Leesfragment: Einde verhaal

27 januari 2025, door Sander Kollaard

4 februari verschijnt de nieuwe roman van Sander Kollaard: Einde verhaal! En 7 februari wordt het boek bij Athenaeum Boekhandel Spui gepresenteerd. Lees nu vast een fragment en bestel je boek!

Aan het begin van de Eindtijd valt de engel Astoreth naar de aarde. Tijdens de val verliest hij zijn beste vriend en daarmee zijn laatste restje geloof. Hij wordt opgevangen door een groepje mensen dat in de apocalyptische omstandigheden op drift raakt en van een verdrinkend Amsterdam naar het onder sneeu bedolven Zweedse platteland reist. Terwijl Astoreth beetje bij beetje zijn engelengestalte verliest en mens wordt, vertelt hij zijn verhaal over de Eindtijd, over een onmogelijke reis en de uitgesproken individuen die door een gril van het lot bijeen zijn gebracht.

De reisgenoten (en een zeer bijzonder varken) weten elkaar ondanks alle onderlinge verschillen toch te vinden. Er ontstaat een kleine, hechte gemeenschap, niet op basis van een gedeeld lot of verhaal, maar door een gedeeld besef van wie en wat we zijn: onbeholpen wezens levend tussen hoop en vrees, die het beste proberen te maken van onbegrijpelijke omstandigheden.

Einde verhaal is een aanstekelijke, geestige en warme roman die – alle onwaarschijnlijkheid ten spijt – dicht bij onze eigen werkelijkheid staat.



 

Begin en einde

Dit is mijn verhaal en dus mijn begin. In Zijn begin lag het einde al besloten maar laat ik meteen afstand nemen van een kinderachtige aanname – het idee van een onvermijdelijk verloop. Deze wereld kent geen onvermijdelijk verloop. Draai de klok terug en zet haar weer in gang en de uitkomst zal een andere zijn – niet volstrekt anders natuurlijk, maar anders. Wetenschappers hebben het over toeval of chaos of entropie, maar jargon is niet nodig. Denk aan losse eindjes, rafelrandjes, de steken die jullie altijd laten vallen. Denk aan vergeetachtigheid en slijtage en verval. Denk aan dwars en scheef, inval en impuls, craquelé, barsten en scheuren. Denk aan jullie dna, zo stipt, maar desondanks niet in staat tot een vlekkeloze kopie – en dat is maar goed ook want zonder foutjes hier en daar zouden jullie er nooit zijn geweest. Denk aan Heraclitus en de rivier waar je nooit twee keer in kunt stappen, in een dubbele betekenis, want zowel jij als de rivier zijn die tweede keer niet wat ze waren – en hetzelfde geldt voor een rondje hardlopen in het park, een maaltje stamppot boerenkool of een spelletje kiekeboe met je jongste kind. Of denk simpelweg aan de anonieme stukken grond die in elke stad te vinden zijn, plekken die uit het planologisch oog verloren zijn, kleine jungles van verwilderde struiken en roestig hekwerk en een vergeten stapel zand en de geur van kleine kadavers, het niemandsland en iedersland waar jullie kinderen zo graag spelen, voor even bevrijd van volwassenen en hun onbegrijpelijke orde.
Deze wereld kent geen onvermijdelijk verloop. Wat die Eindtijd betreft zullen we dus nog wel zien. Wat ze tot nu toe heeft gebracht is een tafereel van ontregeling, van overstromingen en kou, van honger, paniek en volksverhuizingen, en van incidentele ongerijmdheden om het er allemaal nog eens goed in te wrijven – zoals de paradijsvogel die ik op het dak van de koetsenstalling zag zitten, de kleuren flets in het schaarse licht, het petje van verse sneeuw een tikje belachelijk. Al die chaos is angstaanjagend genoeg maar nog altijd herkenbaar. We hebben nog geen sterren gezien die naar de aarde vallen, geen bloedrode maan of zwarte zon, geen apocalyptische ruiters, geen hoer van Babylon, geen Laatste Oordeel, geen hemels Jeruzalem met straten van goud, of wat er verder ook aan spektakel in Zijn verhaal te vinden is.
Is het einde nabij? Niemand die het weet, maar juist die onwetendheid laat mij alle ruimte voor een stellig antwoord: niet als het aan mijn verhaal ligt.

Mijn naam is Astoreth. Over wat ik ben kom ik nog te spreken, maar vooralsnog kunnen jullie je mij voorstellen als een tamelijk kleine gestalte aan een met papieren bedekte tafel – druk schrijvend dus. Mijn tafel staat in de salon van een voormalige pastorie in een Zweeds dorp. We zijn hier een handvol dagen of weken geleden aangekomen na een moeizame reis die begon in Nederland, dat mogelijk al niet meer bestaat, verzwolgen door het water waaraan dat grimmige nattevoetenvolk het ooit ontworstelde – maar daarover later meer.
Met we bedoel ik mijzelf, Gustav, Greet, Erin en Jakob. Met we bedoel ik ook Esmeralda – al is zij een bijzonder geval van we. En met we bedoel ik ook de drie die we hebben verloren maar desalniettemin bij ons droegen: Jonna als as en Otto als een stijfbevroren lijk. Wat de derde betreft, Areopagitica, laat ik zeggen dat ik hem bij me droeg als een schaduw in mijn onwaarschijnlijke lichaam.
We werden opgevangen door Kerstin en Schele, die jankend van hondenvreugde op Gustav afstoof. Het was duidelijk van wie de tweeling die opvallende wenkbrauwboog heeft: van hun moeder. En net als de ogen van Gustav – en Jonna, neem ik aan, maar haar blik ken ik alleen uit tweede hand – waren die van Kerstin als een etalage van het eigen gemoed. In die etalage zag ik vreugde om de terugkeer van haar zoon en verdriet om de dood van haar dochter. Ik zag in haar ogen ook wat een ontredderd gezelschap we waren. Ze ging ons voor naar de keuken waar het houtfornuis voor warmte zorgde en zette ons borden linzensoep voor, wat mij op slag tot tranen reduceerde, niet van uitputting al was ik uitgeput, maar omdat het me herinnerde aan het bord linzensoep dat Otto voor mij had neergezet, kort na mijn val. Het waren tranen van verdriet en schuldgevoel, van rouw, maar desondanks bracht ik beide handen in verrukking naar mijn wangen om het traanvocht te voelen.
Het was voor het eerst dat ik huilde.

Als ik opkijk van mijn papieren zie ik een aflopend veld naar een meer dat bedekt is met sneeuw en ijs. Er hangt een gore nevel. Aan de overzijde kan ik nog net een leegstaand, vervallen huis zien, een ödehus zoals ze hier zeggen, een huis dat aan het lot is overgelaten. Volgens Ola, de verhaalzieke vader van Gustav en Jonna, woonde er ooit een gevallen Poolse koning. Als jongen begreep Gustav niet wat gevallen anders kon betekenen dan liggend op de grond, na een val, en dus stelde hij zich die koning voor op de vloer, tevergeefs roepend om hulp. Hij voelde jarenlang een mengeling van angst en medelijden als hij naar het huis keek en zich een stokoude man voorstelde in een door motten aangevreten hermelijnen mantel op een houten vloer, de kroon van het hoofd gerold tot in een hoek van de kamer, gebutst en bestoft, in schaduwen onder een kersenhouten tafel waarop een half dozijn portretjes nog herinnerde aan zijn glorietijd als heerser. Hij heeft het huis vaak geschilderd, altijd van afstand, misschien vanwege zijn angst, misschien omdat Kerstin de tweeling verbood in de buurt van de bouwval te komen, maar hoe dan ook maakt die afstand het huis op zijn schilderijen des te verlatener.
Ik kijk geregeld naar het huis op momenten dat ik mijn schrijfhand moet laten rusten door de pijn. De pijn op zichzelf verheugt me – het is een van die nieuwe, aardse sensaties, net zoals die tranen – maar ik heb van Kerstin begrepen dat pijn een voorbode is van schade. Ze is huisarts. Neem je lichaam serieus, zegt ze, want het kan kapot. Ik neem mijn lichaam serieus en dus laat ik mijn hand zo nu en dan rusten. De tijd dat ik achtereen kan schrijven neemt in de loop van de ochtend af. Tegen twaalven gloeit en bonst mijn hand zo gestaag dat pauzes niet meer helpen. Daarmee is het schrijven voor de dag gedaan. Veel schrijftijd is het al met al niet, een paar uur, maar in die paar uur kom ik tot vijf, zes bladzijden, en die tellen op. In de afgelopen weken heb ik een bemoedigende stapel bij elkaar geschreven, alleen nog aantekeningen en schetsen, het ruwe, ordeloze materiaal waaruit mijn verhaal op een goed moment tevoorschijn moet komen.
Wat dat laatste betreft: vanochtend was het zo ver. Van plan was ik het niet. De eerste paar zinnen vielen me in toen ik naar de tafel liep en voordat ik het wist had ik een stuk of wat paragrafen. Mij best. Ik zou misschien een zekere vreugde moeten voelen nu het begin er is, maar mijn hoofd staat niet naar vreugde. Ik heb haast. Ik weet niet hoeveel tijd ik heb. Ik weet niet eens wat die woorden precies betekenen: hoeveel en tijd. Maf genoeg begint nu pas tot me door te dringen hoe radicaal de Eindtijd is. De tijd loopt op haar laatste benen. De klok sputtert en schokt. Met die klok sputteren en schokken de etmalen en de seizoenen en wie weet de jaren, maar dat is nog de vraag. Het echte probleem is dat de chronologie onoverzichtelijk is geworden. Aanduidingen als toen, nu en straks, in den beginne en het is volbracht, afgelopen winter en komende dinsdag, zijn onbetrouwbaar geworden. Met die onbetrouwbaarheid voelt de werkelijkheid als een nevel – niet dat ze ooit overdreven solide was maar dit is van een andere orde. Of misschien moet ik zeggen: dit is van veel minder orde.
Hoe dan ook heb ik haast. Ik heb veel te vertellen. Ik moet het hebben over de Eindtijd, hoe het begon bij ons in de hemel en vervolgens hier onder de zon, en hoe het escaleerde tot de eindeloze sneeuw waar we na onze vlucht uit Nederland in verzeild raakten. Ik moet het hebben over het onwaarschijnlijke gezelschap dat ik al noemde, hoe we bij elkaar kwamen, en hoe we onze reis begonnen en eindigden – al is het dus de vraag wat begin en einde precies betekenen. Ik moet vertellen over een verhoor in een geplunderde supermarkt, het taalvermogen van varkens en het doorschijnende rood van rozen. Ik moet het hebben over mijn stoelgang en het belang van een degelijke motor. Ik moet het hebben over John Milton en zijn verloren paradijs en het gif van de verbeelding. Ik moet vertellen over het licht van de Melkweg in de ogen van Areopagitica en de geur van rijpe boerenkool en het klakkerdeklak van een typemachine en de warmte van koningsgeel en nog veel en veel en veel meer. En steeds moet ik ervoor zorgen dat jullie me kunnen volgen, dat ik een minimale orde handhaaf en jullie dus inderdaad een verhaal vertel. Dat is de strohalm waar ik me aan vastklamp, mijn verhaal, want alle chaos ten spijt lijkt het houvast van een narratieve orde nog altijd mogelijk.
Met die orde stut ik mijn bange hoop.

[…]

 

© Copyright 2025 Sander Kollaard

Wil je van je bestaande account gebruikmaken op onze nieuwe website? Je behoudt dan onder meer je bestelgeschiedenis, reeds aangeschafte e-books en je persoonlijke verlanglijst. Als je toestemming geeft krijg je direct een mail om een nieuw wachtwoord in te stellen.

Voer een geldig e-mailadres in

Hostname: pro-mbooks2