Kom je ook, woensdag 27 augustus, naar de leesclub over George Eliots Middlemarch met Ellen Deckwitz? Lees hier een fragment uit de vertaling van Annelies Roeleveld en Margret Stevens, met een nawoord van Ellen Deckwitz - en koop dat boek!
George Eliot publiceerde al in 1871 een van de mooiste en ontroerendste romans aller tijden over de Engelse middenklasse. In Middlemarch vertelt ze de verhalen van haar romanfiguren in een (niet-bestaande) provinciestad met zoveel liefde voor details dat elk van hen werkelijk tot leven komt. We leren ze allemaal van dichtbij kennen, met hun eigenaardigheden en idealen en verwachtingen. Hun individualiteit komt tot uiting in hun persoonlijke taalgebruik en beeldspraak. Zo ontstaat er een literaire toverlantaarn die nog altijd sterk tot de verbeelding spreekt. Het boek is niet voor niets meer dan eens verfilmd.
- ‘Middlemarch is by far de beste Engelse roman uit de negentiende eeuw en misschien wel de beste Engelse roman ooit.’ – Bas Heijne
- ‘Middlemarch is het ultieme boek over de mens. Hoe mensen met elkaar omgaan, hoe grappig en suf en berekenend en hilarisch ze kunnen zijn, en hoe onverwacht heroïsch. Eigenlijk hoeft iedereen gedurende zijn leven maar een roman te hebben gelezen. Déze roman. Alles zit erin.’ – Ellen Deckwitz
- ‘Eliot toont hoe beperkt het individuele perspectief is: eenieder kijkt naar de wereld vanuit de eigen verbeelding, verlangens en belangen. Wijsheid bestaat erin dat perspectief open te breken, en te zien hoe mensen met het leven zelf verbonden zijn.’ – Tinneke Beekman
- ‘[Deze] Nederlandse vertaling van een van de grootste romans uit het Engelse taalgebied, en ook nog eens een goede, is een daad van culturele rechtvaardigheid.’ – NRC
- ‘De twee vertalers […] hebben een uitzonderlijke prestatie geleverd.’ – de Volkskrant
Hoofdstuk 1
Waar ik geen goeds kan doen, want slechts een vrouw,
Streef ik gedurig naar ’t welhaast toch goede.
Beaumont and Fletcher, The Maid’s Tragedy (1619)
Juffrouw Brooke bezat het soort schoonheid dat door zeer eenvoudige kleding nog geaccentueerd schijnt te worden. Haar handen en polsen waren zo welgevormd en fijn dat ze mouwen kon dragen die even onopgesmukt waren als die waarin Italiaanse schilders de Heilige Maagd zagen, en zowel haar profiel als haar gestalte en houding schenen des te waardiger in haar simpele kleding, zodat ze in vergelijking met de provinciale mode zo indrukwekkend was als een fraai citaat uit de bijbel – of van een van onze grootste dichters – in een alinea in de krant van vandaag. Men zei over het algemeen van haar dat ze buitengewoon intelligent was, maar gewoonlijk met de toevoeging dat haar zuster Celia veel verstandiger was. Toch droeg Celia nauwelijks meer opsmuk en alleen wie scherp oplette zag dat haar kleding anders was dan die van haar zuster en dat de wijze waarop ze die droeg iets kokets had. Dat juffrouw Brooke zich eenvoudig kleedde had verschillende oorzaken, die grotendeels ook voor haar zuster golden. Hun eergevoel als dames van stand had er iets mee te maken: het geslacht Brooke mocht dan niet werkelijk tot de aristocratie behoren, zij waren beslist van zeer goeden huize – wie een generatie of twee terug ging, zou geen voorvaders vinden die de ellenstok hanteerden of pakjes inpakten – niets lager dan admiraal of predikant, en er was zelfs een voorouder te vinden die als puritein onder Cromwell gediend had, maar zich later weer bekeerd had tot monarchie en staatskerk en uit alle politieke troebelen tevoorschijn had weten te komen als de eigenaar van een aanzienlijk familielandgoed. Jongedames van dergelijke afk omst, die in een rustig landhuis woonden en kerkten in een dorpskerk die nauwelijks groter was dan een salon, beschouwden opschik natuurlijk als iets waar dochters van marskramers zich druk over maakten. Verder was er de manier waarop de betere kringen met geld omgingen, wat er in die tijd op neerkwam dat vertoon in kleding het eerste was waarop bezuinigd werd als er enige ruimte nodig was voor uitgaven die meer zichtbaar in overeenstemming waren met de goede stand. Dergelijke redenen zouden meer dan voldoende zijn geweest om de simpele kleding van de jongedames te verklaren, zonder dat daar nog godsdienstige sentimenten bij hoefden te komen, maar in het geval van juffrouw Brooke zou de godsdienst alleen al genoeg zijn geweest en de zachtaardige Celia stemde met al deze opvattingen van haar zuster in, waarbij ze er het gezonde verstand aan koppelde waardoor de mens in staat is grote en vérstrekkende leerstellingen te omhelzen zonder excentrieke opwinding. Dorothea kende vele passages uit de Pensées van Pascal en uit de werken van Jeremy Taylor uit het hoofd, en de lotsbestemming van de mensheid, gezien in het licht van het christendom, maakte dat zij aandacht voor de details van damesmode iets vond wat in het dolhuis thuishoorde. Ze kon de intensiteit van een geestelijk leven dat zich bezighield met consequenties voor de eeuwigheid niet rijmen met een grote belangstelling voor passementen en kunstige stofdraperingen. Ze was theoretisch ingesteld en haakte van nature naar een verheven beeld van de wereld waar de gemeente Tipton en haar eigen gedragsregels aldaar onbevangen deel van konden uitmaken; ze was gecharmeerd van intensiteit en grootheid en omarmde roekeloos wat in haar ogen die eigenschappen bezat; de kans was groot dat zij het martelaarschap zou zoeken en dan haar uitspraken zou herroepen, om alsnog het martelaarschap te vinden in een hoek waar ze het niet gezocht had. Dergelijke karaktertrekken in een meisje op huwbare leeftijd hadden wel een nadelig effect op haar toekomst en verhinderden dat haar vooruitzichten zoals gebruikelijk afh ingen van een goed uiterlijk, ijdelheid en aff ecties zo volgzaam als die van een hondje. Met dat al was zij, de oudste van de twee zusters, nog geen twintig, en ze hadden, sinds ze hun ouders verloren toen ze ongeveer twaalf jaar waren, samen een zowel zeer beperkte als zeer onzorgvuldig doordachte opvoeding genoten, eerst in een Engels gezin en daarna in Lausanne in een Zwitsers gezin; hun ongetrouwde oom en voogd probeerde op deze manier de nadelen van het feit dat ze wees waren te compenseren.
Het was nauwelijks een jaar geleden dat ze bij hun oom op Tipton Grange waren komen wonen. Hun oom was een man van bijna zestig, hij was inschikkelijk van aard, had sterk uiteenlopende meningen en wisselende politieke opvattingen. In zijn jonge jaren had hij veel gereisd en in de contreien waar hij nu woonde vond men dat hij daar een wel wat erg wanordelijke manier van denken aan had overgehouden. De conclusies van mijnheer Brooke waren even moeilijk te voorspellen als het weer: men kon uitsluitend met zekerheid zeggen dat hij met de meest welwillende bedoelingen zou handelen en dat hij daar zo weinig mogelijk geld bij zou uitgeven. Want zelfs in een binnenste als een vormeloze brij bevinden zich altijd nog een paar harde kernen der gewoonte en het geval is bekend van een man die volkomen zorgeloos omsprong met al zijn belangen, behalve als het ging om het bezit van zijn snuifdoos: die hield hij nauwlettend en argwanend in de greep van een vrek.
In mijnheer Brooke was het puriteinse vuur dat in de familie zat duidelijk slapend gebleven, maar in zijn nicht Dorothea vlamde die energie zowel in haar slechte eigenschappen als in haar deugden; soms kon ze het gepraat van haar oom of de manier waarop hij de zaken op zijn landgoed ‘op hun beloop’ liet nauwelijks dulden en verlangde ze des te meer naar de tijd dat ze meerderjarig zou zijn en zelf over enig geld kon beschikken om aan goede doelen te besteden. Ze werd gezien als een goede partij, want niet alleen hadden de beide zusters zevenhonderd pond per jaar te wachten uit de erfenis van hun ouders, maar als Dorothea trouwde en een zoon kreeg, zou die zoon bovendien het landgoed van mijnheer Brooke erven, dat vermoedelijk ongeveer drieduizend pond per jaar waard was – een pachtopbrengst die rijkdom betekende in de ogen van de families in de provincie, die nog napraatten over het recente optreden van Robert Peel in de Katholieke Kwestie en nog geen weet hadden van toekomstige goudmijnen, of van die schitterende heerschappij der rijken, die de levensbehoeften van de goede standen zo fantastisch opgeschroefd heeft.
En waarom zou Dorothea niet trouwen, zo’n knap meisje met zulke goede vooruitzichten? Niets kon haar in de weg staan behalve dat ze een voorliefde had voor uitersten en dat ze er op stond haar leven in te richten volgens opvattingen die een verstandig man wellicht zouden doen aarzelen voor hij haar een aanzoek deed, of die haar er uiteindelijk misschien wel toe zouden brengen alle aanzoeken af te wijzen. Een jongedame met geld en van goede afk omst, die plotseling bij het bed van een zieke arbeider op de stenen vloer knielde en een gebed zei zo hartstochtelijk alsof ze in de tijd van de apostelen leefde, die vreemde opwellingen had: vasten als een roomse paap en ’s nachts opblijven om oude theologische boeken te lezen! Zo’n echtgenote zou je op een mooie ochtend ineens wakker kunnen maken met een nieuw plan voor het uitgeven van haar geld dat niet strookte met de wetten der moderne staathuishoudkunde en het houden van rijpaarden; een man zou zich natuurlijk wel tweemaal bedenken eer hij zich aan zo’n verbintenis waagde. Vrouwen werden wel geacht er zekere, niet al te duidelijke, meningen op na te houden, maar het voortbestaan van de maatschappij en het gezin werden gewaarborgd door het feit dat er niet naar die meningen gehandeld werd. Mensen die goed bij hun hoofd waren gedroegen zich net zoals de buren: als er loslopende gekken waren kon men die zodoende tenminste herkennen en uit de weg gaan.
Het oordeel van de plattelandsbevolking over de nieuwe jongedames, zelfs dat van de landarbeiders, viel algemeen ten gunste van Celia uit, omdat ze zo vriendelijk was en er zo onschuldig uitzag, terwijl de grote ogen van juffrouw Brooke, net als haar godsdienst, een beetje te ongewoon en opvallend leken. Arme Dorothea! Vergeleken met haar was de onschuldig ogende Celia verstandig en wereldwijs; de menselijke geest is zoveel subtieler dan de weefsels aan de buitenkant die er een soort wapenschild of wijzerplaat voor vormen.
Toch merkten de mensen die Dorothea benaderden, vooringenomen als ze waren door deze verontrustende geruchten, dat er een bekoring van haar uitging die daar op onverklaarbare wijze goed mee te rijmen viel. De meeste mannen vonden haar aanbiddelijk als ze op een paard zat. Ze was dol op activiteiten in de buitenlucht en alle aspecten van het buitenleven en als haar ogen straalden en haar wangen gloeiden van allerlei soorten plezier zag ze er bepaald niet uit als een dweperige kwezel. Paardrijden was een genoegen dat ze zichzelf gunde ondanks een knagend geweten; ze had het gevoel dat ze er op een heidense, zinnelijke manier van genoot en ze keek voortdurend met vreugde uit naar het moment dat ze er vrijwillig afstand van zou doen.
Ze was oprecht en ongedwongen, hartstochtelijk, en had bepaald geen hoge dunk van zichzelf; integendeel, het was aardig om te zien hoe ze Celia allerlei aantrekkelijke eigenschappen en uiterlijkheden toedichtte die de hare verre te boven gingen en als er een heer met andere bedoelingen op de Grange leek te komen dan een bezoek aan mijnheer Brooke, concludeerde ze dat die zeker verliefd was op Celia: sir James Chettam, bijvoorbeeld, die ze voortdurend uit Celia’s oogpunt beschouwde en van wie ze zich afvroeg of Celia er goed aan zou doen zijn aanzoek aan te nemen. Dat men hem zou kunnen zien als aanbidder van haarzelf zou haar belachelijk en onzinnig zijn voorgekomen. Dorothea had, hoe vurig ze ook wenste de fundamentele waarheden van het leven te leren kennen, nog zeer kinderlijke ideeën over het huwelijk. Ze wist zeker dat ze een aanzoek van de ‘verstandige’ geleerde Richard Hooker zou hebben aangenomen, als ze op tijd geboren was om hem te behoeden voor die vreselijke vergissing die hij had begaan bij de keuze van een echtgenote, of van de dichter John Milton, toen hij al blind was, of van een van al die andere grote mannen met vreemde gewoonten, die ze met glorieuze liefde en trouw zou verdragen; maar een goed uitziende, beminnelijke jonkheer, die ‘Ja, precies’ antwoordde op alles wat ze zei, zelfs als ze haar twijfels uitte, hoe zou ze die als minnaar kunnen zien? Een echt gelukkig huwelijk moest er toch een zijn waarin je man een soort vader was, die je zelfs Hebreeuws kon leren als je dat wilde.
Door deze merkwaardige karaktereigenschappen van Dorothea namen de families in de buurt het mijnheer Brooke des te meer kwalijk dat hij geen dame van middelbare leeftijd had aangetrokken als gezelschapsdame en raadgeefster voor zijn nichtjes. Maar hij was zelf zo benauwd voor het hooghartige soort vrouw dat waarschijnlijk voor zo’n post beschikbaar zou zijn, dat hij zich door Dorothea’s bezwaren liet overreden om ervan af te zien. En in dit geval was hij dapper genoeg om de wereld te trotseren, dat wil zeggen mevrouw Cadwallader, de vrouw van de dominee en het kleine groepje lieden van stand in de noordoosthoek van het graafschap Loamshire met wie hij op voet van gelijkheid omging. Zodoende deelde juffrouw Brooke de orders uit in het huis van haar oom en ze was helemaal niet afkerig van haar nieuwe positie, en van het eerbetoon dat daarbij hoorde.
Sir James Chettam kwam vandaag op de Grange dineren met een andere heer, die de meisjes nog niet ontmoet hadden en van wie Dorothea enigszins geëxalteerde verwachtingen had. Het was de eerwaarde Edward Casaubon, in de streek bekend als een man van grote geleerdheid en naar het scheen al jarenlang bezig aan een groot werk over godsdienstgeschiedenis; bekend ook als een man met genoeg geld om zijn vroomheid glans te verlenen en met geheel eigen inzichten, die duidelijker zouden worden als zijn boek uit zou komen. Alleen al zijn naam was van een indrukwekkendheid die nauwelijks te schatten was als je niet precies op de hoogte was van de chronologie der geleerden en geleerdheid.
Dorothea was die dag vroeg teruggekomen van de kleuterschool die ze in het dorp had opgezet en ze ging op haar gebruikelijke plaats zitten in de mooie zitkamer tussen de slaapkamers van de twee zusters, om de plattegrond voor een aantal huizen af te maken (een bezigheid waar ze dol op was), toen Celia, die haar had gadegeslagen met een voorstel aarzelend op de lippen, zei:
‘Lieve Dorothea, als je het niet erg vindt... als je het niet te druk hebt... zullen we vandaag eens naar mama’s juwelen kijken en ze verdelen? Het is vandaag precies zes maanden geleden dat oom ze aan je heeft gegeven en je hebt er nog helemaal niet naar gekeken.’
Op Celia’s gezicht lag een zweem van verongelijktheid, maar echt verongelijkt wilde ze niet kijken, vanwege het ontzag dat ze altijd voor Dorothea had en vanwege haar principes; twee met elkaar verwante gegevens die wel eens een mysterieuze elektrische schok zouden kunnen opleveren als je ze onverhoeds aanraakte. Tot haar opluchting keek Dorothea met lachende ogen op.
‘Wat ben jij een fantastische almanak, Celia! Is het zes kalendermaanden of zes maanmaanden?’
‘Het is nu de laatste dag van september en oom heeft ze op 1 april aan je gegeven. Weet je nog wel, hij zei dat hij ze tot dat moment vergeten was. Volgens mij heb je er nooit meer aan gedacht nadat je ze hier in het kabinet hebt opgeborgen.’
‘Maar lieve kind, we zullen ze toch nooit dragen.’ Dorothea sprak op zeer hartelijke toon, half liefk ozend, half verklarend. Ze had haar potlood in de hand en tekende kleine zijaanzichtjes in een kantlijn.
Celia kreeg een kleur en keek zeer ernstig. ‘Lieve Dorothea, ik vind dat we tekortschieten in eerbied voor mama’s nagedachtenis als we ze wegbergen en er niet naar omkijken. En,’ vervolgde ze, na een korte aarzeling, met een gekwetste snik in haar keel, ‘een halsketting is tegenwoordig heel gewoon en madame Poinçon, die in sommige opzichten nog veel strenger was dan jij, droeg ook sieraden. En christelijke vrouwen in het algemeen... er zijn er nu toch zeker in de hemel die sieraden hebben gedragen!’ Celia merkte dat ze mentaal redelijk sterk was, als ze zich werkelijk tot debatteren zette.
‘Wil jij ze dan gaan dragen?’ riep Dorothea uit; haar hele wezen drukte verbazing en verrassing uit, op een dramatische manier die ze had overgenomen van dezelfde madame Poinçon die sieraden droeg. ‘Maar natuurlijk, dan halen we ze tevoorschijn. Waarom heb je dat niet eerder gezegd? Maar nou de sleutels, de sleutels.’ Ze drukte haar handen tegen haar slapen en haar geheugen scheen haar geheel in de steek te laten.
‘Hier zijn ze,’ zei Celia, die dit gesprek heel lang had overwogen en voorbereid.
‘Wil je de grote la van het kabinet openmaken en het sieradenkistje eruit halen?’
Het kistje was weldra open en de juwelen lagen uitgestald, een schitterend bloembed op de tafel. Het waren er niet veel, maar een paar van de sieraden waren werkelijk van buitengewone schoonheid, en de mooiste, op het eerste gezicht, waren een halsketting van paarse amethisten, gevat in schitterend bewerkt goud, en een kruis van parels met vijf briljanten. Dorothea nam onmiddellijk de halsketting op en legde hem haar zuster om de hals, waar hij haast zo precies aansloot als een armband; de ketting stond Celia met haar Henriëtta-Maria-achtige hoofd en hals goed, en dat zag ze, in de penantspiegel waar ze tegenover stond.
[…]
Copyright vertaling © 2002 Annelies Roeleveld en Margret Stevens / Athenaeum—Polak & Van Gennep, Weteringschans 259, 1017 XJ Amsterdam
Copyright nawoord © 2025 Ellen Deckwitz