De dochter is een van onze bestverkochte geschiedenisboeken in het eerste halfjaar van 2025 en wordt getipt door onze boekverkoper Geschiedenis! Tijd voor een leesfragment.
In het Scheveningen van de vroege jaren dertig lijkt niemand op de kleine Eva. Mensen voelen aan haar haar of vragen of haar kleur soms afgeeft. Haar adoptieouders benadrukken dat ze een van hen is als ze gepest wordt, maar niet iedereen denkt daar zo over. En zelfs nu nog, nu ze oud is en de tijden zijn veranderd, is kleur nog steeds een beladen onderwerp.
Harriët Duurvoort tekende het levensverhaal van haar moeder (1928) op en loodst via haar verhaal de lezer door bijna een eeuw Nederlandse geschiedenis. De dochter gaat over de pijn van migratie, liefde en beklemmende, soms verlammende loyaliteit. En over de zoektocht naar identiteit wanneer adoptie de lijnen met het verleden heeft afgesneden en onvindbaar gemaakt.
Vooraf
Twee koddige dreumesjes die elkaars handje vasthouden. Maar een geposeerd lachje kan er niet vanaf. ‘Ik weet alleen nog dat we er niets geen zin in hadden, in op de foto gaan,’ aldus mijn moeder. Maar deze oer-Hollandse prent heb ik altijd een van de mooiste gevonden uit haar familiealbum. Het is een foto uit 1931, gemaakt toen ze een uitje maakte met haar tante Annie, die ook op de foto staat, en ze in oud-Hollandse klederdracht vereeuwigd werden. Het blonde jochie was geen vriendje, maar de fotograaf wilde hem graag met haar op de plaat.
Het resultaat is een foto die ik altijd hoopvol symbolisch heb gevonden voor hoe in Nederland de multiculturele samenleving zou uitpakken. Afwachtend, schoorvoetend, een beetje beschroomd ook. Toch pakken ze elkaars handje.
Mijn moeder Eva was nauwelijks zes weken oud toen ze in 1928 door Saar en Jan, een gereformeerd echtpaar uit Scheveningen, geadopteerd werd. Mijn moeder is gemengd: haar moeder was wit, haar vader zwart.
De verhalen van mijn moeder over haar leven kleurden mijn jeugd en hebben een bepalende rol gespeeld in mijn eigen zoektocht naar wie ik ben. De Nederlandse geschiedenis en het zoeken naar wat en wie ‘wij’ zijn wordt steeds meer in persoonlijke verhalen verteld. Mama’s leven biedt een bij- 8 zonder perspectief, want het is een oer-Hollands verhaal, vanuit de verrassende ervaring van een gekleurd maar voor de rest ‘doodgewoon’ Hollands meisje dat in 1928 in Den Haag het levenslicht zag.
In de loop van haar leven is Nederland ingrijpend veranderd, juist op het punt van die kleur die haar ooit zo bijzonder maakte. Inmiddels valt ze al tientallen jaren niet meer op in het Amsterdamse straatbeeld. Meer mensen dan ze ooit had kunnen vermoeden in de tijd dat iedereen zijn vingers door haar kroeshaar wilde halen, lijken nu op haar.
Dit boek is opgedragen aan al mijn grootouders. Mijn biologische grootouders en mijn adoptiegrootouders. Saar en Jan voelen het meest als ‘gewone’ grootouders, al hebben wij geen biologische band. Maar is ouderschap niet iets wat je, dag in, dag uit, jaar in, jaar uit, met een kind deelt? Er zijn ook nog andere grootouders, biologische. Echte, zouden sommigen misschien zeggen. Onze verloren wortels, de afgehouwen stam, het mysterie. Ook zij zijn in het hier en nu nog altijd de meest tot de verbeelding sprekende bouwstenen van onze persoonlijke identiteit. Nog meer dan onze adoptiegrootouders.
Onze familiegeschiedenis optekenen bood mij de gelegenheid om de lagen van wie wij ervaren te zijn te verkennen. Om een verhaal te vertellen van een gezin waarin iedereen van elkaar hield, ondanks geheimen, ondanks het ontbreken van een biologische band, ondanks verschillen in kleur, klasse, geloof of cultuur, of tijdperk. Een verhaal over de beste bedoelingen die soms, onbedoeld of, bewuster, door gevoelens te negeren en weg te stoppen, tot verdriet hebben geleid. Maar het is ook een familiegeschiedenis over liefde. Ondanks het ongemak dat altijd blijft.
Een verhaal van een zwart meisje in een witte wereld. Van een jonge vrouw op zoek naar zichzelf, in een wereld die verandert; in samenlevingen op verschillende plekken in de we- 9 reld die in elke tijd weer anders met kleur en identiteit omgaan. Maar het is ook een persoonlijk verhaal. Over de zoektocht die hoort bij het geadopteerd-zijn, zelfs tot in de tweede generatie, bij mijn zus en mij. Naar een antwoord op de vraag: wie ben ik eigenlijk? Bij wie hoor ik? Over het hunkeren naar geborgenheid, naar een thuis. Over de liefde van een adoptiegezin, voor adoptieouders, en de beklemmende, soms verlammende loyaliteit die daarvan onderdeel kan zijn.
Tijdens het schrijven van dit boek bleek dat mijn zoontje, River, aan wie ik dit boek heb opgedragen, een vorm van autisme heeft, in combinatie met een verstandelijke beperking. Hem had ik onze familieverhalen willen vertellen, over een tijd dat kinderen dachten dat oma kleur afgaf, de geschiedenis van onze kleine familie. Hij is immers de enige erfgenaam van dit verhaal. Mijn moeder Eva kreeg twee dochters, mijn zus Monique en mij, en ik kreeg River. In de jaren dat ik aan dit boek werkte, tijdens de urenlange gesprekken met mama over haar verleden, met River spelend met zijn autootjes in de kamer, is het ons langzaam duidelijk geworden dat hij de bijzondere verhalen rond zijn afstamming misschien wel nooit helemaal zal begrijpen. Maar het is een verhaal dat misschien andere lezers zal raken. Ik heb het daarom niet alleen voor River willen opschrijven.
Een paar opmerkingen vooraf:
Ik gebruik ‘wit’ in plaats van ‘blank’. Maar ik doe het verhaal geweld aan als ik ‘wit’ gebruik in een tijd dat iedereen ‘blank’ gebruikte. Ook zullen in dit boek geregeld woorden als ‘neger’ en zelfs ‘nikker’ en andere diep kwetsende scheldwoorden de revue passeren. Woorden die mama haar leven lang heeft moeten aanhoren. Haar verhaal is niet te vertellen zonder die woorden, en tegelijk hoop ik dat de lezer soms voelt hoe het is om zo genoemd te worden.
1. Het zwarte meisje uit de haven
Scheveningen, 1936
‘Lelijke Papoea!’ schaterde Frans.
Eva haatte Papoea’s. Ze haatte het dat ze bloot waren, met zo’n ding voor hun geval, zo erg dat je het niet eens mocht uitspreken. Hadden ze dan echt niet door hoe zondig dat was? Waarschijnlijk kenden zij Jezus niet. Het waren immers wilden, net dieren, dat zei iedereen altijd. Die begrepen ongetwijfeld niet dat dit niet door de beugel kon. Zij, Eva, begreep dat wel. Ze snapte het beter dan iedereen. De schaamte ging haar door merg en been. Maar waarover ze in het duister tastte was waarom zij blijkbaar een Papoea zou zijn. Dat raakte aan het grote geheim. Hadden de Papoea’s haar misschien achtergelaten bij Vader en Moeder? Dat durfde ze niet te vragen en het had toch geen zin. Ze zouden het ontkennen en er gauw overheen praten. Maar Eva wist ook wel wat ze in de spiegel zag. Een bruin meisje met zwart kroeshaar. Net als een Papoea.
‘Zwartjoekel!’
Frans was tien maar schoot al uit. Een knoestig blond joch, met schots en scheve tanden, altijd een spottend lachje in zijn staalblauwe blik. Hij had die typische branie van zoveel Scheveningse straatschoffies uit de buurt. Brutaal en bijna opzettelijk onnozel. Hij kwam uit het achterbuurtje voorbij het politiebureau. Eva was bijna acht. Nooit had ze een weerwoord. Daar was ze te verlegen voor, het liefst wilde ze niet opvallen. Maar dat was ijdele hoop. Hoe schuchter en in zichzelf gekeerd ze ook was, elk hoofd draaide zich om als zij langsliep. Ze zag nooit iemand die er ook maar een beetje uitzag zoals zij. Tenminste geen levend iemand. Er was wel de gaper bij de apotheek. En het negerpoppetje in de kerk, hoewel dat heel grote dikke rode lippen had en een wijdopen mond waarin je munten kon gooien, voor de zending. Ze voelde zich merkwaardig verwant met dat poppetje, ook al had zij die heel dikke lippen niet.
Ze zette het altijd op een rennen als ze Frans zag. Maar Frans was groter en sneller. Hoewel hij soms zo hard om zichzelf moest lachen wanneer hij haar achternazat dat hij achteropraakte. Maar vaak genoeg kreeg hij de tengere Eva te pakken. Met zijn smoezelige vingers trok hij aan haar kroesvlechtjes. ‘Vieze vuile poepnikker!’ joelde hij dan. Frans had een eigenaardig hikje als hij de slappe lach had. Een lach die haar bij zou blijven.
Ze had in het begin niet eens zo goed begrepen wat ‘poepnikker’ nu eigenlijk betekende. Poep was smerig. Wat ‘nikker’ was wist ze in alle eerlijkheid niet precies. Al deed het woord pijn en schaamde ze zich ervoor. Was het negerpoppetje op de collectebus een ‘nikker’? Dit ging toch over het zwarte? Ze voelde er niets voor om het te vragen. Het hoorde bij de dingen die zij wel aanvoelde maar waar niet over gesproken mocht worden.
Het Grote Geheim, waar Eva helemaal niets van begreep en waar ze met grote, voorzichtige passen omheen probeerde te leven. Dat deden Vader en Moeder immers ook. Maar het weerhield haar er niet van zich diep voor Het Geheim te schamen. Want natuurlijk had dit met een heel grote zonde te maken. Alles zou ze ervoor overhebben om maar gewoon te zijn. Net als alle andere mensen. Niemand die ze kende was dit ooit overkomen. Dat je bruin was en kroeshaar had. God had haar blijkbaar voor iets willen straffen.
Als Eva Frans in het vizier kreeg, trok ze meestal een spurt in de richting van de haven. Met een beetje geluk stonden daar groepjes vissersvrouwen te kletsen. Met hen moest je geen ruzie krijgen en tot Eva’s grote opluchting waren ze op háár hand. Zij wisten zich wel raad met pestkoppen. ‘Kan je wel, rotjong! Tegen zo’n klein meissie?’ riepen ze Frans schel tot de orde. ‘Kind, maak je maar niet druk, hoor.’ De kleine Eva verschool zich dan snel achter de lange zwarte rok van een van hen. In tegenstelling tot de andere vrouwen in Scheveningen liepen de vissersvrouwen nog altijd in klederdracht. Doordeweeks in eenvoudige kledij, met vuilwitte kappen, een schort en strenge, vaalzwarte lange rokken. Het gaf hun iets onverzettelijks. Op zondag, als ze in hun mooiste klederdracht naar de kerk gingen, vond Eva hen prachtig. Een witte kanten muts verzachtte hun rood dooraderde vleesgezichten. Sommigen droegen een hoofdijzertje, als een kroontje. Het gaf hun soms ruwe uitdrukking plotseling zelfs iets voornaams. Een kroontje was toch iets voor prinsessen, vond Eva.
In haar fantasie was Eva net zo gehaaid als de vissersvrouwen. Had ze ook maar een greintje van hun lef, dan schold ze op haar beurt Frans gewoon uit, met zijn lelijke sproetenkop en zijn vuile hoogwaterbroeken waar hij al een jaar geleden uit was gegroeid. Ze dagdroomde dat ze kon vechten, dat ze Frans knikkende knieën bezorgde als hij haar ook maar in de verte zag lopen. Natuurlijk wist ze dat het zondig was om zo te denken over haar vijanden. Je moest je naasten en je vijanden liefhebben, net als Jezus. Jezus keerde altijd iedereen de andere wang toe, hij zou een zondaar als Frans vergeven.
Maar Eva wilde Frans eigenlijk niet vergeven. Ze wilde hem een lesje leren. Op een dag verzamelde ze eindelijk de moed om haar plan uit te voeren. Kordaat maar met bonzend hart 14 stapte ze het politiebureau binnen. ‘Er is een jongen, Frans. Die komt elke dag achter mij aan als hij de kans krijgt. Hij slaat mij in elkaar.’
De agenten wisselden een geamuseerde blik.
Ze aarzelde. ‘Op school zeggen ze dat de politie voor je opkomt.’
‘Zullen wij hem dan eens toespreken?’
Eva lachte haar brede glimlach. ‘Voor de politie heeft iedereen ontzag,’ verklaarde ze plechtig.
Met een voldaan gevoel stapte ze naar buiten. En het werkte. De volgende keer dat ze Frans tegenkwam keek hij nors weg. Eva vond het maar wat grappig. Vader en Moeder wisten van niets. Dit had ze helemaal zelf bedacht.
[…]
© 2025 Harriët Duurvoort en uitgeverij Pluim