Winnaar van de Booker Prize 2025 (update 11 november): David Szalay, Het vlees (Flesh), vertaald door Auke Leistra! Lees bij ons een fragment en koop dat boek!
Het leven van de Hongaarse István begint in een appartementencomplex in de jaren tachtig en voert hem langs de loopgraven van Irak, de achterkamers van Londense nachtclubs en de marmeren foyers van de superrijken. Steeds opnieuw belandt hij op een kruispunt, zonder zelf een richting te kiezen. Van jonge minnaar tot soldaat, van uitsmijter tot bodyguard, van echtgenoot tot weduwnaar – Het vlees is het portret van een man die door het leven wordt voortgestuwd, machteloos tegenover zijn verlangens, zijn verleden en het toeval dat hem vormt.
Een prachtige roman over een man overvallen door het leven, ogenschijnlijk passief – en toch van begin tot eind aangrijpend.
1
Als hij vijftien is, verhuist hij met zijn moeder naar een nieuwe stad en begint hij op een nieuwe school. Dat is niet makkelijk op die leeftijd – de verhoudingen op school liggen al vast en het kost hem moeite om vrienden te maken. Na enige tijd heeft hij met één jongen vriendschap gesloten, ook een eenling. Soms hangen ze na school samen rond in het nieuwe, typisch westerse winkelcentrum dat niet lang daarvoor geopend is.
‘Heb jij het ooit gedaan?’ vraagt zijn vriend.
‘Nee,’ zegt István.
‘Ik ook niet,’ zegt zijn vriend, en op een of andere manier lijkt het of het niet eens zo moeilijk is dat toe te geven. Hij praat heel eenvoudig, heel natuurlijk over seks. Hij vertelt István over welke meisjes op school hij fantaseert, en wat hij in zijn fantasie met ze doet. Hij zegt dat hij zich vaak vier of vijf keer op een dag aftrekt, wat István het gevoel geeft dat hij tekortschiet, aangezien hij het maar één of twee keer doet. Als hij dat bekent, zegt zijn vriend: ‘Jij hebt waarschijnlijk een minder sterke behoefte aan seks.’
Misschien is dat wel zo, weet hij veel.
Hij heeft geen idee hoe het voor andere mensen is.
Hij kent alleen zijn eigen ervaring.
Op een dag vertelt zijn vriend dat hij het gedaan heeft met een meisje dat aan de andere kant van het spoor woont.
Het nieuws heeft iets desoriënterends.
István luistert als zijn vriend, vrij gedetailleerd, beschrijft wat er gebeurd is. Hij probeert uit te vogelen of zijn vriend de waarheid spreekt of dat hij liegt. Hij zou liever hebben dat hij loog, maar heeft toch het idee dat hij waarschijnlijk de waarheid spreekt. Sommige dingen die hij zegt zijn te specifiek, te verrassend, die kan hij nooit verzonnen hebben.
Dan, een paar dagen later, zegt hij dat hij het meisje heeft gesproken en dat ze gezegd heeft dat ze het ook wel met István wou doen.
‘Serieus?’ zegt István.
‘Ja,’ zegt zijn vriend.
István weet niet of hij bedoelt alle drie samen, of alleen hij met dat meisje.
Hij is niet zelfverzekerd genoeg om het te vragen.
Diezelfde dag lopen ze na schooltijd over de voetgangersbrug naar de andere kant van het spoor.
Het begint al donker te worden.
Ze dalen de metalen trap aan de andere kant weer af en lopen een tijdje tot ze bij een woonwijkje komen. Het heeft wel iets van de wijk waar István en zijn moeder wonen, alleen zijn de flats hier, hoewel ook opgetrokken uit betonnen prefabplaten, hoger. Bij de ingang van een van de flats toetst zijn vriend een nummer in.
Enkele ogenblikken later, zonder dat er een woord is gezegd, zwaait de deur open en gaan ze naar binnen.
De lift ruikt naar sigarettenrook.
István staart naar de formica wanden met houtnerven terwijl de lift omhooggaat.
Hij stijgt heel langzaam, met een continu gekraak, en een luide tik bij elke verdieping die ze passeren.
‘Gaat het?’ vraagt zijn vriend hem.
‘Jawel,’ zegt István.
‘Je kijkt bang,’ zegt zijn vriend.
‘Nee,’ zegt István.
Op een van de bovenste verdiepingen verlaten ze de lift en zijn vriend klopt ergens aan. Een meisje van ongeveer hun leeftijd doet open. ‘Hi,’ zegt ze.
‘Hi,’ zegt de vriend van István.
Ze doet een stap opzij om hen binnen te laten.
‘Dit is mijn vriend,’ zegt de vriend van István. ‘Je weet wel. Over wie ik je verteld heb.’
‘Oké,’ zegt het meisje.
István en zij kijken elkaar even aan.
‘Oké?’ zegt de vriend van István.
‘Ja,’ zegt het meisje.
Ze blijven alle drie even staan.
Het meisje kijkt weer naar István.
Hij kijkt haar niet aan.
‘Oké,’ zegt de vriend van István.
‘Wil je daarbinnen wachten?’ zegt het meisje tegen hem, en ze wijst naar een deur.
‘Ja oké,’ zegt de vriend van István. Best mogelijk dat hij enigszins teleurgesteld is, daar lijkt het wel een beetje op, alsof hij er zelf misschien ook niet zeker van was of ze het nou met z’n drieën gingen doen of niet, en eigenlijk gehoopt had van wel.
István wil een sigaret opsteken en moet de aansteker een paar keer aanknippen voor hij het doet.
Zijn vriend zoekt even oogcontact met hem en glimlacht.
István probeert niet eens terug te glimlachen. Hij voelt iets wat grenst aan paniek.
Hij volgt het meisje door een korte, donkere gang naar een kamer aan het eind ervan.
Daar aangekomen kijkt hij niet echt om zich heen, het ontgaat hem alleen niet dat er wel heel veel in staat, onder meer ook iets wat op een diertje in een kooi lijkt.
Het meisje gaat op een bed zitten dat daar staat.
István pakt een stoel.
‘Hoe heet je ook alweer?’ vraagt het meisje.
Hij vertelt haar zijn naam.
Zij zegt ook hoe ze heet.
‘Gaat het?’ zegt ze.
‘Ja,’ zegt hij.
Ze praten enige minuten. Of zij praat in elk geval. Er vallen ook lange stiltes, waarin af en toe het geluid te horen is van het diertje dat rondscharrelt in zijn kooi. Ze vraagt hem waar hij vandaan komt.
‘Hoe is het daar?’ vraagt ze als hij het gezegd heeft.
‘Wel oké,’ zegt hij.
Dan is het even stil.
Zij steekt een sigaret op, misschien alleen om iets te doen te hebben.
Na een poosje, zonder iets te zeggen, staat ze op en loopt ze de kamer uit.
Een paar minuten later gaat de deur weer open.
István kijkt op en ziet zijn vriend.
Hij had gedacht dat het het meisje zou zijn.
‘Wat is er gebeurd?’ vraagt zijn vriend.
‘Hoe bedoel je?’
‘Wat is er gebeurd?’ vraagt zijn vriend nog een keer.
‘Niks.’
‘Ze wil dat je weggaat,’ zegt zijn vriend. ‘Wat heb je gedaan?’
‘Niks.’
‘Niks?’
‘Nee.’
Ze lopen de voordeur uit en in de hal bij de lift zegt zijn vriend: ‘Oké, dan zie ik je wel weer.’
‘Ga je niet mee?’ vraagt István aan hem.
‘Nee, ze wil dat ik terugkom,’ zegt zijn vriend.
‘Ja?’
Zijn vriend knikt. ‘Ik zie je wel weer.’
‘Oké.’
Nog steeds zonder te begrijpen wat er gebeurd is, gaat István in zijn eentje met de lift naar beneden.
‘Ze vond je niet sexy genoeg. Dat zei ze.’ Het is een paar dagen later en zijn vriend legt hem uit wat er gebeurd is.
István trekt aan zijn sigaret.
Het is vreselijk dat er zoiets tegen hem gezegd wordt, en over hem, en toch weet hij niet wat hij erop zeggen moet. Hij zou niet weten wat.
‘Ze zei dat je er niet echt voor in leek te zijn,’ zei zijn vriend.
‘Ik was er wel voor in,’ zegt István.
‘Ze zei dat ze het idee had van niet.’
‘Dat was ik wel.’
Daarna is het niet meer hetzelfde met zijn vriend.
Ze trekken minder vaak met elkaar op.
Zijn vriend trekt steeds meer met andere mensen op.
István is vaker alleen.
[…]
Copyright © David Szalay 2025
Copyright Nederlandse vertaling © Auke Leistra / Nijgh & Van Ditmar 2025