Op de longlist van de Libris Geschiedenisprijs 2025: Emily Hemelrijks Eindelijk vrij. Hoe vrouwen in het Romeinse Rijk de slavernij achter zich lieten! Lees bij ons de eerste pagina's uit het eerste hoofdstuk en koop dat boek!
Dat het Romeinse Rijk voor een groot deel draaide op slavenarbeid is algemeen bekend. Veel minder mensen weten dat er in de Oudheid ook veel vrijgelatenen waren. Hoewel deze ex-slaven een belangrijke en bijzondere positie in de samenleving innamen, is over hen maar weinig bekend, en dat geldt zeker voor vrijgelaten vrouwen. Op basis van uniek onderzoek naar grafteksten en afbeeldingen die door of voor deze vrouwen zijn gemaakt, schetst Emily Hemelrijk (Homerusprijs 2022) in dit boek een fascinerend beeld van hun ambities, mogelijkheden en beperkingen.
Vroedvrouw of kapster, linnenweefster of muzikant, goudsmid, arts of winkelier: in de Romeinse wereld waren vrouwen in geschoolde beroepen bijna altijd vrijgelatenen. Tijdens hun leven in slavernij hadden ze een vak geleerd dat ze na vrijlating meestal bleven uitoefenen. Maar het nieuwverworven burgerschap leverde niet automatisch sociale acceptatie op. Hun ervaringen in slavernij en hun levens na de vrijlating bieden een nieuwe en andere kijk op de Romeinse samenleving. De inspanningen die vrouwelijke vrijgelatenen moesten doen om hun beroep, huwelijk en moederschap te combineren en de vooroordelen die zij daarbij moesten overwinnen zijn ook in onze tijd nog altijd verrassend herkenbaar.
1
Slavernij en sekse
Rond 100 n.Chr. werd op de slavenmarkt van Londen een koopcontract getekend voor een slavin (fig. 1). De verkoper was een soldaat van een in Britannia gelegerd Romeins legioen, zoals de beschadigde letters leg (legioensoldaat) achter de naam van Albicianus suggereren. De koper was een slaaf van een slaaf van de Romeinse keizer. Deze slaafplaatsvervanger (vicarius) kocht voor het substantiële bedrag van zeshonderd denarii een meisje van ongeveer tien jaar oud. Het contract werd opgesteld op een houten schrijftabletje waarvan één plankje is teruggevonden. De tekst luidde:
Vegetus, slaaf-plaatsvervanger van Montanus, slaaf van de keizer en voormalige slaaf-plaatsvervanger van Jucundus, kocht voor zeshonderd denarii van de legioensoldaat Albicianus en kreeg in zijn bezit het meisje Fortunata, of bij welke andere naam zij bekend is, van geboorte een Diablintische. En er wordt verklaard dat het meisje om wie het gaat gezond is overgedragen, dat ze niet de neiging heeft om rond te zwerven of weg te lopen en dat, als iemand een claim kan leggen op het meisje in kwestie of op een deel van haar [hier breekt de tekst af].

1. Tekening van een houten schrijftabletje met het koopcontract van Fortunata.
Het schrijftabletje was onderdeel van een triptiek, drie aan elkaar bevestigde houten plankjes die met was bestreken waren. De gaatjes in de rand laten nog zien hoe ze aan elkaar waren vastgemaakt. De twee andere plankjes zijn helaas niet gevonden, waardoor de rest van de tekst verloren is gegaan. Toch is ook zo duidelijk dat het gaat om een standaard koopcontract. Volgens de Romeinse wet moest de verkoper namelijk eventuele ziekten en gebreken van een slaaf aan de koper melden en naar waarheid verklaren of deze de neiging vertoonde om rond te zwerven of weg te lopen. Ook moest hij de herkomst van een slaaf vermelden en was hij aansprakelijk voor mogelijke claims van derden. Bij een terechte claim op een slaaf die hij al verkocht had, was hij verplicht de koper schadeloos te stellen.
In koopcontracten was het gebruikelijk om achter de naam van de slaaf of slavin toe te voegen ‘of bij welke andere naam hij/zij bekend is’. Een slaveneigenaar gaf een pas gekochte slaaf namelijk vaak een nieuwe naam, zeker als deze stamde uit gebieden met een onbekende taal. Dat was bij Fortunata het geval. Van geboorte behoorde zij tot de Diablintes, een Gallische stam in het huidige departement Mayenne in Noordwest-Frankrijk. In plaats van haar onbekende Keltische naam kreeg zij van haar eigenaar de slavennaam Fortunata. Gelukbrengende namen als Felix (‘gelukkig’) en Fortunatus/Fortunata (‘voorspoedig’) waren populair bij slavenhouders. Slaven met deze namen werden geacht hun meesters geluk en voorspoed te bezorgen.
Aan de hand van dit koopcontract kunnen we een deel van haar leven reconstrueren. Ze moet als kind door een slavenhandelaar zijn verkocht aan een Romeinse legioensoldaat. De aanduiding puella (meisje) geeft aan dat zij nog niet in de vruchtbare leeftijd was toen deze soldaat haar weer doorverkocht aan een slaaf van een slaaf van de keizer. Fortunata was gezond en van goed gedrag. Samen met haar gunstige leeftijd – ze had haar vruchtbare jaren immers nog voor zich – droegen deze kwaliteiten waarschijnlijk bij aan de tamelijk hoge koopsom. Zeshonderd denarii, oftewel 2400 sestertiën, was een bedrag dat in die tijd neerkwam op twee jaarsalarissen van een Romeinse legioensoldaat.
Het koopcontract roept ook allerlei vragen op. Hoe was Fortunata in handen van een slavenhandelaar gekomen? Hoe kon een slaaf van een slaaf haar kopen? En hoe ging het daarna met haar? Helaas weten we verder niets over haar leven, maar haar culturele ontworteling is duidelijk. Het is aannemelijk dat haar ouders, door armoede gedreven, haar als klein kind verkochten aan een rondreizende slavenhandelaar. Al jong gescheiden van haar familie in Gallië moet ze als slavin verscheept zijn naar Britannia, waar zij in Londen door de Romeinse legionair uit het contract werd verkocht aan een slaaf van een slaaf van de Romeinse keizer. Deze kan haar later hebben doorverkocht of haar met zich hebben meegenomen naar Rome, waar ze uiteindelijk zelfs aan het keizerlijk hof gediend kan hebben. Hoewel Latijn niet haar moedertaal was, mogen we aannemen dat ze tijdens haar leven in slavernij Latijn heeft leren spreken en misschien zelfs schrijven. Voor welke taken ze werd ingezet weten we niet, maar mogelijk heeft ze voor haar eigenaar(s) ook kinderen gebaard, die eveneens slaven waren. In het gunstigste geval is ze als beloning voor haar loyaliteit en misschien in ruil voor haar als slaven achterblijvende kinderen op een zeker moment vrijgelaten. Al blijft haar verdere geschiedenis onbekend, het koopcontract van Fortunata geeft een gezicht aan de talloze vrouwen die in het Romeinse Rijk als slaven werden verhandeld. Zij heeft zich in haar leven moeten aanpassen aan verschillende eigenaren en aan een omgeving die zij niet kende. Haar familie, haar taal en zelfs haar naam verloor ze. Maar het is niet onmogelijk dat ze later in haar leven haar vrijheid herwon. Hoe dat in zijn werk ging en hoe vrouwen als zij hun leven in slavernij achter zich lieten, wordt beschreven in dit boek.
Onmisbaar en vanzelfsprekend
In de Romeinse samenleving was slavernij vanzelfsprekend en alomtegenwoordig. Van rijk tot arm, zo goed als iedere Romein bezat wel een paar slaven. In de huishoudens van de Romeinse elite werkten zelfs honderden slaven en op hun landgoederen liep het aantal in de duizenden. Ook vrouwen konden eigenaren zijn van grote aantallen slaven. Aemilia Pudentilla, de vrouw van de redenaar Apuleius in Romeins Noord-Afrika, schonk rond 150 n.Chr. vierhonderd slaven aan haar zonen uit haar eerste huwelijk. Deze vormden slechts een klein deel van de slaven die zij bezat. In de Late Oudheid liet de Romeinse aristocrate Melania de Jongere achtduizend slaven vrij (de rest schonk ze voor een symbolisch bedrag aan haar broer) vanwege haar voorgenomen leven in christelijke ascese.
Slaven waren onmisbaar als arbeidskrachten op de grote landgoederen van de elite en het bezit van honderden gespecialiseerde huisslaven gold als teken van rijkdom en hoge sociale status. Een wereld zonder slavernij was voor Romeinen ondenkbaar of iets voor sprookjes. Zelfs de grote slavenopstanden in Sicilië in de tweede eeuw v.Chr. en die van Spartacus in de eerste eeuw waren niet gericht op afschaffing van de slavernij maar op vrijheid voor de opstandelingen zelf. Volgens de antieke geschiedschrijving werd de leider van die eerste grote slavenopstand in Sicilië bij zijn overgave aangetroffen met zijn eigen slaven, onder wie een kok, een barbier en een masseur.8 Dat slavernij als principe niet werd verworpen, blijkt bovendien uit het feit dat vrijgelaten slaven zelf ook weer slaven hielden. Sterker nog, zoals we zagen in het Londense koopcontract, sommige slaven hadden andere slaven die voor hen werkten en vicarii, plaatsvervangers, werden genoemd.
Dat abolitionisme onbekend was, betekent echter niet dat slavernij niet als een probleem werd gezien, althans door sommigen. Vooral filosofische en juridische bronnen worstelen met de tegenstelling tussen de juridische positie van slaven en het feit dat zij mensen waren die door toeval of ‘het lot’ in slavernij geraakt waren. Maar ook deze ‘humane’ visie op slavernij, van auteurs als de stoïsche filosoof Seneca, stelt de slavernij niet ter discussie en bekijkt de levens van slaven vooral vanuit het oogpunt van de klasse van hun meesters. Onnodige wreedheden waren slecht voor de morele reputatie van deze meesters en bovendien contraproductief, omdat ze leidden tot wrok en verzet bij hun slaven. Een menselijke omgang met de slaven, waarbij zij betrokken werden in gesprekken en ‘in het bestuur van het huis’, resulteerde in loyaliteit tegenover de meester. Of zoals Seneca betoogde: een slaaf die vrijuit mag spreken in het bijzijn van zijn meester, zwijgt over hem in de folterkamer.
[…]
Copyright © 2025, Emily Hemelrijk/Uitgeverij Balans, Amsterdam