9 oktober verschijnt de nieuwe roman van Mathijs Deen, Gras! Wij publiceren voor. Lees nu een fragment en reserveer je boek.
Voor de drie generaties tuinlieden Valks heeft het gras dat aan hun zorg is toevertrouwd een existentiële betekenis. Het gras dient gevoed, belucht, gewalst, geverticuteerd, bewaterd en vooral vakkundig gemaaid, zodat een gazon ontstaat waaruit het landhuis oprijst als een triomf op de natuur. Zelfs als de adellijke families geleidelijk aan de grip op hun tradities en bankrekeningen kwijtraken, is het voor vader, zoon en kleinzoon Valks hun eer te na om het gras te laten woekeren. De tijd verstrijkt, de zeis maakt plaats voor de maaimachine, de vader maakt plaats voor de zoon. Oorlogen komen en gaan, de landadel verarmt, de landhuizen raken in verval. Wat blijft is het gras.
1848
1
De ochtend dat zijn vader stierf, klom Dirk door het trappenhuis naar de zolder van kasteel Broeckvoorde om de gewichten van het grote uurwerk op te draaien. Het was vroeg, zijn vader zat nog in het tuinmanshuis te ontbijten.
Zonder geluid te maken, zijn voetstappen gedempt door de dikke loper, klom hij naar boven. In het trappenhuis hingen schilderijen van generaties baronnen, jonkheren, hun kinderen en honden. Dirk hield zijn blik op zijn voeten gericht. Hij had zijn klompen bij de dienstingang laten staan en liep nu op kousen. Het was de enige dag in de week dat hij dieper het huis in mocht dan de dienstingang en de keuken, in alle vroegte weliswaar, zodat de barones en de jonkheer Fospierre nog sliepen en een ontmoeting onwaarschijnlijk was.
Op de eerste verdieping stond de deur naar de salon van de barones open. Dirk zag in het voorbijgaan de butler het boeket rozen dat zijn vader voor het ontbijt al had gesneden en geschikt, langzaam ronddraaien op een laag tafeltje bij het raam. Het eerste zonlicht van de dag flonkerde in de kristallen vaas.
De deur naar de zoldertrap was een verdieping hoger, waar de linnenkamer was en de dienstmeisjes sliepen. Dirk klom en liep, vrijer nu, over de schrale loper langs de deuren van de slaapkamers. Voor de zolderdeur hield hij in, draaide een kwartslag en liet zich er toen langzaam met de ogen gesloten tegenaan vallen. De deur zwaaide open naar een benauwd halletje met bezems, ragebollen, zwabbers, dweilen, emmers en de zoldertrap. Hij telde de treden en was boven.
De zolder strekte zich uit over de hele oppervlakte van het kasteel. Door alle stutten en dakbalken die de ruimte zonder duidelijke systematiek doorkruisten had hij iets weg van een verwilderd bos. Het hele jaar rook het er naar herfst, stof en het metaal van het uurwerk. Twee dakkapelletjes met troebel glas lieten een beetje daglicht binnen.
Het uurwerk zelf, met een stang door de gevel aan de wijzerplaat verbonden, werd gedragen door een platform op vier gietijzeren poten, dat met beschot was afgetimmerd. Vanachter het hout klonken de seconden als een metalen val die maar bleef dichtklappen.
De twee gewichten hingen aan duimdikke kettingen aan weerszijden van het platform. Ze waren in de verstreken week tot vlak boven de zoldervloer gedaald. Met een zwengel draaide Dirk het ene na het andere weer omhoog. De kettingen ratelden, het was zwaar werk. Tot vorig jaar nazomer deed hij het samen met zijn broer Gerrit, die vijf jaar ouder was. Maar Gerrit werd ziek. Hij hoestte op de trappen de jonkheer wakker, kwam de dag daarna zijn bed niet meer uit.
‘Houd Dirk bij hem weg,’ waarschuwde de dokter. ‘Hij is nu je enige zoon.’ Gerrit leefde nog toen hij dat zei.
Die avond, op weg naar zijn bed, deed Dirk de deur van zijn broers slaapkamer op een kier en keek naar binnen. Gerrit woelde, keerde zich op zijn zij, staarde hem aan zonder iets te zeggen. Zijn gezicht was nat en blauwig.
Die nacht stierf hij, alleen. Zijn lakens wapperden de volgende ochtend, alweer schoongewassen, aan de waslijn naast het huis. Er was al weken geen regen gevallen. De moestuin verdroogde en Dirk, nu inderdaad de enige tuinbaaszoon, hielp de arbeiders water halen voor de kas.
Drie dagen na Gerrits dood klom hij voor het eerst alleen naar het uurwerk. Zeventien was hij. Hij hing aan de zwengel, kreunde van inspanning, maar gaf niet op. Toen hij de gewichten had opgedraaid klom hij de paar treden het platform op naar het uurwerk, zocht de naam die Gerrit ooit aan de binnenkant in het beschot had geschreven: G. Valks.
Hij trok de letters over met een dik potlood en schreef er toen zijn eigen naam onder: D. Valks, 1847.
Dat was bijna een jaar geleden. Het gemis was afgezwakt en Dirk was sterker geworden. De gewichten kostten hem niet veel moeite meer. Hij draaide ze met gesloten ogen omhoog en toen het gedaan was, aarzelde hij of hij weer het platform op zou klimmen om de namen te zien. Er waren er na Gerrits dood meer bij gekomen. Twee van dienstmeisjes, een van de jagerszoon.
Maar hij bleef voor een van de raampjes staan en keek naar het vergezicht buiten: de vijver, het gazon, de bomengroepen en de strook in het gras waar ooit de beek had gelopen tot hij voor de aanleg van de Engelse tuin verlegd werd. Nog altijd, als een herinnering die niet wil vervagen, was het gras boven de oude loop ’s zomers groener dan de rest van het gazon. Dirk volgde met zijn blik de loop van de verdwenen beek, weg van het kasteel, tussen twee bomengroepen door naar de grens van het landgoed, waar het gazon schijnbaar naadloos overging in de weilanden daarachter. Er waren zo vroeg op de dag al boeren bezig gemaaid gras te keren.
Toen zag hij zijn vader. Hij liep, klein in de schaduw onder de linden, langs de rand van het gazon naar de boomgaard. Waar van twee kanten de boompartijen elkaar naderden en de blik over de zichtlijn tussen de bomen naar de einder getrokken werd, stapte hij uit de schaduw in het licht, bleef aan de loop van de voormalige beek staan, zeeg in elkaar, strekte zich en kwam tot rust.
Copyright © 2025 Mathijs Deen