Nu in onze boekhandelsen Athenaeum-Boek van de Maand augustus: Adam Shatz, Frantz Fanon. Een leven in revoluties (The Rebel’s Clinic: The Revolutionary Lives of Frantz Fanon), vertaald uit het Engels door Alexander van Kesteren! Lees bij ons een fragment en koop dat boek.
In het tijdperk van Black Lives Matter is de invloed van Frantz Fanon (20 juli 1925 - 6 december 1961) groter dan ooit. Zijn baanbrekende werken Zwarte huid, witte maskers en De verworpenen van de aarde zijn nog steeds essentiële boeken voor iedereen die zich inzet voor sociale en raciale rechtvaardigheid.
Adam Shatz vertelt het fascinerende verhaal van Fanons leven: van zijn jeugd in Martinique en zijn revolutionaire psychiatrie tot zijn rol in de Algerijnse onafhankelijkheidsstrijd.
- ‘Fanons opstandige woede is nog altijd even voelbaar als relevant.’ – de Volkskrant over De verworpenen der aarde
Proloog
In november 1960 kwam een reiziger van ambigue oorsprong aan in Mali. Hij had een donkere huidskleur, maar was niet Afrikaans. In zijn paspoort, dat twee jaar eerder in Tunis was afgegeven, werd hij geïdentificeerd als een arts die in 1925 in Tunis was geboren. Lengte: 165 cm. Haarkleur: zwart. Kleur ogen: bruin. De paspoortpagina’s waren volop bedrukt met stempels uit Nigeria, Ghana, Liberia, Guinee, Italië. De naam op het paspoort, een geschenk van de Libische regering, was Ibrahim Omar Fanon. Maar dat was zijn nom de guerre. In werkelijkheid was de psychiater Frantz Fanon niet geboren in Tunesië, maar op Martinique. Bovendien was hij niet naar Mali gekomen om medisch werk te verrichten, maar maakte hij deel uit van een commando-eenheid.
Vanaf de Liberiaanse hoofdstad Monrovia was het een lange autorit geweest: zo’n tweeduizend kilometer dwars door tropische wouden, savannes en woestijnen. Bovendien had het achtkoppige team nog een heel eind te gaan. Het dagboek dat Fanon bijhield, maakt duidelijk dat hij betoverd was door het landschap: ‘Dit gedeelte van de Sahara is allesbehalve eentonig. Zelfs de luchten veranderen constant. Een paar dagen geleden waren we getuige van een zonsopgang waarbij het hele hemelgewelf felpaars kleurde. Vandaag is het stralend rood dat we zien.’ In zijn dagboeknotities wisselt hij steevast bezielde uitingen van hoop af met sombere opsommingen van de hindernissen die aan de verschillende fronten van de Afrikaanse bevrijdingsstrijd nog te nemen waren. Zo schrijft hij: ‘Een continent komt in beweging terwijl Europa is weggezonken in een lusteloze slaap. Vijftien jaar geleden was het Azië waar het gistte. Nu zijn 650 miljoen Chinezen, stille bezitters van een kolossaal geheim, bezig om volledig op eigen kracht een wereld te bouwen. Ze baren een wereld.’ Uit de stuiptrekkingen van de antikoloniale strijd zou een ‘toekomstig Afrika’ kunnen oprijzen. Maar hij waarschuwt: ‘Het spook van het Westen is overal actief en aanwezig.’ Zijn vriend Félix-Roland Moumié, een revolutionair uit Kameroen, was onlangs vergiftigd door de Franse geheime dienst. Zelf had Fanon tijdens een bezoek aan Rome ternauwernood een moordaanslag overleefd. Tegelijkertijd was er een nieuwe supermacht, de Verenigde Staten, die zich ‘overal mee bemoeide, met dollars strooide, [Louis] Armstrong als heraut inzette en volop gebruikmaakte van Zwarte Amerikaanse diplomaten, beurzen en gezanten van de Voice of America’.
Toch geloofde Fanon dat het Afrikaanse continent op de lange termijn af te rekenen had met dreigingen die schadelijker waren dan het kolonialisme. Aan de ene kant was de Afrikaanse onafhankelijkheid te laat gekomen: het zou niet gemakkelijk worden om samenlevingen die waren getraumatiseerd door de koloniale overheersing – samenlevingen die lange tijd gedwongen waren geweest om de bevelen van andere op te volgen en zichzelf te zien door de ogen van hun overheersers – opnieuw op te bouwen en ze een gevoel van richting en toekomst te geven. Aan de andere kant kon je ook zeggen dat de onafhankelijkheid te vroeg was gekomen en dat de macht pardoes in handen was gevallen van de narcistische ‘nationale middenklassen’ van het continent die ‘ineens met begerige ogen om zich heen keken’. Hij schrijft: ‘Hoe meer ik weet door te dringen tot de verschillende culturen en politieke kringen, des te meer ik ervan overtuigd raak dat het grote gevaar voor Afrika bestaat uit het ontbreken van ideologie.’
Fanon legde deze indrukken vast in een blauw ‘Ghanees lerarenboek nr. 3’, dat hij in Accra op de kop had getikt. Tegenwoordig wordt het bewaard in het Institut Mémoires de l’édition contemporaine (imec), een onderzoeksbibliotheek die is ondergebracht in een voormalig klooster in Normandië, waar tijdens de Tweede Wereldoorlog verzetslieden ondergedoken hebben gezeten. Er zestig jaar later doorheen te bladeren is alsof je de gedachten van een stervende tegen het licht houdt: Fanon wist op dat moment niet dat hij leukemie had en bevroedde evenmin dat zijn leven in 1961 zou eindigen in een ziekenhuis in Maryland, in het hart van het Amerikaanse imperium dat hij zo verachtte. Onderweg in West-Afrika was hij ontvankelijk, bedachtzaam en geïntrigeerd door het continent waarvandaan zijn voorouders op slavenschepen naar de Franse kolonie Martinique waren vervoerd.
In Mali verbeeldde hij zich dat hij thuis was, te midden van zijn Zwarte broeders. Toch bleef hij een vreemdeling. Hij was gekomen als een geheim agent van een buurland in wat hijzelf aanduidde als ‘Wit Afrika’. Dat buurland was Algerije, dat zich destijds bevond in jaar zeven van zijn strijd om onafhankelijkheid van Frankrijk. Het doel van zijn verkenningsmissie was om contact te leggen met de woestijnvolkeren en om aan de Algerijnse grens met Mali een zuidelijk front te openen. Dat moest het mogelijk maken om vanuit de Malinese hoofdstad Bamako en via de Sahara wapens en munitie te verplaatsen naar de Algerijnse opstandelingen van het Front de libération nationale (fln).
Het hoofd van Fanons commando-eenheid was een majoor van de militaire tak van het fln, de Armée de libération nationale (aln). Hij was een ‘geestige vent’ die Chawki werd genoemd: ‘Klein, slank en met de onverzettelijke ogen van een voormalige strijder van de maquis.’* Fanon was onder de indruk van zowel zijn ‘intelligentie en de helderheid van zijn ideeën’ als zijn kennis van de Sahara, een ‘wereld waarin Chawki zich beweegt met de durf en scherpzinnigheid van een groot strateeg’. Chawki, zo vertelt hij, had twee jaar in Frankrijk gestudeerd, maar was toen teruggekeerd naar Algerije om de grond van zijn vader te bewerken. Toen het fln op 1 november 1954 de Algerijnse Onafhankelijkheidsoorlog begon, ‘pakte hij het jachtgeweer van de muur en voegde hij zich bij zijn broeders’.
Niet lang daarna voegde ook Fanon zich ‘bij zijn broeders’. Van 1955 tot aan zijn verbanning uit Algerije twee jaar later bood hij opstandelingen een veilige toevlucht in het psychiatrisch ziekenhuis waaraan hij leidinggaf in Blida-Joinville, net buiten Algiers. Hij gaf de strijders medische zorg en schuwde geen enkel risico – al voegde hij zich niet bij de maquisards in de bergen, wat wel zijn eerste ingeving was geweest toen de opstand uitbrak. Hoe dan ook geloofde niemand hartstochtelijker in de rebellen dan de man van Martinique. Nadat hij was verbannen naar Tunis, sloot hij zich aan bij het fln, noemde hij zichzelf een Algerijn en bepleitte hij verspreid over geheel Afrika de Algerijnse zaak. Een echte Algerijn worden was evenwel niet mogelijk; hij sprak niet eens Arabisch of Tamazight, de talen van de inheemse volkeren van Algerije. In zijn werk als psychiater was hij vaak afhankelijk van tolken. Algerije bleef voor hem buiten bereik als een ongrijpbare en onbereikbare liefde. Dat gold trouwens voor heel veel buitenlanders die zich door Algerije hadden laten verleiden, niet in de laatste plaats voor de Europese kolonisten die vanaf de jaren 1830 waren gearriveerd. Fanon zou op zijn best een aangenomen broer zijn die grote dromen koesterde over een broederschap die gemeenschap, ras en natie oversteeg: het soort gemeenschap dat Frankrijk hem als jongeman had beloofd en dat hem ertoe had aangezet om mee te vechten in de oorlog tegen de asmogendheden.
Frankrijk brak zijn belofte. Maar ook toen hij zich met geweld keerde tegen het koloniale moederland, bleef Fanon trouw aan de idealen van de Franse Revolutie. Hij hoopte dat die misschien elders konden worden verwezenlijkt, en wel in de onafhankelijke landen van wat destijds de derde wereld werd genoemd. Hij was een ‘Zwarte jakobijn’, zoals Toussaint Louverture door de Trinidadiaanse marxist C.L.R. James werd betiteld in diens klassieke geschiedenis van de Haïtiaanse Revolutie. Bijna zestig jaar na het verlies van Algerije heeft Frankrijk Fanon zijn ‘verraad’ nog altijd niet vergeven: onlangs nog werd in Bordeaux een voorstel om een straat naar hem te vernoemen van de hand gewezen. De Franse critici gaan er voor het gemak aan voorbij dat Fanon als jongeman zijn leven riskeerde voor Frankrijk, dat hij vocht voor de Algerijnse onafhankelijkheid in naam van de klassieke republikeinse principes en dat zijn teksten ook nu nog veel te zeggen hebben over de situatie van tal van jonge Fransen van Zwarte of Arabische afkomst die zich vreemdelingen in eigen land voelen.
[…]
De Amerikaanse dichter Amiri Baraka beschreef James Baldwin, die een jaar voor Fanon werd geboren, als ‘Gods Zwarte revolutionaire spreekbuis’. Wat Baldwin was voor Amerika, was Fanon voor de wereld. En dan in het bijzonder voor het oproerige ‘mondiale Zuiden’, voor de onderdanen van de Europese koloniale rijken aan wie dat was ontzegd wat Edward Said beschreef als de ‘toestemming om hun eigen geschiedenissen te vertellen’. Meer dan enige andere schrijver markeert Fanon het moment waarop gekoloniseerde volkeren hun aanwezigheid kenbaar maken als mannen en vrouwen – niet als ‘inheemsen’, ‘onderdanen’ of ‘minderheden’ – en de wereld voor zichzelf opeisen, hun verlangen naar erkenning uiten en aanspraak maken op macht, gezag en onafhankelijkheid.
Dit was het begin van een nieuwe wereld. Het is de wereld waarin we nu leven, waaruit het formele kolonialisme vrijwel volledig is verdwenen, maar waarin ongelijkheid, geweld en onrecht, bovendien uitvergroot door de grootste epidemie in een eeuw tijd, voor een groot deel van de wereldbevolking de dagelijkse realiteit zijn. Dat geldt in het bijzonder voor de volkeren met wier levensomstandigheden Fanon zich bezighield. ‘De oude wereld sterft, maar de nieuwe is nog niet geboren; in de schemerige tussenfase steekt een waaier aan ziektesymptomen de kop op,’ schreef Antonio Gramsci. De arts Fanon was een scherpzinnig diagnosticus van die symptomen. Hij besefte terdege dat de kans klein was dat mensen die leden aan de trauma’s van racisme, geweld en overheersing zich van de ene op de andere dag opnieuw zouden uitvinden – en dus dat ze geen andere keuze hadden dan te blijven vechten, al was het alleen maar om te kunnen blijven ademen. De strijd voor menselijke vrijheid en de opheffing van vervreemding was een constant gevecht tussen de wond en de wil. Fanon zette in op het laatstgenoemde, maar zijn werk is ook een scherpe en verschrikkelijke erkenning van het eerstgenoemde – al was pessimisme een luxe die hij zich niet kon veroorloven. Hij was getuige geweest van martelingen en dood; hij had gekwijnd in de zone van niet-zijn. Maar hij plaatste zichzelf altijd aan de kant van het leven, van de schepping van het nieuwe.
Copyright © 2024, Adam Shatz
© Nederlandse vertaling: Alexander van Kesteren, p/a Uitgeverij Ten Have, 2025