Leesfragment: In alles ben ik groot. Leven en lezen van Michaël Zeeman

26 september 2025, door Willem Otterspeer

30 september verschijnt Willem Otterspeers In alles ben ik groot. Leven en lezen van Michaël Zeeman! Wij publiceren voor. Lees nu een fragment en reserveer je boek.

Michaël Zeeman was de grootste en productiefste Nederlandse essayist en cultuurcriticus van zijn generatie. Hij was dichter en schrijver, journalist en tv-maker.
Tegelijk was hij, bij alles wat hij deed, controversieel. Hij was een man van uitersten, van vrienden en vijanden, van vriendinnen en verbroken relaties. Hij had niet zozeer de lach als wel het schandaal aan zijn kont hangen. Dit is een boek over Michaël in al zijn facetten. Het zal gaan over zijn wonderlijke belezenheid en zijn betoverende boekenliefde, over zijn kwetsbaarheid en zijn tederheid, maar ook over zijn gekwetstheid en zijn woede, zijn angsten en zijn wreedheid.
In alles ben ik groot leest als een schelmenroman. Het leven van Michaël Zeeman was lezen, zijn lezen was schrijven, zijn schrijven schandaal. Elke minuut ervan was boeiend.

Willem Otterspeer (1950) is historicus en biograaf. In die laatste hoedanigheid legde hij grote belangstelling aan de dag voor controversiële figuren als de filosoof Bolland en de schrijver W.F. Hermans. Zijn nieuwe schelm vond hij dicht bij huis: Michaël Zeeman was lange jaren zijn beste vriend.



 

Michaël in het jaar van zijn dood. Foto Roeland Fossen.
Michaël in het jaar van zijn dood. Foto Roeland Fossen.

I

1
De vriend

Michaël Zeeman was (onvoltooid verleden tijd) ‘de grootste en productiefste Nederlandse essayist en cultuurcriticus van zijn generatie’. Dit zegt zijn eigen uitgeverij, De Bezige Bij, maar het was ook zo. Hij was dichter en schrijver, journalist en tv-maker.
Hij was lange tijd een beeldbepalende journalist van de Volkskrant, schreef erin over literatuur en filosofie, beeldende kunst en wetenschap, politiek en poëzie. Voor de vpro maakte hij spraakmakende televisieprogramma’s zoals Zeeman met boeken, en op vrijwel elk literair festival van naam was hij aanwezig, als gast of als gastheer.
Tegelijk was hij, bij alles wat hij deed, controversieel. Hij was een man van uitersten, van vrienden en vijanden, van vriendinnen en verbroken relaties. Hij had niet zozeer de lach, als wel het schandaal aan zijn kont. Wie nu nog zijn naam kent associeert die vaak met het stelen van boeken en het slaan van vrouwen.
Dit is een boek over Michaël in al zijn facetten. Het zal gaan over zijn wonderlijke belezenheid en zijn betoverende boekenliefde, over zijn kwetsbaarheid en zijn tederheid, maar ook over zijn gekwetstheid en zijn woede, zijn angsten en zijn wreedheid. Het zal gaan over zijn lezen en schrijven, zijn reageren en oordelen, zijn grandeur en zijn misère.
Maar, en dat kan ik maar beter meteen zeggen, het werd geschreven door een vriend. Het gaat over hem, niet (godbetert) over mij. Maar wij waren wel vrienden. Een flink aantal jaren zelfs elkaars beste vrienden. We verschilden onderling als de dag van de nacht, maar het begin van die vriendschap was een vorm van herkenning. Beter gezegd: een wederzijdse bekering.
Een bekering waarvan de tijd en de plaats bekend is: op dinsdag 2 oktober 1984, in de tuin van mr. K.L. Poll. Bert Poll was hoofdredacteur van het Cultureel Supplement van nrc Handelsblad en op die dag vond, tussen halfzes en halfacht, de jaarlijkse borrel van de kunstredactie plaats. Michaël bewaarde de uitnodiging en tekende op de achterkant aan met wie hij gesproken had. Met mij onder anderen.
Dat Cultureel Supplement was destijds het hart van literair en cultureel Nederland, met de ongekroonde koningen van de vaderlandse essayistiek, Rudy Kousbroek en Karel van het Reve, op de lijst van vaste medewerkers. Met Hugo Brandt Corstius en Dick Hillenius, Henk Hofland en Henk Wesseling, Andreas Burnier en K. Schip - pers, Hans Ree en Jaap van Heerden. En natuurlijk Willem Frederik Hermans, maar die zag je nooit op de borrel bij Poll.
Maar die anderen waren er wel, in dat grote, ietwat vervallen huis aan de Koningskade in Den Haag, en vooral in de grote verwaarloosde tuin (met kippen, waaraan Poll zijn vreemde hart had verpand). Om een uur of negen was het welletjes (‘polletjes’ zou Schippers gezegd hebben) en verplaatste een selectie van het inmiddels goed op temperatuur gekomen gezelschap zich naar een restaurant aan de Denneweg, Charcoal, opgetrokken rond stralend gepoetste koperen buizen. Zelden glom de cultuur zo goud.
Daar, in die tuin, tussen die kippen, stond Michaël. Lang en slank en zwart. Een man gekleed in stemmig antraciet, met een pikzwarte lange baard. Tegelijk iemand met intens lichtblauwe ogen. Zijn gebaren waren als vertraagd, zijn handen leken de lucht te wegen, hij was vrolijk én vormelijk, erg jong en tamelijk oud. Hij leek in ieder geval veel ouder dan de 26 die hij net was geworden.
Ik schreef al vier jaar voor de krant, maar voor hem was het de eerste keer dat hij die borrel bezocht. Ik was acht jaar ouder, had een voltooide studie geschiedenis achter de rug en een baan bij een universiteit. Hij had zijn studie filosofie niet afgemaakt en werkte bij een boekhandel. Je zou kunnen zeggen dat ik een voorsprong had, maar van enig overwicht was geen sprake. De grote gelijkmaker was een gedeelde verslaving; we bleken te lezen zoals een verslaafde gokt
Om ons heen roddelde en raasde de kunstredactie, maar wij stonden in een soort stilte, brooddronken. Filosofie, juristerij, theologie, durchaus studiert. Nou ja, we hadden het vooral over geschiedenis, en uiteindelijk over een nieuw soort geschiedenis dat in die dagen in de ons omringende landen in de mode was, de zogenaamde mentaliteitsgeschiedenis.
Staande de vergadering besloten we die nieuwe geschiedenis, een soort stoofpot van nieuwe bronnen en oude verhalen, in kaart te gaan brengen. Een kruispunt is ze wel genoemd, die mentaliteitsgeschiedenis, de plek waar antropologie en sociologie bij elkaar kwamen, harde wetenschap en warme literatuur. Het was de grote beker waarin het individu en het collectief, het structurele en het incidentele, het algemene en het marginale gemengd werden als roomijs.
Le Roy Ladurie beschreef (met behulp van de memoires van Saint- Simon) het Franse hof ten tijde van Lodewijk XIV als de bizarste apenrots aller tijden. Hij toverde (met behulp van de inquisitiedossiers van Jacques Fournier) een tout petit dorpje in de Pyreneeën om tot een vervaarlijke ketterhaard. Hij slaagde erin een groot publiek te verplaatsen naar de zeventiende, ja zelfs naar de veertiende eeuw. Door diep in de bronnen door te dringen, door het verhaal dat erin zat eruit te pellen, werd het verleden tastbaar, leesbaar als een roman.
Het was ons helder als glas: wij zouden die historici (al snel hadden we er een stuk of vijftien in het vizier) gaan interviewen, en dat niet alleen, we zouden die mentaliteitsgeschiedenis als een mozaïek van verhalen aan Nederland voorleggen. En daar stond Bert Poll, een vriendelijke asperge, die zei erover na te zullen denken. Een week later hadden we een afspraak met hem en Hans Maarten van den Brink. We kregen carte blanche voor voorlopig vijf stukken (elk een hele krantenpagina), en om te openen de hele eerste en tweede pagina van het Cultureel Supplement.
Een week later hadden we een ontmoeting, in Chez Belonne. Uit de sacrale handelingen van de patronne bij het ontkurken van de fles leidde ik af dat Michaël een wijn besteld had uit de betere prijsklasse. Er werd niet alleen vergaderd, er werd vooral een vriendschap bezegeld. Terwijl wij de reactie van nrc Handelsblad herkauwden en de wijn ademde, doorkruiste een stille jongeman de zaak, vermoedelijk een stagiair. Op last van de bazin spiedde hij naar kaarsstompjes die vervangen moesten worden.
Bij onze tafel hield hij halt en trefzeker plantte hij een kaars in onze zojuist geopende fles. Dit is niet de bedoeling, stotterde Michaël. Het was de eerste keer dat ik hem naar woorden hoorde zoeken. Er zouden er niet veel volgen. This is the beginning of a beautiful friendship, ging het door me heen. Het was in ieder geval het begin van een vreemde vriendschap.
Hoe vreemd, dat bleek vooral bij onze tweede afspraak, in Leeuwarden, waar hij woonde en werkte. We zouden de uiteindelijke lijst van namen en boeken opstellen, maar na een flink aantal uren van vrolijk kwartetten kwam hij met het voorstel op damesbezoek te gaan. Damesbezoek? Ja, twee vrouwen uit Oostenrijk die niet ver bij hem vandaan woonden en ‘werkten’. Tegen betaling – maar daar had ik verder niets mee te maken, want het was zijn feestje – kon ons samenzijn daar worden voortgezet.
Ik had geen principieel bezwaar tegen prostitutie, maar kennis van zaken evenmin. Wat ik wist leerde ik van Felix Saltens Josefine Mutzenbacher. Het toeval wilde dat een literair tijdschrift zich een halfjaar daarvoor ontfermd had over het dunnetjes gefictionaliseerde verslag van mijn enige en tamelijk potsierlijke poging. Had Michaël dat stuk gelezen? Was dit bezoek wel toeval? Wilde hij mij een tweede kans geven? Dat hij van spelletjes hield, van experimenten met zijn omgeving, wist ik toen nog niet.
We belden aan bij een rijtjeshuis uit de jaren vijftig. Als iets niet met erotiek geassocieerd wenst te worden, dan zijn het de huizen uit die tijd: zelfmoordhalletje, doorzonkamer, vaste vloerbedekking. Vitrage, kussens. En twee vrouwen van achter in de twintig, de een donkerharig, de ander een diafane blondine.
Ze waren ronduit hartelijk en geruststellend. Dat er Duits gesproken moest worden, nam bij mij althans elke gêne weg. We kregen het over Wenen, daar kwamen zij (samen) vandaan, daar waren wij (los van elkaar) geweest. Maar wat voor ons literatuur was (Schnitzler, Hofmannsthal), bleek voor hen waargebeurd toneel. Ze kenden hele lappen Reigen uit het hoofd. Maar hun voorkeur ging uit naar de stukken van Nestroy.
Zo kon het gebeuren dat daar, in die doorzonkamer, twee schaars geklede vrouwen, nadat ze even in de gang geweest waren, met bezems terugkwamen en als heksen verkleed waren. ‘Zum Rauchfang hinaus,/ aus niedrigem Haus/ den Besen uns trägt,/ der Sturmwind sich regt.’ Dat was, zeiden ze na afloop, het koor van de heksen uit Der Tod am Hochzeitstage, oder Mann, Frau, Kind.
Sommige vormen van realisme zijn irreëel, en ook dit verhaal heeft iets bedachts. Toch is het waar gebeurd. Vele jaren later, in 2004, zagen we zelfs het hele stuk van Nestroy, in het Theater in der Josefstadt. Met een betoverende Dagmar Hütl als Lunara, de droomkoningin. ‘Geluk bestaat alleen in het rijk van het onmogelijke,’ hoorden we haar zeggen. ‘Kom toch maar. Ik voer je erheen, in pikdonkere nacht.’
Misschien had ik beter op moeten letten. Wie wat gevoeliger is voor symboliek dan ik, had zich gerealiseerd dat wijn voor een domineeszoon meer betekent dan een goed glas. En vrouwen? ‘Ik zal aan je denken,’ schreef Luther aan zijn grote vriend Spalatin over diens aanstaande huwelijksnacht, ‘en mijn Käthe liefhebben met dezelfde daad als jij.’ Begin en einde waren voor Michaël, daar zou ik snel genoeg achter komen, geen dingen om luchthartig over te doen. Die moesten krachtig worden gemarkeerd.
Ik heb wel eens gedacht dat Michaël eigenlijk geen onderscheid maakte tussen vriendschap en liefde. Beide waren een zaak van alles of niets. Zijn hele leven heeft hij geprobeerd een kind van de verlichting te zijn, maar hij was het neefje van de romantiek. Dat vriendschap net als de liefde au fond een rommelige bezigheid is, was als overtuiging niet aan hem besteed.
Het impliceerde dat ik als vriend soms tekortschoot. Maar een goede vriend of niet, bij bijna al zijn doen en laten was ik getuige, stond ik langs de zijlijn of was ik zelfs actief betrokken. Ik kende hem als uitgever en boekhandelaar, zocht hem op in die boekhandel en woonde de literaire avonden bij die hij in Leeuwarden organiseerde.
Op een daarvan sprak hij met Bert Poll, die net zijn tijdgedicht ‘Het meer van de ondank’ had gepubliceerd. Dat gesprek kwam om de een of andere reden op de pastorale, het natuurgedicht, en Michaël verzuchtte: ‘En dan, wat is natuur nog in dit land? Een stukje bos, ter grootte van een krant.’ ‘Wie heeft dat gezegd?’ wilde Poll weten. ‘Bloem!’ riep heel Friesland.
We werkten samen aan een boek (over die nieuwe vorm van geschiedenis), reisden daartoe samen door Europa (Engeland, Frankrijk, Italië), sliepen in eenzelfde bed (in Rome, in een ijzeren rinkelbed, waarin ik steeds naar hem toe rolde). Vooral Parijs was een weelde: de boekwinkels (La Hune, L’Écume des Pages, Compagnie), het toneel (Michel Piccoli, die met de beentjes bengelend vanaf het toneel ons in een monoloog wikkelde), de muziek (Martha Argerich: Beethoven).
Ik maakte de ramp van zijn arrestatie mee (hij werd gearresteerd op verdenking van het verduisteren van boeken), zoals ik aanwezig was bij het befaamde ‘vis-incident’ (komt allemaal aan de orde). Ik zat in zijn commissie van toezicht toen hij als medewerker literatuur verbonden was aan de Rotterdamse Kunststichting, ik zat in de redactie van Zeeman met boeken, zijn literaire tv-programma voor de vpro.
We aten, we dronken, we roddelden, we reisden. Ik logeerde vaak bij hem, in Rotterdam, in Amsterdam, in Rome. Van zijn huis in Amsterdam, aan de Nicolaas Witsenkade (Nic Wits), had ik de sleutel (die heb ik trouwens nog). Ik was soms zijn bank van lening (ter afdoening van rekeningen van veilinghuizen vooral, soms ging het om 10.000 gulden en meer). Tot de voorlaatste van zijn testamenten (hij was dol op het opstellen van die dingen) was ik de uitvoerder van zijn laatste wil. Hij was paranimf bij mijn promotie, en we waren beiden paranimf bij de promotie van Linda Pennings. Ik sloot mijn oratie af met een van zijn gedichten (‘Bericht aan de laatkomers’, met die betoverende slotregels: ‘Stoor u eens niet aan tijd,/ en schrijf ons terug. Wij/ zouden graag wat van u houden.’) en kreeg complimenten voor de adequate keuze van dat gedicht van Bloem!
Ik maakte natuurlijk zijn eerste literaire prijs mee, de C. Buddingh’-prijs voor zijn debuutbundel Beeldenstorm, en hielp hem het prijsgeld stukslaan in Brussel. Hij droeg aan mij zijn verhalenbundel De verduistering op: ‘Voor Willem Otterspeer: Wem der grosze Wurf gelungen, eines Freundes Freund zu sein.’ Meteen had ik er, gratis en voor niks, een vijand bij, Theo van Gogh. Ik was getuige bij zijn huwelijk en van de mislukking ervan. Ik was instrumenteel in de veiling van zijn bibliotheek bij het Leidse veilinghuis Burgersdijk & Nier - mans.
En hoe verschillend we ook waren, in herkomst en toekomst, in karakter en talent, er moet iets mysterieus in die gedeelde hartstocht van het lezen gezeten hebben. Want door op die veiling zelf ook te kopen maakte ik het verzameld werk van twee van mijn lievelingsauteurs compleet. Blijkbaar hadden we allebei grote belangstelling voor zowel de historicus Friedrich Meinecke als de filosoof Hans Blumenberg. Maar dat is niet het rare. Het rare is dat hij precies de boeken had die ik miste!
Maar die verwevenheid is natuurlijk wel een probleem: een biografie schrijven over je vriend, kan dat wel? Er zijn uiteraard honderden voorbeelden van, van Boswell over Johnson tot Huizinga over Veth. Maar dat maakt het kritische probleem noch de sociale variant ervan, de achterdocht, niet kleiner.
Het enige leesbare wat ik erover kan zeggen is dat dit boek geen pleidooi is voor Michaël Zeeman, geen poging om zijn donkere kanten te verdoezelen of zijn feilen goed te praten. Zijn feilen zijn de mijne en wie zonder donkere kanten is, werpe de eerste tondeldoos. Dit boek is vooral een poging hem te begrijpen.

[…]

 

© 2025 Willem Otterspeer

Wil je van je bestaande account gebruikmaken op onze nieuwe website? Je behoudt dan onder meer je bestelgeschiedenis, reeds aangeschafte e-books en je persoonlijke verlanglijst. Als je toestemming geeft krijg je direct een mail om een nieuw wachtwoord in te stellen.

Voer een geldig e-mailadres in

Hostname: pro-mbooks3