Ons Boek van de Maand oktober is Josephine Quinns Het Westen. Een 4000-jarige geschiedenis (How the World Made the West), vertaald door Brenda Mudde en Maarten van der Werf! Tijd voor een fragment.
Het Westen is een baanbrekend boek dat het traditionele verhaal van de westerse beschaving volledig herziet. Quinn onderzoekt hoe de oude wereld, van de bronstijd tot de verlichting, werd gevormd door voortdurende wereldwijde ontmoetingen en uitwisselingen. In plaats van de gebruikelijke opvatting van afzonderlijke ‘beschavingen’, laat Quinn zien dat het contact tussen verschillende samenlevingen – van het ontstaan van het alfabet in Egypte tot de intrede van Indiase cijfers in Europa – de échte motor van de geschiedenis was. Een monumentaal werk dat het beeld van de westerse geschiedenis voor altijd zal veranderen.
Inleiding
Elk jaar zit ik in november in mijn werkkamer op de bank met de aanvragen van eindexamenleerlingen die tot onze universiteit willen worden toegelaten. En elk jaar lees ik nagenoeg dezelfde woorden: ‘Ik wil Oude Geschiedenis studeren omdat Griekenland en Rome de bakermat van de westerse beschaving zijn.’ Ik begrijp heel goed waarom zoveel aankomende studenten dat denken. In respectabele naslagwerken, van de Encyclopedia Britannica tot Wikipedia, wordt het voorgesteld als zou zich een specifieke, afgebakende westerse cultuur hebben ontwikkeld op basis van de waarden en ideeën van het oude Griekenland en Rome. Die waarden en ideeën zouden tijdens de ‘donkere middeleeuwen’ verloren zijn gegaan en in de renaissance zijn herontdekt. Soms worden ook de landen en literatuur uit de Bijbel genoemd, maar als er al melding wordt gemaakt van andere ‘beschavingen’, is dat altijd als voorprogramma van de klassieke wereld en de onstuitbare ontwikkeling van de geschiedenis en de cultuur in de richting van het Westen.
In die visie zijn de voorgangers van de Grieken interessant, indrukwekkend zelfs, maar niet ‘van ons’. Hun prestaties worden stelselmatig overtroefd door die van Griekenland en het Romeinse Rijk, waaraan allerlei geweldigs wordt toegeschreven, van filosofie en democratie tot theater en beton. De buren van de Grieken en Romeinen worden volledig genegeerd, en hetzelfde geldt later voor de buren ten noorden, zuiden en oosten van de West-Europese volken.
Nu zou u kunnen denken dat ik, als hoogleraar Oude Geschiedenis, die opvatting deel. Mij geeft de studie van de rijke Griekse en Romeinse cultuur veel voldoening, en de prominente plaats die aan de Grieken en Romeinen wordt toegekend in de ideeën over ‘het Westen’ is een van de redenen dat mijn vakgebied nog bestaat. Maar na dertig jaar doceren en onderzoek doen ben ik ervan overtuigd geraakt dat de exclusieve aandacht voor Griekenland en het Romeinse Rijk een verarming betekent van zowel ons beeld van het verleden als ons begrip van de wereld waarin we leven. Het verhaal achter wat nu het Westen wordt genoemd is veel breder en interessanter.
Om te beginnen hadden de Grieken en Romeinen hun eigen geschiedenis, die veel ontleende aan andere plaatsen en volken. Zij pasten ideeën en technologieën van elders aan hun eigen behoeften aan: wetscorpora en literatuur uit Mesopotamië, beeldhouwkunst uit Egypte, irrigatietechnieken uit Assyrië en het alfabet uit de Levant. Ze wisten het, en ze waren er trots op.
Ook de Grieken waren zich ervan bewust dat ze de Middellandse Zee deelden met anderen – Carthagers en Etrusken, Iberiërs en Israëlieten – en dat er ten oosten van hen machtige rijken lagen. De helden uit de Griekse legenden worden in verband gebracht met koninginnen, koningen en goden van verre landen, die wel of niet echt hebben bestaan: Feniciërs, Frygiërs, Amazones. In de Romeinse stichtingsmythe biedt de stad onderdak aan vluchtelingen, en de Romeinse dichter Catullus kan zich voorstellen dat hij met vrienden naar India, Arabië, Parthië, Egypte of zelfs naar ‘de Britten aan het einde van de wereld’ reist.
Verder hingen de Grieken en Romeinen zelden de waarden aan die wij nu ‘westers’ noemen. Veel van wat zij normaal vonden vinden wij nu vreemd of zelfs onaanvaardbaar. In Athene was de democratie voorbehouden aan mannen die jongens verleidden terwijl hun vrouwen in stilte en gesluierd door het leven gingen. De Romeinen hielden massa’s slaven en keken voor de lol naar publieke terechtstellingen.
Tot slot bestaat er geen exclusieve relatie tussen de oude Grieken en Romeinen en het huidige ‘Westen’, dat wil zeggen de West-Europese natiestaten en hun vestigingskolonies overzee. De hoofdstad van het Romeinse Rijk werd in het midden van het eerste millennium n.Chr. verplaatst naar Constantinopel, dat meer dan duizend jaar hoofdstad zou blijven. Ondertussen combineerden de moslims de Griekse kennis met de wetenschappelijke ideeën uit Perzië, India en Centraal-Azië, breidden nieuwe technologieën zich uit naar Afrika, Arabië en het gebied rond de Indische Oceaan, en brachten zeelieden uit Scandinavië en ruiters van de steppe goederen en ideeën van China tot aan Ierland.
Dit is de grote wereld die zich uitstrekte van de Stille tot de Atlantische Oceaan en die de opkomende staten van West-Europa in de vijftiende eeuw erfden, toen ze scheep gingen op zoek naar een nieuwe wereld. Deze duizenden jaren van interactie zijn grotendeels vergeten, zoekgeraakt achter de negentiende-eeuwse opvatting dat de wereld bestond uit aparte, vaak wezenlijk verschillende ‘beschavingen’.
Ik wil een ander verhaal vertellen, een verhaal dat niet begint in het Grieks-Romeinse Middellandse Zeegebied en de draad weer oppakt in het Italië van de renaissance, maar dat de betrekkingen die het huidige Westen hebben gevormd volgt van de bronstijd tot het tijdperk van de grote ontdekkingen: een verhaal over samenlevingen die elkaar ontmoetten, die met elkaar verweven raakten en soms weer uit elkaar groeiden. In bredere zin wil ik aannemelijk maken dat niet beschavingen, maar juist deze betrekkingen de motor achter historische veranderingen vormen.
We zijn het zo gewoon om in termen van beschavingen te denken dat het natuurverschijnselen lijken – de universele manier om een samenleving in te richten. Maar in feite zijn ze een vrij recente Europese uitvinding, onderdeel van wat ik het ‘beschavingsdenken’ noem.
Het traditionele idee dat de hele aarde na de zondvloed door de zonen van Noach was bevolkt resulteerde tot ver in de achttiende eeuw in een inclusieve benadering van het verleden: alle mensen hadden een gemeenschappelijke oorsprong, en ze maakten deel uit van één grote familie. Met de ‘ontdekking’ van de Nieuwe Wereld en het uitwaaieren van missionarissen over de aardbol bereikten fascinerende verhalen over nieuwe volken Europa, volken die zorgvuldig in dit Bijbelse wereldbeeld moesten worden ingepast.
Het beschavingsdenken ontstond in twee fasen: in het enkelvoud en het meervoud. Toen het woord ‘beschaving’ in de jaren vijftig van de achttiende eeuw in Frankrijk voor het eerst werd gebruikt, stond het voor het abstracte idee van een ver ontwikkelde samenleving. Vanaf de jaren zestig van die eeuw werd het begrip ook gehanteerd door Schotse filosofen. Zij duidden er een vaste ontwikkelingsgang mee aan die tot volledige ontplooiing van het menselijk potentieel leidde, van jagers via herders en boeren naar handelaars en industriëlen. Volgens de Britse liberaal John Stuart Mill kon de voortgang op de weg naar de beschaving worden afgemeten aan de mate waarin het boerenbedrijf, steden, industrie, technologie en handel ingang hadden gevonden:
Welke kenmerken het leven van de wilden ook mag hebben, beschaving is het tegenovergestelde hiervan, of, beter gezegd, de kwaliteiten die een samenleving aanneemt naarmate ze deze kenmerken afwerpt. Zo bestaat een primitieve stam uit een handvol individuen, verspreid over of rondtrekkend door een groot gebied; een dichte bevolking, daarentegen, die in vaste woningen woont en voor het grootste deel is verzameld in steden en dorpen, noemen we beschaafd. Onder de wilden bestaat geen handel, geen nijverheid, geen of nauwelijks landbouw: een land rijk aan gewassen, handel en nijverheid noemen we beschaafd.
In deze enkelvoudige betekenis was beschaving, althans in theorie, een toestand die iedere samenleving kon ambiëren en met voldoende inspanning en onderwijs kon bereiken, en alle samenlevingen konden op grond van hun succes op dit vlak worden gerangschikt.* In de praktijk werd in Europa de norm gesteld: ‘Deze eigenschappen bestaan,’ aldus Mill, ‘in het moderne Europa, en zijn met name in Groot-Brittannië verder ontwikkeld en ontwikkelen zich daar ook sneller dan ooit ergens het geval is geweest.’
Dit abstracte beschavingsbegrip bood ook een zeer welkome morele onderbouwing van het West-Europese imperialisme. Mill, die meer dan dertig jaar voor de Britse East India Company werkte, was van mening dat beschaafde samenlevingen hun recht op vrijheid en soevereiniteit hadden verdiend, een recht dat de minder ontwikkelde samenlevingen ontbeerden. Wel hadden ze de plicht andere samenlevingen te helpen datzelfde pad te bewandelen. Maar zoals Mill in 1859 schreef: ‘Despotisme is een legitieme bestuurswijze waar het barbaren betreft, mits het tot hun verbetering leidt.’
Tot diep in de negentiende eeuw bestonden er geen ‘beschavingen’, alleen ‘beschaving’. Mills ideeën vormden het toppunt van deze eerste fase van het beschavingsdenken: als ‘beschaving’ al kon worden onderverdeeld, dan alleen gradueel. Maar al in de tijd dat hij schreef maakten de universaliteit van de verlichting en het idee van historische vooruitgang plaats voor particularisme en cultuurrelativisme. Sommige geleerden pasten het meervoud ‘beschavingen’ al toe op bepaalde groepen die woonden op specifieke plaatsen, een eigen geschiedenis en vaste ‘volksaard’ hadden en die een interne, autonome ontwikkeling doormaakten.
In 1828 gaf de Franse historicus en politicus François Guizot aan de Sorbonne een reeks lezingen over de ‘Algemene geschiedenis van de beschaving in Europa’. In zijn eerste lezing behandelt hij de ‘algemene beschaving van het gehele menselijk ras’. In de tweede spreekt hij echter over ‘beschavingen’: specifieke voorbeelden van deze algemene beschaving, in het bijzonder de beschavingen die aan de ‘Europese’ beschavingen voorafgingen en waarin hij het meest geïnteresseerd is: de Indiërs, de Romeinen, de Grieken en nog een aantal.
Die beschavingen hebben al een specifiek karakter: ‘Kijken we naar de beschavingen die aan de beschaving van het moderne Europa zijn voorafgegaan,’ mijmert hij, ‘dan worden we onvermijdelijk getroffen door hun eenheid van karakter […] Elk van hen lijkt te zijn voortgekomen uit één enkel feit, uit één enkel idee […] dat in alles domineerde en bepalend was voor het karakter van haar instituties, manieren, meningen, kortom, van haar gehele ontwikkeling.’ In Egypte was dat de theocratie, in Foenicië de handel.
In die zin waren deze beschavingen anders dan de ‘in zijn wezen Europese’ beschaving uit Guizots eigen tijd, waar Engeland, Frankrijk, Duitsland en Spanje deel van uitmaakten en die zich onderscheidde door haar complexiteit en vrijheid: ‘waar overal elders de dominantie van één beginsel tot tirannie leidde, werd uit de verschillende elementen van de Europese beschaving en de constante strijd waarin die verwikkeld waren, in Europa de vrijheid geboren die we zo hoog in het vaandel dragen’. Die verschillende elementen waren volgens Guizot de christelijke kerk, de Romeinen en ‘de ruwe Duitse barbaren’ door wie ze werden opgevolgd.
[…]
Copyright © 2024, 2025 Josephine Quinn
Copyright Nederlandse vertaling © 2025 Brenda Mudde en Maarten van der Werf