Lees je mee met de Volkskrant-leesclub? Dit zijn de eerste pagina’s van de nieuwe Pat Barker, De reis naar huis (The Voyage Home), vertaald uit het Engels door Eefje Bosch! Lees haar Cassandra en Clytemnestra-roman, koop dat boek.
Na tien bloedige jaren is de oorlog voorbij. Troje is vernietigd en de Grieken keren naar huis, met hun schepen vol oorlogsbuit en gevangengenomen vrouwen, onder wie de legendarische ziener Cassandra en haar bediende Ritsa. Cassandra was slavin en is nu de concubine - oorlogsbruid - van Agamemnon. Ze wordt geplaagd door visioenen van zijn dood en die van haarzelf. Ritsa is tegen wil en dank getuige van zowel Cassandra's hysterie als de verschrikkingen die hun worden aangedaan.
Ondertussen is koningin Clytemnestra, Agamemnons wraakzuchtige echtgenote, in afwachting van de terugkeer van de vloot. Ze is ontroostbaar vanwege de dood van haar oudste dochter, die door haar man aan de goden is geofferd voor een gunstige wind naar Troje. Geplaagd door geestverschijningen en visioenen heeft ze al die jaren gebroed op vergelding. Beide vrouwen hebben hetzelfde visioen over de dood van Agamemnon. Zijn langverwachte thuiskomst zal het lot van iedereen veranderen.
Met De reis naar huis vervolmaakt Pat Barker op majestueuze wijze haar trilogie over de mythologische vrouwen van Troje.
1
Ze had gele ogen. Zo nu en dan, vooral bij kaarslicht, leken het haast geen mensenogen meer. Calchas, de priester, had ooit gezegd dat ze hem aan een geit deden denken: dat ze de verdoofde blik had van een offerdier. Dat is niet hoe ík haar zag. Mij deed ze denken aan een zeearend, daar wemelde het van aan de kust waar ik ben opgegroeid; zeevaarders noemen ze de ‘arend met de zonverlichte ogen’. En hun ogen zijn prachtig, maar vergeet nooit die genadeloze snavel, die klauwen, scherp genoeg om levend vlees mee van het bot te rijten. Nee, ik zag haar niet als slachtoffer, maar kende haar dan ook beter dan menig ander. Ik was haar slavin of, om de gangbare, reguliere term te gebruiken die door slavinnen zelf gebezigd wordt: haar knechtje. En dat vond ik verschrikkelijk.
Die dag, de dag waarop we eindelijk het Griekse kamp verlieten en ons klaarmaakten om naar ‘huis’ te varen, zat ze me helemaal tot hier, omdat ze me de halve nacht wakker had gehouden met haar gebeden – als je al van gebeden kon spreken. In mijn oren klonken ze meer als het gekibbel van een getrouwd stel. Apollo zei niet veel – sterker nog, niets wat ik kon horen. Zij bleef maar zeggen: ‘Naar huis? Naar húís?’ alsof dat de ergste vloek was die ze kende. Ik wist wat ze bedoelde, want waar onze Griekse veroveraars ons ook mee naartoe namen, een thuis zou het zeker niet zijn. Thuis was voor mij een wit huisje naast een heuvel, met een achtertuin die zo steil opliep dat ik terrassen moest aanleggen om mijn kruiden te kunnen telen. Ik was dol op die tuin. Boven op de heuvel stonden geiten, waardoor ik de hele dag door belletjes hoorde klingelen. Voor Cassandra was thuis eerst een paleis geweest, toen een tempel; beide aan puin inmiddels, net als mijn huis – een gedeelde rampspoed die ons waarschijnlijk dichter bij elkaar had moeten brengen dan dit.
Ik liet Cassandra achter bij de kar en de bagage en maakte een laatste ronde door de hut om te zien of we niks hadden achtergelaten – of eigenlijk of zij niks had achtergelaten. Ik had niks om achter te laten. De planken waren korrelig onder mijn voeten, het zand drong al naar binnen. Normaal gesproken was het mijn taak om dat ’s ochtends weg te vegen, maar de afgelopen dagen had ik de moeite niet meer genomen. Waarom zou ik? Binnenkort zat het zand toch overal, hoopte het zich op in de hoeken, klemde het de deuren vast zodat ze niet meer open konden; en daarna zouden de winterstormen opsteken, die de barsten in de muren vonden, de verf lieten afbladderen, het hout vervormden tot er nog maar een paar palen over waren, her en der verspreid over een strand dat voor de rest alles al had opgeslokt. Ik proefde een bitter genoegen bij de gedachte dat de verwoeste marmeren paleizen en tempels van Troje nog eeuwen zouden blijven staan terwijl het Griekse kamp binnen luttele jaren van de aardbodem zou zijn verdwenen.
Hier zo in mijn eentje zijn, hoe kort ook, was een luxe. De afgelopen twee maanden had ik een hut met Cassandra gedeeld, die bij aankomst in een staat van ‘goddelijke waanzin’ had verkeerd, met gescheurde kleren en een rok onder de bloed- en spermavlekken. Niemand die Cassandra in die eerste dagen had gezien zou dat ooit nog van zijn netvlies krijgen. Met twee brandende fakkels boven haar hoofd stoof ze de stampvolle hut door en riep, met haar haar en rok wapperend achter zich aan: ‘Kom op, opstaan, wat mankeert jullie? Dansen!’ Haar moeder en zussen doken voor haar weg. ‘Kom op nou, wat mankeert jullie?’ – inmiddels stond ze tegen haar moeders scheenbeen aan te schoppen – ‘Opstaan, dansen! dansen!’ En Hekabe, die haar krankzinnige dochter uit alle macht tot bedaren wilde brengen, schuifelde wat heen en weer op haar schilferige oude voeten. Het was een nieuwe toevoeging aan alle gruwelen in het leven van de bejaarde koningin om te zien dat dit alles was wat er nog van haar dochter restte: een zielige figuur met kwijl op haar kin en een verlepte bloemenkrans om haar hals.
‘Kom op, allemaal. Dans op mijn bruiloft!’
Welke bruiloft? Net als alle andere vrouwen in het kamp zou Cassandra de rest van haar leven in slavernij moeten slijten. Haar koninklijke afkomst, haar status van hogepriesteres van Apollo, het zou allemaal niet meer mogen baten. Net als iedereen daar, net als haar eigen moeder, was ze geen voornaam persoon meer; ze was zelfs helemaal geen persoon meer. Ze was een ding, want dat is wat een slavin is – en niet alleen voor anderen, haar eigenaren, die haar gebruiken of misbruiken; nee, erger. Zelfs in je eigen ogen word je een ding. Je moet wel van heel goeden huize komen wil je je oude identiteit niet kwijtraken. De meesten van ons krijgen dat dan ook niet voor elkaar. Maar hier stond Cassandra – zo gek als een deur, als je ook maar de helft van de verhalen mocht geloven – te voorspellen dat ze op het punt stond de echtgenote van een groot koning te worden.
‘Wees blij!’ Ze moesten allemaal blij zijn voor haar, niet omdat ze met de rijkste, machtigste man van de Griekse wereld ging trouwen, maar omdat haar huwelijk rechtstreeks naar zijn dood zou leiden. Kijk hem nou, zei ze, jubelend over dode kinderen heen rijden, koning der koningen, heer der heren – en toch zal deze held, deze sterfelijke god, de dood sterven van een opgesloten varken op de vloer van een slachthuis. Haar eigen dood kon haar niet schelen. Ze zou met een lauwerkrans naar de duisternis afdalen, omdat ze had gedaan wat haar broers, ondanks al hun kracht en moed, hadden nagelaten: het hoofd van Agamemnon op gelijke hoogte met de aarde brengen.
Buiten zinnen. Ik herinner me niet dat die term voor haar ooit echt is gebruikt, maar goed, dat was ook niet nodig. Haar zussen keken elkaar meewarig aan, al deed niet een van hen een poging haar te troosten, viel me op. Zelfs omringd door de vrouwen uit haar eigen familie was ze moederziel alleen. Er werd niet per se op haar neergekeken, maar niemand geloofde haar voorspellingen; sterker nog, niemand luisterde überhaupt ooit naar haar.
Tegelijkertijd – en volkomen onverwacht – had Agamemnon haar als zijn trofee gekozen. Daar was ik bij geweest. Ik had de golf van verbazing, consternatie zelfs, gevoeld die door de arena was getrokken. Toen de menigte na afloop uiteenging, hoorde ik een paar Griekse krijgers zeggen: ‘Allemachtig, dat zou ik dus echt niet in mijn bed hoeven.’ ‘Nee, dan zou je nooit meer durven slapen.’ ‘Heb je haar met die fakkels gezien? Stak goddomme zowat de hele boel in de fik.’ ‘Nou ja, als de nood aan de man komt kunnen ze haar altijd nog aan haar bed vastbinden.’
Zoals later bleek zat hij er wat dat betreft niet ver naast. Ze werd opgesloten, voor haar eigen veiligheid, en ik was de gelukkige die haar mocht verzorgen. Het geraas en getier, het gespuug en gepis gingen gewoon door, maar nu achter gesloten deuren. Net als haar zussen negeerde ik de tirades – wat nog niet meevalt als ze midden in de nacht in je oor worden geschreeuwd. Wat ik niet kon negeren was die obsessie met vuur. Om de minuut keek ze mijn kant op, wachtend tot ik in slaap viel zodat ze de hut uit kon om buiten langs het pad de fakkels uit de houders te halen. Als ik wakker werd stond de deur wagenwijd open, stroomde er koude lucht naar binnen, en stond Cassandra op het pad die fakkels in grote cirkels boven haar hoofd rond te zwaaien. Ongetwijfeld meende ze, met haar arme bezeten hoofd, dat het de fakkels van Hymen waren die een maagdenbruid naar haar bruidsbed leiden.
Urenlang lag ik wakker, naar de balken van het dak te staren, bang om ook maar even mijn ogen dicht te doen omdat ik dan in slaap zou kunnen vallen. ‘Goddelijke waanzin’, werd het genoemd, maar voor mij, die haar als ze wakker was nauwlettend in de gaten hield, haar haren kamde, haar gezicht waste, haar bloederige zwachtels verschoonde – zelfs dat kon ze niet zelf – was er niks ‘goddelijks’ aan. Toen ze uiteindelijk enigszins tot bedaren kwam, toen ze niet meer uren achter elkaar liep te ijsberen, met rondspattend spuug, vingers die in het wilde weg rondklauwden, toen ze na vijftien uur slaap rechtovereind in bed zat en een beker koud water aannam, was ik gebroken. Ik ben nog nooit zo dicht bij de rand van een fysieke en geestelijke afgrond geweest als toen. Maar ik was ook benieuwd. Ondanks de wekenlange gedwongen intimiteit had ik nog steeds het idee dat ik deze vrouw totaal niet kende, iets wat ik wel wilde.
[…]
© 2024 Pat Barker
© 2025 Nederlandse vertaling Ambo|Anthos uitgevers, Amsterdam en Eefje Bosch