zee van bomen. In de verte rijst de ene bergkam na de andere op om me te vertellen hoe uitgestrekt dit experimentele bos wel is. Daarna duikt de jeep een dal in en gaat een berg op, steeds hoger en hoger, en al doende krijg ik een praktijkles in de manier waarop de bomen die hier hun leven leiden geleidelijk aan veranderen naarmate we hoger komen. Nu zien we coniferen en loofbomen die het predicaat ‘elitebomen’ dragen. Natuurlijk moeten ze aan allerlei voorwaarden voldoen om eliteboom te kunnen worden. Maar zelfs voor mijn ongeoefende oog zijn ze bedeeld met een grootsheid die me onmiddellijk overtuigt. Nu en dan vallen er spetters regen, en uit het dal komt een mist opzetten die het zicht op ons pad vervaagt en een laagje dauw achterlaat op de grasbamboe die overal opspringt onder onze voeten. Onwillekeurig voel ik me aangedaan. Een zorgvuldig geselecteerde eliteboom is zonder enige twijfel een imposant gezicht. Maar er zijn talloze bomen te gemiddeld om het tot eliteboom te schoppen, en in die middelmatigheid zijn er ook weer gradaties. Ook van zulke bomen kun je vast op aan. En onder aan de lijst staan daar de zwakkelingen, die worstelen om in leven te kunnen blijven? Ik weet niet hoe ik die moet noemen. Triest? Aandoenlijk? Bomen zeggen werkelijk niets, terwijl ik sta te popelen om met iemand te kunnen praten. Maar ik houd me in en pas me aan aan de stilte die in het bos heerst.
De derde dag gaan we vanuit een ander dal de bergen in. Onder het rijden laat ik me iets vertellen over hoe planten met elkaar leven, hoe die gemeenschap verandert, en het milieu waarin dat allemaal gebeurt.
Maar ik ben gekomen om jezosparren op een moederstam te zien. Kijk, daar staan ze. En daar ook, wordt me verteld, maar ik raak de kluts kwijt. Ik zie helemaal niets. Alleen rijen en rijen identieke bomenbenen. De regen van gisteren valt vandaag nog steeds. Het is schemerachtig in het bos, de bomen staan ook zo dicht op elkaar. De schors van elke boom is nat, en als ik omhoogkijk, zie ik dat de takken van hun toppen zo met elkaar zijn verstrengeld dat ze een scherm vormen. Wie zei er ook weer dat zelfs de domste leek meteen kon zien dat hier vroeger een moederstam lag? Nou, dat is beslist verzonnen, denk ik, maar je kunt nooit weten, en dus sper ik mijn ogen wijd open. De grasbamboe reikt tot aan mijn borst en maakt het lopen moeilijk. Ik blijf alleen maar bomenbenen zien. Kom eens hier en kijk daar eens, wordt me gezegd. En eindelijk zie ik het. Diep zuchtend staar ik naar mijn doel. Dikke boomstammen waarvan elke idioot kan zien dat ze in een rechte lijn staan. Deze sparren, die de oude naam van dit enorme eiland hebben verworven, vormen werkelijk een plechtige, kaarsrechte rij. Ik voel geen dwang, maar er is hier iets wat wanorde afwijst. Iets wat sereniteit en rust uitstraalt. Iets wat me belet ze lichtvaardig te benaderen. Zeven bomen, van identieke lengte en dikte, met precies de juiste ruimte tussen hen in voor een mengsel van dunnere, lagere plantengroei. Het geheel vormt een mooie, natuurlijke combinatie.
Hoe oud zouden deze bomen zijn, vraag ik. Meer dan tweehonderdvijftig, driehonderd jaar, is het antwoord; de winters hier zijn streng, dus ze zijn niet zo dik als je op grond van die leeftijd zou verwachten. Ik sta stil en probeer tot rust te komen, en dan hoor ik overal om me heen onregelmatig spetterende geluidjes. Het zijn verspreide regendruppels, die op de bladeren van de grasbamboe vallen. Zijn dit de laatste druppels van de regen, souvenirtjes van de mist, of misschien een welkom van de bomen? Er zijn ook geluidjes die mijn schouders bezoeken.
Jammer genoeg is er geen concreet bewijs dat deze bomen echt op een moederstam zijn ontkiemd. Die conclusie is uitsluitend gebaseerd op het feit dat ze in een rechte lijn staan, maar doorslaand bewijs is er niet. Niet dat ik het niet geloof. Ik wil alleen dolgraag zekerheid hebben. Anderzijds, als er echt driehonderd jaren verstreken zijn, is de moederstam helemaal vermolmd, dus het is niet meer dan logisch dat er niets meer van over is. Daarom is de grond hier vlak en valt er van de hele massa van de woudreus die hier ooit omviel, van zijn dikte, zijn omvang, geen spoor meer te bekennen. Ik vind het enigszins onbevredigend.
Ik heb het nog niet gezegd of ik krijg te horen: O, dat is geen probleem. Als ik een beetje rondsnuffel, vind ik beslist iets wat aan je verwachtingen voldoet. En algauw word ik geroepen: Kijk hier maar!

[…]

 

Copyright © Nao Aoki, 1992
Oorspronkelijke Japanse editie uitgegeven in 1992 door SHINCHOSHA Publishing Co., Ltd.
Copyright Nederlandse vertaling © Jacques Westerhoven, 2025

Gerelateerde boeken

Wil je van je bestaande account gebruikmaken op onze nieuwe website? Je behoudt dan onder meer je bestelgeschiedenis, reeds aangeschafte e-books en je persoonlijke verlanglijst. Als je toestemming geeft krijg je direct een mail om een nieuw wachtwoord in te stellen.

Voer een geldig e-mailadres in

Hostname: pro-mbooks3