Nu op de longlist van de Libris Geschiedenisprijs: Maarten van Riel, Het verdriet van Tilburg! Lees nu een fragment en koop dat boek.
De grootvader van Maarten van Riel was een van de duizenden textielarbeiders die Tilburg rijk was. De stad was de spil van zijn bestaan, maar ook de plek waar hij een einde maakte aan zijn leven. Als Van Riel terugverhuist naar zijn geboortestad, kan hij niet meer om zijn pijnlijke familiegeschiedenis heen. Hij duikt in de krochten van het archief en stelt vragen die hij eerder niet durfde te stellen. Welke omstandigheden hebben Tilburg gevormd tot de stad van vandaag, en wat dreef zijn grootvader tot zijn noodlottige einde? In een wervelend boek legt Van Riel aan de hand van zijn geschiedenis de rijke en tragische historie van de Tilburgse textielindustrie bloot.
1. Tilburg. Je bent er
Samen met mijn vrouw kijk ik naar de gevel van ons toekomstige huis. Het is een zonnige ochtend en nagenoeg stil; de makelaars zijn naar hun volgende afspraak en er is verder niemand in de straat. Twee handen wrijven over een bolle buik: nog drie maanden. We lopen verder de straat in en ik roep net iets te enthousiast: ‘Ja! Dit moet ’m worden!’ terwijl aan de horizon een fabrieksschoorsteen zichtbaar wordt.
We wonen sinds het begin van onze studietijd in Utrecht en hebben de laatste jaren een appartement gehuurd in het oude Zusterhuis aan de Catharijnesingel. Het is prachtig; als je op de bank zit, zie je enkel de boomtoppen in de wind dansen. Maar voordat je op die bank kunt zitten moet je eerst een stuk of zestig treden op. Niet ideaal met één kind, nog minder aantrekkelijk met twee kinderen. Mede vanwege de huizenprijzen in de Domstad hebben we besloten om terug te keren naar onze geboortestad Tilburg. Net na de eerste bezichtiging van ons toekomstige huis vertel ik het nieuws aan een jongen in een kledingwinkel in Utrecht waar ik geregeld kom. Hij trekt een vies gezicht bij het horen van de stadsnaam en knikt daarna minzaam, als teken van troost.
Tilburg wordt geassocieerd met drugslabs, carnaval en een lelijke binnenstad die lang geleden door de Luftwaffe in de as lijkt te zijn gelegd, maar die in werkelijkheid met sloopkogels is verminkt in opdracht van het eigen stadsbestuur. Maar Tilburg is mijn geboortestad, dus ik heb zelf andere associaties. Als ik aan de stad denk word ik teruggevoerd naar de jaren tachtig; ik hoor Madonna en Doe Maar, zie de buurjongens met een emmer vol knikkers in onze tuin staan. Ik ruik de geur van teer en asfalt, ik hoor schreeuwende marktlieden terwijl we onderweg zijn naar de viskraam waar mijn moeder graag komt. Een man met honingbrokken, geel en groen, peertjes voor de stoof, Brinta met een beetje suiker, mijn vader in zijn militaire uniform die me knuffelt in de keuken, de cadans van de chloortrein die laat in de avond passeert, mijn broer en ik tellen de wagons. In december het zolderraam open, de boxen naar buiten gericht met op de platenspeler een lp met sinterklaasliedjes. De krullen van mijn moeder, pelpinda’s tussen de fraaie glaasjes bier en groene wijnglazen, sneeuwpret in de winter, roodverbrand in de zomer, de sloop van een kerk, de bouw van een flat, ik val, bloed, een scheve neus, een dagelijks aandenken aan mijn jonge jaren in de stad.
Enkele weken na onze verhuizing is mijn moeder op bezoek. Ze heeft iets lekkers meegenomen van de bakker om de hoek en zit naast onze pasgeboren dochter D., die in slaap is gevallen onder de boom in de tuin. De blaadjes ritselen zachtjes en spelen met het zonlicht. Mijn moeder vertelt dat ze tegenover de bakker heeft gewoond, in de verpleegstersflat. Daar konden verpleegkundigen in opleiding wonen op loopafstand van hun werkplek, het Sint Elisabethziekenhuis. Dat ziekenhuis stond destijds aan het eind van onze straat, maar is lang geleden gesloopt. Toen mijn moeder verkering kreeg met mijn vader, die rij-instructeur was bij de Landmacht, spraken ze op gezette tijden af en wachtte mijn moeder achter een raam op de tweede etage van het ziekenhuis tot mijn vader een leerling onze straat in liet rijden, zodat ze even naar elkaar konden zwaaien. Wat mijn moeder ook terloops vertelt: de fabrieksschoorsteen die vanuit onze straat zichtbaar is, is van de befaamde Koninklijke AaBe. In die wollenstoffen- en dekenfabriek hebben haar ouders elkaar ontmoet, kort na de oorlog.
Dit had ze mij nooit eerder verteld en ik vind het wel bijzonder, want van alle honderd schoorstenen die hier ooit in de stad stonden, is precies deze blijven staan en zie ik die als ik voor de deur van het huis sta of mijn hoofd uit het zolderraam steek. En van alle straten in Tilburg waar mijn vader met zijn diepladers en legertrucks kon rijden, reed hij uitgerekend door onze straat om naar zijn verloofde te zwaaien. Is dit dan wat de Belgische schrijver Stefan Hertmans bedoelt als hij spreekt over ‘de cirkels van de geschiedenis’? Ik vermoed van wel. En ik vermoed dat er nog een hoop volgen, want sinds ik ben verhuisd denk ik steeds vaker aan mijn grootvader die ik nooit heb gekend.
2. Dit is alles wat ik weet
In de zomervakantie van 1994 verbleven we met het hele gezin twee weken in het Zwarte Woud. Mijn ouders hadden via een advertentie in De Telegraaf een huisje gehuurd. Het lag vrij afgezonderd in een dal, omringd door wat boerderijen, velden en bossen. In de voortuin stond een gigantische kersenboom die ons trakteerde op kersen én wespen. Aan de overkant van de straat stonden naar smeerolie geurende bosbouwmachines geparkeerd. De deuren waren niet op slot, de sleutels staken in het contact; gevaarlijk speelgoed voor mijn broer en mij. Ik maakte in die tijd foto’s met een zwart plastic cameraatje, een Kodak Star 275. De afdrukken plakte ik op de pagina’s van een paars fotoalbum. Ik noteerde de datum en soms een opmerking, maar het stelde allemaal niet zoveel voor; ik was net twaalf geworden.
Op een avond in de tweede week van ons verblijf moesten we bij onze ouders komen zitten; mijn moeder wilde ons iets vertellen. Hoe ze haar relaas begon weet ik niet meer, maar ze vond het tijd om te vertellen dat onze grootvader, haar vader, niet aan een hartaanval was overleden, zoals ons altijd was verteld. Hij had zelf een eind gemaakt aan zijn leven.
Het speelde allemaal een paar jaar voor wij werden geboren. De fabriek waar mijn grootvader werkte werd gesloten en hij moest daarna in het oosten van Brabant gaan werken. Daar werd hij gepest omdat hij doof was, en de ellende werd compleet toen mijn grootmoeder aangaf van hem te willen scheiden. ‘Toen het gebeurde woonde ik met oma en tante I. in een pension aan het Transvaalplein vanwege de thuissituatie. Opa wilde niet scheiden en kon heel boos en verdrietig worden. Hij woonde dus alleen in ons ouderlijk huis en op een ochtend vond de achterbuurman hem.’
Mijn broer en ik keken met grote ogen naar mijn moeder terwijl ze ons vertelde over de moeilijke periode die daarop volgde. ‘Onze verkering werd ter discussie gesteld, om maar iets te noemen.’ Ze keek naar mijn vader. ‘Bij sommige vriendinnen was ik plots niet meer welkom. We werden een beetje met de nek aangekeken in de buurt.’
De volgende dag vertrokken we ineens naar huis, een paar dagen eerder dan gepland. Vanwege de wespen, zei mijn vader.
Copyright © 2025 Maarten van Riel