Leesfragment: Dood en levend

21 oktober 2025, door Zadie Smith

30 oktober verschijnt het nieuwe boek van Zadie Smith: Dood en levend. Essays (Dead and Alive), vertaald door Gerda Baardman, Nicolette Hoekmeijer, Frank Lekens, Kitty Pouwels en Tjadine Stheeman! Wij publiceren voor. Lees nu een fragment en reserveer je boek.

Er zijn maar weinig schrijvers die de kunst en het ambacht van het literaire essay zo goed verstaan als Zadie Smith. Ze relateert haar persoonlijke ervaringen en ideeën aan de grote vraagstukken van deze tijd en weet daarbij steeds haar solidariteit en empathie te behouden. In haar nieuwe essaybundel verdiept Smith zich in onderwerpen die haar de afgelopen jaren hebben beziggehouden. Ze voert bijna intieme dialogen met haar inspiratiebronnen; ze beschrijft het werk van kunstenaars en filmmakers, schrijvers en denkers. Wij mogen met haar meeleven aan haar bureau, waar ze de beruchte rechtszaak onderzoekt die de basis vormt van haar laatste bestseller Charlatan. En ze vraagt ons met haar mee te rouwen om het heengaan van literaire grootheden als Joan Didion, Martin Amis, Hilary Mantel, Philip Roth en Toni Morrison.

Zadie Smith (1975) is de auteur van zes romans en diverse essays en verhalen. Ze won onder meer de James Tait Black Memorial Prize, de Orange Prize for Fiction, de Whitbread First Novel Award en de Guardian First Book Award, en stond op de shortlist van de Man Booker Prize en de Baileys Women’s Prize for Fiction.



 

Nog steeds gefascineerd: een pleidooi voor fictie

Ik ben me er altijd van bewust geweest dat ik een inconsistente persoonlijkheid ben. Dat er veel tegenstrijdige stemmen door mijn hoofd rondspoken. Als kind schaamde ik me daarvoor. Andere mensen leken precies te weten wie en wat ze waren, die waren van zichzelf overtuigd. Zo ben ik nooit geweest. Ik heb nooit het vermoeden van me kunnen afschudden dat alles aan mij een gevolg was van een reeks onwaarschijnlijke toevalligheden – waarvan mijn geboorte, die kans van 400 triljoen tegen één, niet de minste was. Zoals ik het zag hadden zelfs mijn sterkste gevoelens en overtuigingen voor hetzelfde geld heel anders kunnen zijn als ik het kind van de buren was geweest of in een andere eeuw, een ander land of een andere cultuur was geboren. Niets lag vast.
Een concreet voorbeeld: als het Pakistaanse meisje dat naast ons woonde met henna mehndi op mijn handen schilderde – ze oefende graag op me – kon ik me moeiteloos voorstellen dat ik haar zusje was. Ik stelde me voor dat ik bij Asma woonde en dezelfde dingen wist en voelde als zij. Het kwam zelfs zelden voor dat ik bij een vriendinnetje thuiskwam zonder me af te vragen hoe het zou zijn als ik daar nooit meer wegging. Hoe het zou zijn als ik Pools, Ghanees, Iers of Bengaals was, of rijker, of armer, of als ik net zo bad als zij of dezelfde politieke overtuigingen had. Ik was de voyeur van de Gelijke Kansen. Ik wilde weten hoe het was om ieder ander te zijn. En ik vroeg me vooral af hoe het zou zijn om het soort dingen te geloven waarin ik niet geloofde. Als mijn vrome oom Ricky er was en het ogenblik brak aan dat iedereen aan tafel het hoofd boog, de ogen sloot en God bedankte voor zijn bordje Jamaicaanse gedroogde vis, dan kon ik mezelf maar al te makkelijk wijsmaken dat ik ook Jehova’s getuige was. Dan zag ik mezelf van het eiland vertrekken en in het ijskoude Engeland aankomen, rillend en me vastklampend aan de hand van mijn moeder – die in deze fictieve versie van het verhaal mijn grote zus was.
Ik zal niet beweren dat mijn voorstelling van dat alles klopte – maar dwangmatig was ze wel. En wat ik in het echte leven deed, deed ik ook met boeken. Ik leefde erin en zij leefden in mij. Ik voelde me werkelijk Jane Eyre en Celie en Mr Biswas en David Copperfield. Onze autobiografische gegevens pasten zelden bij elkaar. Ik heb nooit een vriendin gehad die aan de tering overleed, ben nooit door mijn vader verkracht en heb nooit in Trinidad, het Diepe Zuiden of de negentiende eeuw geleefd. Maar ik heb me wel verloren en verdrietig gevoeld, soms wanhopig en vaak verward. Op grond van zulke vage emotionele vingerwijzingen voelde ik met die denkbeeldige onbekenden mee: ik voelde met hen, voor hen, naast hen en via hen, ik extrapoleerde vanuit mijn eigen emoties, die, hoewel ze in het niet vielen naast de grote drama’s in de literatuur, er toch wel mee verwant waren, zoals alle menselijke gevoelens. De stemmen van de personages voegden zich bij het koor van alle andere stemmen in mij en maakten het idee van een ‘eigen stem’ onduidelijk. Of misschien kan ik beter zeggen: ik heb nooit geloofd dat ik een stem had die helemaal losstond van de vele andere die ik dagelijks hoor, lees en internaliseer.
Ergens in die inconsistente kindertijd stuitte ik bij toeval op een oude karikatuur die me raakte: Charles Dickens, toonbeeld van tevredenheid, omringd door al zijn tot leven gekomen personages. Ik vond dat er troost van uitging. Dickens maakte geen bekommerde of beschaamde indruk. Hij leek niet te vrezen dat hij misschien schizofreen was of een andere pathologische afwijking had. Hij had een naam voor zijn aandoening: hij was romancier. In mijn jeugd is dat ook mijn coverstory geworden. En in mijn romans ben ‘ik’ nu al jaren volwassene en kind, man en vrouw, zwart, bruin en wit, homoseksueel en hetero, grappig en tragisch, progressief en conservatief, gelovig en goddeloos en natuurlijk ook levend en dood. Alle stemmen in mij hebben zich laten horen, en hoewel ik nooit de tevredenheid heb bereikt die ik in die tekening zag – en die misschien ook maar fictief was – heb ik er al die tijd naar gestreefd me minder te schamen voor mijn dwangmatige belangstelling voor de levens van anderen en de talloze stemmen in mijn hoofd. En als ik dan toch weer word ingehaald door die oude zelfhaat, probeer ik aan die tekening te denken en aan de welbekende regels van Walt Whitman:

Do I contradict myself?
Very well then I contradict myself,
(I am large, I contain multitudes.)

Spreek ik mezelf tegen?
Goed, dan spreek ik mezelf tegen.
(Ik ben groot, ik omvat menigten.)

Ik ben vast niet de eerste romancier die dat oude stukje Whitman van stal haalt om onze onverdedigbare kunst te verdedigen. En het zou makkelijk zijn om nu aan een triomfalistisch pleidooi voor de fictie te beginnen en iedereen belachelijk te maken die daar argwanend tegenover staat – het soort lezer dat zich afvraagt hoe een man Anna Karenina heeft kunnen schrijven, of waarom Zora Neale Hurston een boek heeft geschreven waar geen zwarte mensen in voorkomen, of waarom een lesbische vrouw als Patricia Highsmith zich zo lang kon inleven in een (althans ogenschijnlijk) heteroseksuele man als Ripley. Maar in die geest schrijf ik geen fictie en zo kan ik het ook niet verdedigen. Bovendien zegt een tegenstem in mijn hoofd dat de tekst van Whitman wel een zekere verwaandheid ademt. Menigten omvatten klinkt tegenwoordig als een vorm van kolonialisme. Wie is die Whitman, wie denkt hij wel dat hij is, dat hij iets of iemand kan omvatten? Laat Whitman voor Whitman spreken, dan spreek ik wel voor mezelf. Hoe kan Whitman – wit, homoseksueel, Amerikaan – bijvoorbeeld een zwart polyseksueel Brits meisje omvatten, of een non-binaire Palestijn of een Republikeinse baptist uit Atlanta? Hoe kan Whitman, die in 1892 is overleden, mensen omvatten die in het tumultueuze jaar 2019 leven, of zelfs maar iets van onze eigenaardigheden weten of vermoeden?
Die innerlijke stem vermoedt dat het probleem begint met het woord omvatten, dat een zeker lexicaal terrein met andere lastige discussies gemeen lijkt te hebben. De taal van het recht op grond. De taal van de gevangenisideologie. De taal van de immigratiepolitiek. Zelfs de taal van de militaire strategie. Ook lijkt het mij geen wonder dat we in 2019 zo overgevoelig voor taal zijn, want die hebben we altijd bij ons, in onze mond en in onze gedachten. Die is er altijd, binnen handbereik, en we kunnen er van alles aan en mee veranderen, soms zelfs radicaal veranderen, terwijl veel kwesties van meer materiële aard – met name economische ongelijkheid, strafrechthervorming, immigratiebeleid en oorlog – juist angstaanjagend onhandelbaar blijken. En taal is ook letterlijk ‘omvattend’. De termen die we kiezen – of die ons worden aangereikt – gedragen zich als omhulsels voor onze ideeën en vormen daardoor onvermijdelijk onze gedachten, of de gedachten die we menen te hebben. Zo worden onze ideeën over ‘culturele toe-eigening’ bijvoorbeeld zwaar beïnvloed door de term zelf, dat kan haast niet anders. Toch behandelen we die twee zorgvuldig gekozen woorden alsof ze elk op zich neutrale elementen zijn, uit de hemel tot ons neergedaald, terwijl het – net als alle taalconstructies – gewoon verbale omhulsels zijn, die net als alle andere verbale omhulsels bepaalde ideeën tot bloei laten komen en andere juist in hun mogelijkheden beperken.
Ik vraag me wel eens af hoe onze discussie over fictie eruit zou zien als ons meest gebruikte verbale omhulsel voor het schrijven over anderen niet ‘culturele toe-eigening’ was, maar bijvoorbeeld ‘interpersoonlijk voyeurisme’, ‘diepgaande fascinatie voor de ander’ of zelfs ‘trans-epidermale reanimatie’. De discussie zou nog steeds levendig zijn en misschien zelfs nog steeds hoog oplopen – maar verder zou alles anders zijn. Staan we niet iets te passief tegenover de begrippen die ons zijn doorgegeven? We laten ze voor ons denken, we gebruiken ze als markering als we zelf te beroerd zijn om te denken. Wat zij zegt. Maar het is toch de taak van de schrijver om zelf te denken? En daar is het al, in die verontwaardigde retorische vraag, het innerlijke stemmetje dat het veelzeggende vleugje triomfalisme van de babyboomer heeft geroken, het gebrek aan morele verantwoordelijkheid van generatie X… Ja, ik vind inderdaad dat een schrijver zelf hoort te denken, al vind ik ook dat dat geen onveranderlijk vastliggende taak is, maar een voortdurend proces: telkens weer, in elke situatie, alles opnieuw met een frisse blik uitdenken. Daarvoor is een lenige, flexibele geest onontbeerlijk. Geen enkele vorm van eerbied voor de cultuur – of het nu gaat om Ik denk dus ik ben, Te zijn of niet te zijn, Blijf bij jezelf of Ik omvat menigten – kan of mag ooit helemaal vastliggen of worden beschut tegen de stromingen van de geschiedenis. Er is altijd potentieel voor radicale verandering.

[…]

 

© 2025 Zadie Smith
© 2025 Nederlandse vertaling Uitgeverij Prometheus en Gerda Baardman, Nicolette Hoekmeijer, Frank Lekens, Kitty Pouwels en Tjadine Stheeman

Wil je van je bestaande account gebruikmaken op onze nieuwe website? Je behoudt dan onder meer je bestelgeschiedenis, reeds aangeschafte e-books en je persoonlijke verlanglijst. Als je toestemming geeft krijg je direct een mail om een nieuw wachtwoord in te stellen.

Voer een geldig e-mailadres in

Hostname: pro-mbooks2