Leesfragment: De verwarring van een jonge Törless

20 juni 2025, door Robert Musil

Genomineerd voor de Filter Vertaalprijs 2025: Robert Musils De verwarring van een jonge Törless (Die Verwirrungen des Zöglings Törleß), vertaald uit het Duits door Jan Sietsma! Lees bij ons een fragment en koop dat boek.

De verwarring van een jonge Törless, Robert Musils eerste roman uit 1906, beschrijft het machtsmisbruik, het snobisme en de genadeloze homo-erotische wreedheid op een kostschool. Törless, de hoofdpersoon, is er getuige van hoe twee van zijn vrienden op school een klasgenoot stelselmatig misbruiken en vernederen. Törless wordt verscheurd door gevoelens van zowel afkeer als fascinatie en helpt het slachtoffer niet. De roman illustreert ook op levendige wijze de crisis van een hele maatschappij, waar de afbraak van traditionele waarden en de cultus van meedogenloze mannelijke kracht al snel zouden leiden tot de catastrofe van de Eerste Wereldoorlog en de opkomst van het fascisme.

Meer dan een eeuw na zijn ontstaan heeft De verwarring van een jonge Törless nog niets van zijn schokkende, profetische kracht verloren. De Oostenrijkse schrijver Robert Musil (1880-1942) debuteerde in 1906 met De verwarring van een jonge Törless. Zijn bekendste werk is de monumentale roman De man zonder eigenschappen, waaraan hij twintig jaar lang schreef, zonder hem te voltooien.

  • ‘Musils taalvaardigheid – het samensmelten van doel, stijl en resultaat – is virtuoos. Hij is zo’n volmaakte stilist dat Kafka naast hem onvolwassen lijkt, Mann spraakziek, Brecht slinks, Rilke pretentieus en Walter Benjamin hermetisch.’ New York Times Book Review


 

Een klein station aan de spoorweg die naar Rusland leidt.
Eindeloos recht liepen vier evenwijdige rails in beide richtingen tussen het gele grind van de brede spoorbaan; naast iedere rail als een smoezelige schaduw een donkere streep, in de grond gebrand door de afgewerkte stoom. Achter het lage, met olieverf beschilderde stationsgebouw leidde een brede uitgereden weg omhoog naar het perron. De randen van de weg gingen verloren in de rondom platgetreden grond en waren alleen te herkennen aan twee rijen acaciabomen die treurig aan weerszijden stonden, met verdorde, door stof en roet verstikte bladeren.
Of het nu lag aan deze droeve kleuren of aan het bleke, krachteloze, door de nevel vermoeide licht van de namiddagzon: voorwerpen en mensen hadden iets onverschilligs, levenloos, mechanisch over zich, alsof ze uit een scène van een poppenspel waren gelicht. Van tijd tot tijd, met gelijke tussenpozen, kwam de stationschef zijn kantoor uit om met dezelfde draai van zijn hoofd langs de brede weg omhoog te kijken naar de seinen van de wachthuisjes die nog steeds niet het naderen van de sneltrein wensten aan te geven, die aan de grens grote vertraging had opgelopen; met eenzelfde beweging van zijn arm haalde hij vervolgens zijn zakhorloge tevoorschijn, schudde het hoofd en verdween weer, zoals het komen en gaan van figuren die uit oude torenklokken stappen als het uur vol is.
Op de brede aangestampte strook tussen de spoorlijn en het gebouw wandelde een monter gezelschap jonge mensen, links en rechts van een ouder echtpaar schrijdend, dat het middelpunt vormde van het enigszins luide onderhoud. Maar ook de vrolijkheid van deze groep klonk niet helemaal echt; het geluid van hun uitgelaten gelach leek na een paar stappen reeds te verstommen, alsof het vanwege een taaie onzichtbare weerstand naar de grond was gezakt.
Frau Hofrat Törless, dit was de dame van misschien veertig jaar oud, verborg achter haar dichte sluier droeve, ietwat roodgeweende ogen. Er diende afscheid te worden genomen. En het viel haar zwaar om haar enig kind nu weer zo lang bij vreemden achter te moeten laten, zonder de mogelijkheid om zelf beschermend over haar lieveling te waken.
Want het stadje lag ver van de residentie, in het oosten van het Rijk, te midden van dunbevolkt en droog akkerland. De reden dat Frau Törless het moest dulden haar jongen in zulke verre en onherbergzame streken te weten, was dat zich in deze stad een beroemde kostschool bevond, die men al sinds de vorige eeuw, toen het op de grond van een vroom stift was gesticht, hier had laten staan, waarschijnlijk om de opgroeiende jeugd tegen de verderfelijke invloeden van de grote stad te beschermen.
Want hier ontvingen de zonen van de beste families van het land hun opleiding, om na het verlaten van het instituut de universiteit te bezoeken of in militaire of staatsdienst te treden, en in al deze gevallen, alsook voor de omgang in de hogere kringen, gold het als een bijzondere aanbeveling om in de kostschool te W. opgegroeid te zijn.
Vier jaar geleden had dat het ouderpaar Törless ertoe bewogen aan het eerzuchtig aandringen van hun jongen toe te geven en zijn opname in het instituut te bewerkstelligen.
Dat besluit had later veel tranen gekost. Want bijna vanaf het moment waarop de poort van het instituut zich onherroepelijk achter hem gesloten had, leed de kleine Törless aan vreselijke, hartstochtelijke heimwee. Noch de lesuren, noch het spelen op de grote weelderige weiden van het park, noch de andere verstrooiingen die de kostschool zijn pupillen bood, wisten hem te boeien; hij nam er nauwelijks aan deel. Hij zag alles alleen maar als door een sluier en had zelfs overdag dikwijls moeite een hardnekkig snikken te onderdrukken; ’s avonds evenwel viel hij altijd onder tranen in slaap.
Hij schreef brieven naar huis, bijna dagelijks, en alleen in die brieven leefde hij; alles wat hij verder deed, leek hem slechts een schimmig, betekenisloos gebeuren, onverschillige haltes als uurmarkeringen op een wijzerplaat. Maar als hij schreef, voelde hij iets karakteristieks, iets exclusiefs in zich; als een eiland vol prachtige zonnen en kleuren rees in hem iets op uit de zee van grauwe gevoelens die hem van dag tot dag koud en onverschillig omstuwde. En wanneer hij overdag tijdens het spelen of in de klas eraan dacht dat hij ’s avonds een brief zou schrijven, was het alsof hij verborgen aan een onzichtbare ketting een gouden sleutel droeg, waarmee hij, wanneer niemand het zag, de poort naar prachtige tuinen zou openen.
Het merkwaardige was dat deze plotse verterende hang naar zijn ouders voor hemzelf iets nieuws en bevreemdends had. Hij had die van tevoren niet vermoed, hij was graag en uit vrije wil naar het instituut gegaan, hij had zelfs gelachen toen zijn moeder bij het eerste afscheid geen woord kon uitbrengen van het huilen, en pas daarna, toen hij al een aantal dagen alleen was geweest en zich redelijk op zijn gemak had gevoeld, was het plotseling en elementair in hem losgebroken.
Hij dacht dat het heimwee was, een smachten naar zijn ouders. In werkelijkheid ging het om iets veel onbestemders en complexers. Want het ‘voorwerp van dit verlangen’, het beeld van zijn ouders, was daarin eigenlijk helemaal niet meer vervat. Ik bedoel een zekere plastische, niet zuiver mentale maar lichamelijke herinnering aan een geliefd persoon, die alle zinnen aanspreekt en in alle zinnen wordt bewaard, zodat je niets kunt doen zonder de ander zwijgend en onzichtbaar naast je te voelen. Die herinnering stierf al snel weg als een nagalm die nog enige tijd heeft voortgetrild. Törless was toen bijvoorbeeld al niet meer in staat het beeld van zijn ‘lieve, lieve ouders’ – zo sprak hij er bij zichzelf meestal over – voor ogen te toveren. Probeerde hij het, dan kwam in plaats daarvan een grenzeloze pijn bij hem naar boven, waarvan het verlangen hem tuchtigde en hem toch eigengereid vasthield, omdat zijn hete vlammen hem tegelijk pijn deden en in verrukking brachten. De gedachte aan zijn ouders werd hierbij steeds meer een gelegenheidsoorzaak om dit egoïstische lijden bij zichzelf op te wekken, dat hem in zijn wellustige trots opsloot als in de afgeslotenheid van een kapel, waar, omringd door honderd brandende kaarsen en honderd ogen van heiligenbeelden, wierook tussen de pijnen van de zelfflagellanten wordt gestrooid.–––
Toen zijn ‘heimwee’ daarna minder hevig werd en geleidelijk aan verdween, kwam de eigen aard ervan heel duidelijk naar voren. Het verdwijnen ervan bracht ten langen leste geen tevredenheid met zich mee, maar liet in de ziel van de jonge Törless een leegte achter. En aan dat niets, aan dat onvervulde in zichzelf, herkende hij dat het niet zomaar een verlangen was dat verloren was gegaan, maar iets positiefs, een geestelijke kracht, iets wat onder het mom van pijn in hem was uitgebloeid.
Maar dat was nu voorbij, en die bron van een eerste hogere zaligheid was in hem pas voelbaar geworden door op te drogen.
In die tijd verdwenen de hartstochtelijke sporen van een ontwakende ziel weer uit zijn brieven en maakten plaats voor uitvoerige beschrijvingen van het leven op het instituut en zijn nieuw gemaakte vrienden. Zelf voelde hij zich verarmd en kaal, als een boompje dat na een vruchteloze bloei zijn eerste winter beleeft.
Maar zijn ouders waren tevreden. Zij hielden van hem met een sterke, gedachteloze en dierlijke tederheid.

[…]

 

Copyright Nederlandse vertaling © 2024 Jan Sietsma

Wil je van je bestaande account gebruikmaken op onze nieuwe website? Je behoudt dan onder meer je bestelgeschiedenis, reeds aangeschafte e-books en je persoonlijke verlanglijst. Als je toestemming geeft krijg je direct een mail om een nieuw wachtwoord in te stellen.

Voer een geldig e-mailadres in

Hostname: pro-mbooks2