Nu in al onze Amsterdamse boekhandels, en bij de Amsterdamse kinderboeken: Astrid Sy’s De glazenwasser van het Rijksmuseum, met illustraties van Marieke Nelissen! Lees nu een fragment en koop dat boek.
In De glazenwasser van het Rijksmuseum neemt Jonge Beckmanprijswinnaar Astrid Sy je mee naar historisch Amsterdam, wanneer de 12-jarige Freddie een groot geheim in het Rijksmuseum ontdekt. Een meeslepend avontuur over tijdreizen, kunst en identiteit dat zich afspeelt in de hoofdstad, die in 2025 zijn 750-jarig bestaan viert.
Freddie woont alleen in een torenkamertje in het Rijksmuseum. Sinds de dood van zijn vader is hij daar de glazenwasser. Op een nacht ziet hij een groepje mannen De Nachtwacht onderzoeken. Wat zijn ze van plan? Freddie raakt verwikkeld in een avontuur vol wilde achtervolgingen, schilderijen die tot leven komen en raadsels die hem terug in de tijd brengen. Ergens in het Rijksmuseum is een geheim verborgen dat verbonden is met zijn eigen verleden...

Proloog
Het stormde in Amsterdam. De wind trok de bomen krom en sleurde fietsen de gracht in. Dakpannen vlogen van de daken. Er klonk een harde donderslag en het Rijksmuseum schudde op zijn grondvesten. Binnen rende een man door de inktzwarte zalen. Een bliksemflits. De schilderijen aan de muren lichtten enkele seconden op in het spookachtige schijnsel. De voetstappen van de man galmden op de houten vloer, eenzaam en snel. Tijdens het rennen keek hij telkens achterom.
Struikelend kwam hij tot stilstand en hij ging op zijn knieën zitten. Zijn handen bibberden toen hij een vel papier en een potlood uit zijn zak pakte. Hij begon te schrijven. Tranen drupten langs zijn neus en bevlekten het papier. Het zwakke licht van zijn zaklamp scheen op de haastig geschreven letters. In de verte klonken luide stemmen. De man keek over zijn schouder. De stemmen kwamen dichterbij. Haastig vouwde hij het papier dubbel en kwam overeind.
‘Isabella,’ fluisterde hij met trillende stem. ‘Word wakker, vlug! Ik heb iets wat je voor me moet bewaren.’
De man nam een aanloop… en sprong.
Deel 1
De gave
1
De glazenwasser van het Rijksmuseum
Het Rijksmuseum was gesloten. De laatste bezoekers hadden zich naar de uitgang gehaast, de suppoosten deden hun ronde, de lichten gingen uit. In de museumzalen, de trappenhuizen, de binnenplaats, de toiletten, het restaurant en de kantoren – overal was het stil.
Een deur ging krakend open en een jongen gluurde om de hoek. Met zijn handen in de zakken van zijn grijze overall liep hij even later door het uitgestorven gebouw. Vanuit ronde lichtschachten in het plafond scheen het avondlicht een lange zaal in. Aan weerskanten waren kabinetten vol schilderijen: kleine, grote of zelfs reusachtige, dicht op elkaar gepropt. De ruimte, die de Eregalerij werd genoemd, had door het hoge gewelfde plafond iets weg van een kathedraal.
De jongen slenterde langs kasten vol porselein, stenen bustes van knorrige meneren en standbeelden van Griekse vrouwen. De houten vloer kraakte onder zijn voetstappen. Aan het einde van de zaal stopte hij voor De Nachtwacht, het grootste schilderij in de Eregalerij. De mannen op het doek leken druk in de weer te zijn. Ze keken belangrijk en wezen in allerlei richtingen.
‘Wat een blaaskaken,’ mompelde de jongen.
Hij ging verder de verdieping rond, via Karel de Grote en de internationale zaal met alle bloteriken, naar de vijftiende en zestiende eeuw en de portrettengalerij. Daar werd hij van alle kanten aangestaard door bleke mannen met onderkinnen, vrouwen in dichtgesnoerde korsetten en stijf opgedofte kinderen.
Terug in de voorhal, waar je de Eregalerij binnenkwam, glansden de bladeren van de echte palmen in de oranje gloed van de ondergaande zon. De figuren op de muurschilderingen en in de kleurrijke gebrandschilderde ramen keken glazig voor zich uit.
De jongen ging sneller lopen en doorkruiste een paar kleinere ruimten die waren ingericht als zeventiende-eeuwse huiskamers. Even verderop sloeg hij links af, de zalen in met kunst uit de negentiende en vroege twintigste eeuw: De moderne kunstzalen.
Hier waren de schilderijen ruwer en alles om de jongen heen leek in beweging. Steden in aanbouw, haastende mensen op straat en een bloemenveld geschilderd als één paarse veeg.
Maar de jongen had alleen oog voor één schilderij.
Alles aan het meisje was zacht. Haar zwarte krullen, de witte plooimuts met roze bloemen, haar blauwe jurk. Om haar lippen speelde een kleine glimlach. Haar bruine huid straalde. Haar zachte blik leek net langs de jongen heen te gaan. Alsof haar gedachten heel ver weg waren, onbereikbaar en geheim.
‘Hoi, ik ben het, Freddie.’ De jongen nam zijn pet af en ging op de houten vloer pal voor het schilderij zitten.
‘’t Is alweer een maand geleden…’ Hij zuchtte. ‘Ik mis hem…’
Het meisje zei niets terug. Nee, natuurlijk niet. Ze was een geschilderd meisje in een kleine lijst. Zo klein dat een ander er misschien zo voorbij was gelopen. Maar Freddie niet. Het was het lievelingsschilderij van zijn vader geweest.
Freddie slikte de brok in zijn keel snel weg en zei: ‘Ja, ik ben vandaag jarig, leuk dat je dat hebt onthouden! Nee, maak je maar geen zorgen, hoor, ik red me wel. Ik heb genoeg te doen hierzo. En wat moet ik anders? Naar het weeshuis?’ Freddie schudde zijn hoofd. ‘Dat nooit! Ik ben hier nodig, in het museum. Of ik honger heb? Nee, joh. Mevrouw Hoek geeft me altijd de restjes uit de Villa. Nee, nee, ik red me wel…’
Zijn ogen gleden naar het bordje dat naast het schilderij hing en hij snoof. Zalen vol opgedirkte mannen en vrouwen die eruitzagen als verjaardagstaarten hadden ingewikkelde titels en twee of zelfs drie namen, met soms een nummer erachter. En het mooiste meisje uit het Rijksmuseum moest het doen met Negerinnetje. Freddie haatte het.
‘Je moet toch een naam hebben?’ fluisterde hij. ‘Hoe heet je?’
Maar het meisje in het schilderij bleef koppig wegkijken. Ik ben heel diep aan het nadenken. Allemaal slimme gedachten over belangrijke dingen. Ga nu maar snel naar je toren, Freddie, het wordt veel te laat. Straks word je nog betrapt door de nachtsuppoost. Zoiets leek ze te zeggen.
‘Jaja, ik ga al…’
Freddie kwam overeind en klom even later in het trappenhuis uit een raam. Behendig klauterde hij over het gebouw, hoger en hoger. Tot hij boven op het glazen dak van de binnenplaats stond. Hij liep dwars over de punt van het dak, met zijn armen wijd uitgestrekt als een vogel. Precies in het midden ging hij zitten.
Vandaag, op 6 april 1933, was Freddie twaalf geworden. Een maand eerder was zijn vader overleden. Hij was vroeg in de ochtend door de tuinman gevonden. Gevallen van de zuidoostelijke toren. Een verkeerde stap gezet, dachten ze.
Freddies vader was de conciërge van het Rijksmuseum geweest. Maar iedereen noemde hem de Glazenwasser van het Rijksmuseum.
Over zijn dood werd niet veel gepraat. Want vlak voor hem waren nog twee andere medewerkers gestorven, een echtpaar. Ze waren conservatoren geweest, verantwoordelijk voor delen van de kunstcollectie.
[…]
Tekst © 2025 Astrid Sy
Illustraties © 2025 Marieke Nelissen
Uitgave van uitgeverij Luitingh-Sijthoff bv, Amsterdam