Leesfragment: De eenzaamheid van Sonia en Sunny

23 oktober 2025, door Kiran Desai

30 oktober verschijnt het nieuwe boek van Kiran Desai: De eenzaamheid van Sonia en Sunny (The Loneliness of Sonia and Sunny, shortlist Booker Prize 2025), vertaald door Petra C. van der Eerden en Paul van der Lecq! Wij publiceren voor. Lees nu een fragment en reserveer je boek.

In de besneeuwde bergen van Vermont voelt Sonia zich eenzaam. Ze is een studente met aspiraties om schrijver te worden. Omdat ze heimwee heeft naar haar thuisland India staat ze open voor de liefde van een oudere kunstenaar. Deze man zal haar in de komende jaren in zijn duistere greep houden. In Brooklyn is de eveneens uit India afkomstige Sunny net zo eenzaam. Hij worstelt met zijn bestaan als journalist en is constant in de war, zowel door de acties van zijn Amerikaanse vriendin, als door het land waarin hij zijn toekomst hoopt op te bouwen. In India kunnen hun families zich niet voorstellen dat Sonia en Sunny eenzaam zijn in deze grote, drukke wereld en ze regelen een ontmoeting tussen de twee. Een klunzige actie, die er alleen maar voor zorgt dat Sonia en Sunny uit elkaar worden gedreven, nog voor ze de kans krijgen om verliefd te worden op elkaar.

 

deel i
Eenzaam? Eenzaam?

Hoofdstuk 1

De zon was nog verzonken in de winterse schemer van het ochtendgloren toen Ba, Dadaji en hun dochter Mina Foi, met shawls stevig om zich heen gewikkeld, op de veranda gingen zitten om thee te drinken en middels een voortvarend eliminatieproces te bepalen hoe hun maaltijden er de rest van de dag uit zouden zien. De kok moest bij het ontbijt zijn bestellijst krijgen zodat hij meteen inkopen kon gaan doen. Het was Mina’s vijfenvijftigste verjaardag, 1 december van het jaar 1996, en het schapenvlees voor de kebabs van die avond stond al de hele nacht te marineren in de keuken.
‘Rijst?’ riep Ba. ‘Roti?’ Ze begon doof te worden, maar ze wist dat ze hard moest praten om verstaanbaar te zijn boven het ochtendverkeer dat langs het toegangshek denderde en het gekras van honderden kraaien – hun lawaai en de moeizame opkomst van de zon zo nauw met elkaar verbonden dat het leek of de kraaien elke ochtend het leven schonken aan het daglicht. ‘Pilav?’ stelde ze voor. ‘Paratha?’
Hoog boven hun hoofd, op de zuilenrij voor de ingang, stond een gipsen borstbeeld van een gezette heer met een kravat, mogelijk geïnspireerd op een tekening gemaakt door de oorspronkelijke eigenaar van de villa, die met zijn schetsboek in de hand door Europa was gereisd, zoals hij buitenlanders in India had zien doen. En misschien kwam het door de weergave van de tekenaar, het schrille contrast met de omgeving van Allahabad of de spatten vogelpoep, maar het borstbeeld leek niet zozeer op een waardige edelman maar meer op een potsierlijke snob, nieuwsgierig naar de lucht boven hem, die al een kwarteeuw niet meer helder was. Niet sinds de nationale snelweg was verbreed om ruimte te bieden aan de vrachtwagens vol kool, cement, geiten, tarwe en – als je de kranten of de roddels mocht geloven – prostituees en geslachtsziekten.
Niet gehinderd door de dure meneer, de vervuilende vrachtwagens of de familie op de veranda zwol het kara kara kara van de kraaien aan tot een crescendo.
‘Bloemkool?’ drong Ba aan. ‘Spinazie?’
‘Aardappels?’ zei Dadaji terwijl hij zijn voeten omhoogstak. Hij wreef ze liefdevol en uitvoerig tegen elkaar aan alsof het zachte, fluwelige handen waren. ‘Mensen uit Gujarat houden meer van aardappels dan de meeste anderen,’ zei hij alsof hij zijn eigen familie moest verklaren tegenover een niet-aanwezige antropoloog. Ze waren ontheemd, Gujarati’s gestrand in de deelstaat Uttar Pradesh. Jaren geleden had Dadaji’s advocatenkantoor hem naar het gerechtshof van Allahabad gebracht.
Twee logge telefoontoestellen – eentje in de hoek van de woonkamer, eentje op Dadaji’s bureau – ratelden als padden in een moeras, trr trr trr, en ze wisten dat het een verjaardagstelefoontje zou zijn van Mina Foi’s broer Manav, het tweede kind van Dadaji en Ba. Dadaji nam de telefoon op zijn bureau op en Mina Foi pakte het toestel in de woonkamer. Ba sprak bijna nooit via de telefoon omdat ze dat niet gewend was, als ze er al goed genoeg voor kon horen.
‘Lang zul je leven, Mina,’ wenste Manav zijn zus toe.
‘Het duurt nu al te lang,’ zei Mina Foi. Ze wilde haar broer vertellen dat ze hoopte dat het zendelingenechtpaar zou langskomen, net als vorig jaar, met chocolate-chipcookies die ze uit Iowa hadden meegenomen – maar misschien waren ze vergeten dat ze jarig was en ze kon hen er niet aan herinneren. Het was haar verboden zelf de telefoon te gebruiken omdat telefoongesprekken een zinloze luxe waren.
Dadaji besprak de stijgende waarde van een van zijn investeringen en informeerde vervolgens, aan het einde van het gesprek, naar de gezondheid van zijn schoondochter Seher en zijn kleindochter Sonia.
‘We maken ons zorgen om Sonia,’ antwoordde Manav. Sonia studeerde aan een universiteit in Vermont. ‘Ze is in een depressie beland. Ze huilt aan de telefoon, en als we haar een dag later terugbellen is het weer hetzelfde.’
‘Maar waarom?’ vroeg Dadaji. ‘Ze zit daar al drie jaar. Waarom moet ze dan nu ineens huilen?’
‘Ze zegt dat ze eenzaam is.’ De laatste keer dat Sonia naar huis gekomen was, was twee jaar geleden.
‘Eenzaam? Eenzaam?
In Allahabad had niemand geduld met eenzaamheid. Ze voelden wellicht de eenzaamheid van verkeerd begrepen worden; ze kenden mogelijk het leeggezogen gevoel van de middagen in Allahabad, een uitgaand getij dat misschien nooit meer terugstroomt, wat ook een soort eenzaamheid was; maar ze hadden nooit alleen in een huis geslapen, nooit alleen een maaltijd gebruikt, nooit ergens gewoond waar ze niemand kenden, waren nooit wakker geworden zonder een kok die thee bracht of zonder meerdere mensen goedemorgen te wensen:
Namasté, Khansama.
Goedemorgen, mama.
Goedemorgen, papa.
Mina, goedemorgen.
Ayah, namasté…
Als Dadaji dacht aan het gedicht van Wordsworth dat hij op school had geleerd – ik dwaalde eenzaam als een wolk/hoog zwevend over berg en dal – kwam die regel hem zo bespottelijk voor dat hij het hoofd in de nek gooide en zo hard bulderlachte dat zijn bovengebit met een klap dichtviel. Maar omdat hij in een uitzonderlijk gulle bui was vanwege de waardestijging van zijn aandelen zei Dadaji tegen Mina Foi dat ze Sonia moest bellen. Omdat hij werd gekweld door zichtproblemen – een los netvlies, glaucoom, staar – hield hij een vergrootglas voor zijn tranende, rode oog en boog zich zo ver voorover dat zijn neus het adresboekje raakte toen hij het nummer oplas van de studentenflat van Hewitt College in North Hewitt. Mina Foi stak haar vinger in de gaatjes van de draaischijf en probeerde bijna een uur lang te bellen, tot haar vinger stram werd. Eindelijk rinkelde de telefoon in de verte en nam er iemand op met iets wat haar voorkwam als een cowboyaccent.
Gelukkig pakte Dadaji de andere hoorn op. Mina Foi durfde niet goed met een cowboy te spreken. Haar vinger bleef verstijfd in de lucht hangen.
‘Hallo, hallo, kunt u ons verbinden met Sonia Shah, van kamer nummer vijf,’ riep Dadaji. En toen Sonia in het telefoonhokje kwam: ‘Wat is er aan de hand? Waarom zegt je vader dat je niet gelukkig bent? Gaat het goed met je studie?’
‘Ja,’ zei Sonia met een bedeesd stemmetje.
‘Dus? Wat is het probleem dan?’
‘Wat geven ze je daar te eten?’ informeerde Mina Foi.
‘Macaroni!’ antwoordde haar grootvader aan het andere toestel.
‘Nee, Dadaji,’ antwoordde Sonia, ‘het menu is echt internationaal. We hebben een Chinese avond, een Mexicaanse avond.’
Mina Foi opperde: ‘Een Indiase avond?’
‘Voor de lunch hebben ze soms tijgertomaten, dat is tomaat en kaas op een geroosterde Engelse muffin met kerriepoeder.’
‘Daar heb ik nooit van gehoord!’ Verontwaardiging.
‘Toetjes?’ fluisterde Mina Foi.
‘Brownies met roomijs, pecantaart en bosbessentaart.’
Alleen al bij het idee van dergelijke buitensporige geheimzinnigheden voelde Mina Foi zich bezwijmen van machteloos verlangen.
‘Die taarten zijn typisch Amerikaans,’ bevestigde Dadaji. ‘Maar waarom moet je dan huilen, geluksvogeltje?’
Sonia probeerde het uit te leggen. ‘Ik blaas alles op in mijn hoofd. Ik kan alleen maar aan mezelf en mijn problemen denken. Ik zie vreselijk op tegen de winter. Als het donker en koud is, wordt het alleen maar erger…’
‘Doe wat flinke oefeningen, vat moed en pak dan je boeken. In moeilijke tijden moet je doorzetten. Als ik het leven waarvoor ik geboren was niet achter me had gelaten, dan zat je nu in Nadiad, en was je op je zestiende getrouwd. Dan studeerde je nu niet in Amerika.’
Mina Foi’s handen lagen in elkaar verstrikt op haar schoot terwijl ze terugdacht aan de bezoeken die ze in haar jeugd aan het huis van hun voorouders hadden gebracht, waar de vrouwen bij elkaar scharrelden wat de mannen van hun maaltijd hadden overgelaten. Als de meisjes ongesteld waren, werden ze verbannen – zelfs uit dit marginale bestaan – naar een hut aan de rand van het terrein, waar ze aten van aardewerkschotels die later op de vuilnishoop kapotgegooid werden zodat ze de wereld niet zouden vervuilen.
Dadaji had hen eigenhandig uit die achtergebleven omstandigheden weggehaald. Hij had dan wel een ijzeren wil en een furieus karakter, maar dat waren precies de eigenschappen waardoor Ba alle dagen van het jaar aan een glimmende mahoniehouten tafel kon zitten. Toen hij eenmaal met pensioen was, was hij met haar op wereldreis gegaan, samen met zijn jongere broer Amal Kaka en diens vrouw, want destijds had Amal Kaka zich de voorouderlijke bezittingen nog niet toegeëigend en waren de broers nog goed met elkaar.
Al die jaren later konden Ba en Dadaji zich geen enkele bezienswaardigheid herinneren, geen monument of museum, maar de groene sjaal die ze onderweg naar Machu Pichu verloren waren ze nooit vergeten, noch het apparaat dat beloofde via een koptelefoon over de geschiedenis van het Vaticaan te vertellen, maar dat, toen ze de muntjes erin hadden gegooid, geen woord zei en dat het loket gesloten was voor de lunch toen ze erover gingen klagen. ‘Moeten we over een kwartier terugkomen?’ hadden ze de suppoost gevraagd. ‘Is een kwartier lang genoeg om te lunchen?!’ had de suppoost boos geantwoord. Dat wisten ze nog, en ook dat ze in Wenen last hadden van verstopping en een hele dag op zoek waren geweest naar redelijk geprijsd fruit, maar dat nergens hadden gevonden. In Londen, in een hotel dat The Buckingham heette, waar je aannam dat de mensen eerlijk zouden zijn, was hun verteld dat het ontbijt inbegrepen was, maar dat was het niet. Ze hadden in Parijs een klein fortuin uitgespaard door in de elektrische waterkoker rijst en linzen te koken voor het avondeten, waarbij Dadaji op een stoel was geklommen om het rookalarm in de hotelkamer te ontmantelen. De Franse keuken was tegengevallen, waarom was iedereen daar nou zo enthousiast over? Ze zagen overal waar ze kwamen dezelfde drie sandwiches en twee sauzen. Met die twee sauzen hadden de Fransen de hele wereld geterroriseerd.
En in de meeste buitenlanden bleken de inwoners geen respect te hebben voor Indiase toeristen, terwijl ze de witte reizigers flemend achternaliepen. Het was daarom maar het beste om tussen je eigen mensen te wonen en je eigen strikte normen aan te houden. Ba en Dadaji hadden de grote wereld klein gemaakt en waren tevreden naar huis teruggekeerd.
‘Hoezo eenzaam?’ zei Dadaji tegen Sonia. ‘Wij vonden de Amerikanen heel aardig. Toen we naar de Grand Canyon gingen, hadden we onze bananen in de bus laten liggen en toen stapte er een mevrouw uit die achter ons aan holde om ze terug te geven. Toen moest ze op de volgende bus wachten.’
‘Aardig zijn ze wel,’ beaamde Sonia’s stemmetje.
‘En het land is prachtig,’ zei Dadaji.
‘Dat is waar,’ zei Sonia.
‘En er is zoveel lege ruimte!’
‘Ja.’ Ze hoorden dat Sonia begon te huilen en toen viel de telefoonlijn dood.
Ze gingen weer naar de veranda; het zou te verkwistend zijn om terug te bellen. De zon fonkelde nu voorzichtig boven de nevel; de kraaien waren gekalmeerd en de gebochelde ayah was begonnen met vegen, met een takkenbezem die een paar keer zo groot was als zijzelf. Ze had het hoofd en gezicht bedekt met haar sari, die stoffig bruin was, en ze veegde het stof uit het huis naar de veranda en daarna via alle brede, lage treden naar de guaveboomgaard – waar in het seizoen de beroemde roze guaven van Allahabad vandaan kwamen –, waar ze het stof naar het stof op het stof veegde en een schulppatroon van stof achterliet tot aan de buitenste rand van het terrein.
’s Avonds zou het stof weer teruggevlogen zijn en de draadgazen hokjes in de horramen verstoppen, de philodendrons bedekken, M.L. Shah, Advocaat, Hooggerechtshof, de naam op het hek, doen vervagen, de papieren en dossiers verzanden en de toetsen van de typemachine laten knarsen. Toen Sonia nog klein was, had Mina Foi haar – enigszins trots op haar misère – laten zien dat als ze in de wasbak spuugde, er beige wegenstof uit kwam.
Ba en Dadaji hadden Mina Foi niet meegenomen op hun wereldreis, want ze had inmiddels bewezen dat ze een pechvogel was, en voor iemand die voor het ongeluk geboren is, hoef je geen moeite te doen. Drieëndertig jaar geleden had Dadaji zijn dochters terugkeer uit een huwelijk van een halfjaar begroet met van afkeuring doortrokken stilte, hoewel hijzelf degene was die de verloving geregeld had. Het leek de schuld van Mina Foi, omdat ze nooit geluk had.
‘Nooit werkt er iets voor Mina,’ had Ba verkondigd, en het was alsof haar tragedie was gewassen, opgevouwen en opgeborgen in zo’n zwarte blikken koffer vol bruidsschatsari’s en wolgoed vol mottenballen, die de generaties overleefde. Maar elk jaar op haar verjaardag, speciaal voor die gelegenheid, werd de Hindustan Ambassador door de chauffeur ingezeept en gewassen, zo intiem en zachtzinnig alsof de auto een karbouw was, en daarna naar de vooringang gereden zodat moeder en dochter een bezoek konden brengen aan Mina Foi’s erfgoed, de familiejuwelen die veilig in een kluis van de State Bank of Baroda lagen. Onderweg zetten ze Dadaji af bij het huis van de kolonel aan Thornton Lane voor zijn wekelijkse schaakafspraak. In een marineblauwe blazer met een rode stropdas, want hij was altijd correct gekleed als hij de deur uit ging, voegde Dadaji zich bij de kolonel, ook in jasje en dasje, die in zijn voortuin zat te wachten met het schaakbord, en hij zei tegen de vrouwen dat ze hem twee uur later weer moesten komen ophalen.

[…]

 

Copyright © 2025 Kiran Desai
Copyright Nederlandse vertaling © 2025 Petra C. van der Eerden en Paul van der Lecq

Gerelateerde boeken

Wil je van je bestaande account gebruikmaken op onze nieuwe website? Je behoudt dan onder meer je bestelgeschiedenis, reeds aangeschafte e-books en je persoonlijke verlanglijst. Als je toestemming geeft krijg je direct een mail om een nieuw wachtwoord in te stellen.

Voer een geldig e-mailadres in

Hostname: pro-mbooks2