Leesfragment: Crudités

13 januari 2025, door Anneke Brassinga

Een van de meestgenoemde beste boeken van 2024 verscheen bijna een jaar geleden: Anneke Brassinga’s Crudités. Lees bij ons een fragment en koop dat boek!

Als dichter, schrijver en vertaler is Anneke Brassinga kind aan huis bij het woord. Na veel te hebben geschreven over de onzekerheid der dingen, richt zij haar speelse, maar uiterst grondige manier van kijken nu op het fundament onder alles wat haar beweegt: de taal. Met wervelende eruditie verkent ze bijvoorbeeld de valkuilen en vreugden van het vertalen, de moed van George Orwell, het blauw van Anna Blaman, en Winnie-the-Pooh als oerboek. Brassinga toont haar beheersing van de taal in vele verschijningsvormen: columns, essays, poëzie, vertalingen, en zelfs een libretto worden dooreen opgediend.

Tussen de regels is Crudités een pleidooi voor het weerbarstige en het ongemakkelijke van kunst en van literatuur in het bijzonder.



 

Het baren van een gedicht
over poëzie, bijvoorbeeld van marte huke

Bijna altijd zijn de dingen ongeveer het omgekeerde van wat erover wordt beweerd. Zo is, in tegenstelling tot de heersende mening, het gedicht als genre niet per se gevoelig en al helemaal niet medemenselijk en fijnzinnig, al is die reputatie een erg hardnekkige.
In de materiële omgeving van proza, van het dikke boek, leert men misschien al lezend iets te koesteren als warme genegenheid voor de onbehaaglijke kanten van het bestaan – waarvan er nu eenmaal te veel zijn om op te noemen, zodat ze zich laten mengen tot diffuse grauwsluier c.q. expliciete catastrofe of catharsis, en die in bijna alle romans de rol spelen van ‘de natuur’: de menselijke, de maatschappelijke of de naturele natuur. Een dynamisch samenstel in elk geval, een in durende ontwikkeling zijnd organisme en tegelijk een decor, een enscenering, waar de personages in geworpen zijn, als om autonomie worstelende onderdanen van het lot.
Vandaar dat de lezers, week gemaakt door een meestal gerieflijke leesomgeving (onder warme dekens, eindelijk rust, hangmat in de zon, wiegende cadans van voortsnellende trein) en door de esthetische verzadiging van het nietsdoend ietsdoen (ik lees een boek! ik neem de vrijheid!), enorm ontvankelijk worden en bij het geringste incident in de roman vele malen meer gemoedsbeweging ondergaan dan wanneer er in het werkelijke dagelijkse bestaan iets gebeurt – wat dan weer een geldig maar onuitgesproken excuus oplevert voor de instandhouding van onze gevoelloze, hardvochtige samenleving: het lezen van romans, van fictie, leidt de bliksems van het ‘onbehagen in de cultuur’ zoals door Freud gekenschetst als primaire voorwaarde van samenleving, af naar een behaaglijk, herkauwend cultiveren van ons aller falen bij de verwerkelijking van een ten volle doorleefd bestaan. Waarbij dat ‘ten volle doorleven’ dan weer in die romans als stuwende fictie, als strikt mythisch ideaal ademt. En de lezer doet herademen. Zo houden wij ons op de been.
In poëzie gebeurt iets anders. De dichter trekt zijn schoenen en kleren uit, loopt naar buiten. (Let wel: het ‘hem’ in deze en volgende alinea’s verwijst naar het woordgeslacht van ‘dichter’ {m.} zoals vermeld in Van Dale Groot Woordenboek.) Daar, onder de blote hemel, laat hij zich door de bliksem treffen, intussen gebeten door een gifslang en vervolgens verkracht door een passerende doofstomme blinde nymfomaan, waarna een adelaar hem bij de kladden grijpt en hem met machtige wiekslag naar een eenzame horst boven op een kale berg voert.
Daar, in de ijle kou, zullen tinkelend als brokjes ijs of sneeuwkristallen de woorden uit de mond van de dichter vallen; en de dorpelingen in de diepte, met hun bescheiden maar nijver bewerkte akkers aan de voet van de berg, horen in de vredige uren van de avondschemer die klanken vanuit hoger sferen neerdalen, en verstaan, gezeten bij hun turfvuurtje, de schoonheid van die kristallijne stilering als signalen uit een betere wereld.
Wat in proza, in een voortgaand verhaal, aangrijpend klinkt, gevoelsoverrompelend reëel, komt vanuit een gedicht als louter vorm op je af, nog vrij van sentiment, als een fysisch fenomeen – klankspel voor de oren, cryptogrammaticale betekenisgymnastiek voor het verstand, medeplichtige knipoog naar de onderlegde verstaander die in de taalbehandeling de verwijzingen bespeurt.
Oké, dit is karikaturale onzin. Maar iets ervan is toch wel waar. In een gedicht, in elk gedicht, wordt een abstractie aanwezig gesteld (net zoals in de muziek) en die abstractie is de vorm. Proza daarentegen ontstaat uit een voedingsbodem (taal genaamd) die weliswaar taalregels kent maar qua vorm zo geïmproviseerd kan zijn als de gedachtestroom van een mens in zijn meest onbewaakte momenten. De vorm van het gedicht is wat het ons meedeelt. Ieder gedicht vat alle andere gedichten samen – als beginsel, als prototype van een inwendig verwijzen naar zichzelf, in autonomie, als manifestatie van de eenmalige of ook resonerende formule die bezwering, incantatie is. In elk gedicht wordt vanuit en op grond van die vorm iets uitgesproken in taal – en wat dat ‘iets’ zal zijn, is bijkomstig. De boodschap is bijzaak. Doet er pas in tweede instantie toe; net zoals in de muziek het thematisch materiaal secundair is naast het feit van de muziek – als het vloeibaar medium waarin structuren worden uitgesneden.
Het aardige van mensen als lezers en luisteraars is dat ze ogenblikkelijk bereid zijn deze abstracte aanwezigheid, deze vormgegeven abstractie, te laten doorgaan voor een werkelijke, materiële presentie, alsof luisterend oor en lezend oog het van hen afhankelijke brein graag om de tuin leiden in de stressvrije situatie van ‘kunstgenot’. Waarmee het besef dat hier abstracties worden aangedragen, dan ook overstemd en geblindeerd is; want alleen wat gesublimeerd is, kan stressvrij zijn. Deze transformatie van abstract naar ‘net echt’ is ongeveer dezelfde als die welke het ceremoniële geloofsritueel behelst. Als ik het te ingewikkeld uitleg, moet u er Schopenhauer maar op naslaan.
De acute voldaanheid over de geslaagde sublimatie ontlaadt zich vervolgens in een ‘gevoelerig’ gevoel over de poëzie (en de muziek), over het ontvankelijk medemenselijke en fijnzinnige dat eigenlijk een eigenschap wordt van de ontvanger, die het terugprojecteert naar de maker ervan; oftewel in de tot huivering en inwendige rilling verlichamelijkte wellust die slinks geput wordt uit die abstractie: het vormbeginsel. Poëzie als vorm elimineert zichzelf bij de lezer/ luisteraar, zoals de dichter zijn persona elimineerde, zich uitkleedde en onbeschut in de kou ging staan.
Maar in ernst: de dichter is, in zijn eenzame afzondering boven op die bergtop, veelal eindeloos in de weer geweest met de vorm, knedend, spijkers inslaand, wachtend op invallen, de oren gespitst naar klankspel dat hij nodig had maar nog niet goed kon onderscheiden, enzovoorts. Dat noemen we ‘het ontstaansproces’. Een mengeling van roes en klaarte, van daadkracht en passieve terughouding.
Het gedicht zelf snijden we er los van, dat is nu een schepping, waar men die bovengenoemde sublimatie op loslaten kan, een ding, dat voor het grijpen ligt. Een reeks dingen vaak, want een gedicht komt zelden alleen.
Zo las ik een reeks gedichten van Marte Huke, geschreven in het Noors en door Liesbeth Huijer in het Nederlands vertaald. Het eerste gedicht was meteen raak.

Bestuiving. Waar het huis de tuin raakt. Binnen een rand van zon. De tuin raakt de wei, de wei wordt een akker, akker raakt bos. Op de helling lichten de namen op: sleutelbloem, hondsdraf, krokus, speenkruid.
Uit de grond sijpelt grauw water. Het bleke gras van vorig jaar ligt alle kanten op. Uit elke boom komt zacht gepiep. De hemel verliest sterren.
De gele lentevlekken zitten in de aarde.

Er is geen versvorm, maar je hoort bij het lezen meteen dat dit een gedicht is, want er is geen verhaal, en op louter gezag van de gerepresenteerde taalelementen timmert de lezer moeiteloos een compleet landschap met prille, rauwe voorjaarsgeuren en -lichtval in elkaar; dat timmeren is de sublimatie waarbij de lezer dat gevoelerige gevoel krijgt, van verbondenheid met poëzie. En in het geval van de reeks gedichten die Marte Huke schreef, is dat nog eens te meer aan de orde omdat haar reeks langzamerhand die verbondenheid ook inhoudelijk en beeldsprakelijk gaat belichamen, vanaf het moment dat er sprake is van een zwangerschap, een ongeboren kind, en daarna van een geboorte en een boreling; wat een vanzelfsprekende parallel oproept met het baren van een gedicht.

[...]

 

Copyright © 2024 Anneke Brassinga

Wil je van je bestaande account gebruikmaken op onze nieuwe website? Je behoudt dan onder meer je bestelgeschiedenis, reeds aangeschafte e-books en je persoonlijke verlanglijst. Als je toestemming geeft krijg je direct een mail om een nieuw wachtwoord in te stellen.

Voer een geldig e-mailadres in

Hostname: pro-mbooks2