Het gore lef van Sarah Arnolds is in juli bij Scheltema de debutant van de maand! Lees hier alvast een fragment en kom langs om het boek te kopen.
In de verhalen in Het gore lef wordt volop gelogen. Want een leugen is een geweldige manier om te ontsnappen aan de waarheid – die vaak te pijnlijk is, of te saai. En het is zo makkelijk. Iedereen kan het. Je liegt tegen je vrienden, je masseur, je ouders, je kinderen, je partner of tegen jezelf. Moeilijker is het om ermee op te houden.
- ‘De verhalen van Sarah Arnolds zijn geweldig goed. Schrijnend én mild, laconiek en tegelijk vol mysterie. Ze trekken kalm maar doelgericht je hoofd binnen, om daar voorlopig niet meer weg te gaan. Niet te geloven dat dit een debuut is; elk verhaal treft doel.’ – Rob van Essen
Je vriendin koopt een vis op de markt
Je vriendin koopt een vis op de markt. Jij bent op je werk en zij heeft vrij vandaag, dus ze slaapt uit tot na het middaguur, lakt haar nagels en maakt een lange wandeling door het park terwijl ze nadenkt over wat ze voor je zal klaarmaken als je vanavond thuiskomt voor het eten. Bij de kraam met mediterrane delicatessen koopt ze een bakje zwarte olijven met pit; bij de groenteboer een paar citroenen en een pond kruimige aardappels. Aan het eind van de markt vindt ze de vis. De vissen liggen op ijs en na een kort moment van aarzeling kiest ze een makreel, de grootste van het stel, ongerookt, met een glanzende huid en een stevige staart. De man van de vis vraagt of hij hem voor haar moet schoonmaken, maar dat doet ze liever zelf. Hij pakt hem voor haar in, in kranten en een plastic tasje, en ze rekent af. Ze is tevreden met haar keus en glimlacht. De man van de vis lacht terug, maar hij heeft werkelijk geen flauw idee. De citroenen, olijven en aardappels zijn wat ze lijken te zijn: citroenen, olijven en aardappels. Voor de vis geldt dat niet. Ook jij hebt geen flauw idee, maar alleen omdat je op je werk bent; als je haar hier gezien had, gezien had hoe ze koos voor de grootste en stevigste, dan had je precies geweten wat je te wachten stond.
Maanden geleden, in jullie kleine woonkamer, schoe nen uit, bord op schoot. Op de televisie demonstreert een man in een camouflagejas het borstelen van een wedstrijdpaard. Het geluid staat zacht. De vacht weer kaatst het licht van een volgspot. Het gezicht van je vriendin is zo kalm en roerloos. Tijdens een reclameblok veeg je in de keuken de bor den schoon en zet je thee. Wil ze er iets bij? Het blijft stil. Jij wilt er wel iets bij. Je schikt koeken op een schaaltje. Misschien heeft ze je niet gehoord. Ze volgt je met haar ogen van de keukendeur tot aan de bank, waar je de thee en koek neerzet op de salontafel. Ze wacht tot je het dienblad loslaat, staat dan op en haalt uit, één keer, maar flink, met de afstandsbediening naar je oor. Het komt voor jullie beiden als een verrassing. Je hapt naar adem, alsof het geen klap voor je hoofd was maar een stomp in je maag, verliest een moment je even wicht en slaakt een kreet – zij schreeuwt en grijpt naar haar eigen gezicht, herpakt zich en neemt dan jouw gezicht in haar handen, kust het en roept dat het haar spijt. Maar als je opkijkt zie je de blos op haar wan gen en de glans in haar ogen. Ze slaat haar ogen neer, duwt haar duim door een gat in haar mouw. Schaamte is het niet, dat zie je meteen. En omdat er bij haar van schaamte niets te zien is, schaam jij je plotseling ver schrikkelijk, zoals je je nog nooit geschaamd hebt – je gezicht en hals worden rood en gloeien, behalve je oor, dat koud voelt en tintelt. Het ging per ongeluk, zegt ze. Niets aan de hand, zeg jij, en je gaat weer zitten. Ze vlijt zich naast je neer, vouwt haar benen over de jouwe, en valt vrijwel meteen in slaap. De thee wordt koud, het paard danst in draf langs de letters van het alfabet. Die nacht duurt het even voor je in slaap valt; je slaapt tot de volgende ochtend, staat op en volbrengt de verplichtingen van de dag. Je hebt geslapen zonder te dromen, dat weet je zeker, maar er is niemand die het aan je ziet.
Ze slaat je met het snoer van de stofzuiger, terwijl je aan het telefoneren bent met je vader; ze slaat je met de opgerolde natte handdoek waar ze net haar haar mee heeft afgedroogd. Ze houdt je gezicht tussen haar handen en lacht, zoet als een appeltje. Je kunt werke lijk niet bedenken wat je verkeerd hebt gedaan; er is verder niets mis tussen jullie, ze lijkt zelfs vrolijker, ze lijkt zachter. Er wordt niet over gepraat. Omdat je de eerste keer niet boos bent geworden, er zelfs niets van hebt gezegd, lijkt het onmogelijk om dat de keren erna wel te doen. En omdat ze je telkens slaat met spullen en niet met haar handen, is het makkelijker de spullen de schuld te geven, en niet haar. Je weet dat je bij haar geen goed en geen kwaad kunt doen, en dat bevrijdt je van het bittere. Je voelt je prima, je trekt elke dag schone kleren aan en ziet erop toe dat je voldoende water drinkt. Je aanvaardt de verantwoordelijkheid voor wat je hebt laten gebeuren.
[…]
© 2025, Sarah Arnolds