Genomineerd voor de Jan Hanlo Essayprijs 2025: Marian Donner, Rooksignalen! Lees nu een fragment en koop dat boek.
Op zoek naar een betere toekomst, een met meer spel, meer dans, meer vrijheid vooral, hink-stap-springt Marian Donner door de popcultuur, langs orka’s, ‘schreeuwende’ planten, oorlogsrecht, kwantummechanica en Ninjago. Onderweg neemt ze de woorden van haar overleden vader mee, voormalig schaakkampioen. De escorts die ze ontmoette bij het bureau waar ze jarenlang de telefoon opnam, laten haar een schaduwwereld zien. En dan is er nog de stem van de Japanse hofdame Sei Shõnagon. Meer dan duizend jaar geleden hield ze een dagboek bij. Wat kan zij ons tonen?
Rooksignalen (een hoofdkussenboek) is een trip, een dans, weg van de hokjes en labels, de huidige controledrift, rechtlijnigheid en zwaarte, naar meer ruimte en lucht.
Marian Donner is essayist en columnist bij De Groene Amsterdammer, waar ze schrijft over popcultuur, technologie en alle overige pijnpunten van het moderne leven. Eerder verschenen van haar De grote weigering en de internationale bestseller Zelfverwoestingsboek. Haar interesse ligt bij alles wat afwijkt van de norm (en de kwantummechanica).
De toekomst
Stiekem beschouw ik mezelf wel een beetje als toekomstvoorspeller, of futuroloog. Een soort Lidewij Edelkoort die, zo las ik ergens, een intiemere en intuïtievere relatie met de natuur voorziet, technologie geïntegreerd in stoffen, en de kleur geelgoud. Alleen ben ik er een van een wat zuurdere soort. Meer: technologie ontmenselijkt, de zelfhulpindustrie ontmenselijkt, kapitalisme ontmenselijkt, en dat wordt alleen maar erger. Bedrijven zullen me daarom niet snel inhuren, maar zelf vind ik dit toch een net wat belangrijker punt dan de opkomst van geelgoud. Neem het essay The Anxiety of Influencers, van universitair docent Engels Barrett Swanson, dat ik op Harper’s las. Hier zit alles al in. Als futuroloog hoef je alleen maar de lijnen uit het heden door te trekken om te weten wat ons wacht.
Voor zijn essay verbleef Swanson een paar dagen bij een stel jongens van een jaar of achttien die in een zogeheten TikTok-huis wonen: een miljoenenvilla met zwembad, betaald door grote bedrijven, waar influencers begeleid worden om nog meer volgers en deals te scoren. Ter verduidelijking: TikTok is veruit het invloedrijkst van alle sociale media. In 2021 was het zelfs de meest gebruikte website ter wereld, groter dan Google. Wie hier een leuk filmpje plaatst, kan in één klap miljoenen volgers vergaren en vervolgens tienduizenden dollars, euro’s of yen vangen om branded content te genereren. Precies zoals de jongens uit Swansons essay overkwam.
Bovenal zijn ze verschrikkelijk aardig, schrijft Swanson over die jongens, tegen iedereen en altijd. Maar er is ook iets vreemds met ze aan de hand. Ze zijn rusteloos, bijna wanhopig uitgelaten, alles wat ze doen is performatief, ook als de camera niet aanstaat. Ze lijken een kern te missen. Swanson beschrijft hoe op een drankovergoten feestje ‘iedereen dezelfde dode zinnen en standaard antwoorden begint te herhalen, alsof hun persoonlijkheden zelf onderworpen zijn geraakt aan de logica van memes’.
Ik moest denken aan een escort die ik kende. Ze deed het werk al zo lang dat ze sneller op haar escortnaam reageerde dan op die van haarzelf. Of ze nu een biertje dronk met vrienden of thee inschonk voor haar moeder, ze deed het altijd gracieus, altijd professioneel. Ze wist niet meer wie ze was, zei ze op een avond, zo gewend was ze om in te spelen op wat de klant verlangt.
Als universitair docent herkent Swanson zich in de influencers, schrijft hij. Ook hij is immers afhankelijk van de likes van zijn studenten: het zijn hun beoordelingen die grotendeels bepalen of hij mag aanblijven. Belangrijker dan ze uit te dagen is het daarom om ze tevreden te houden, ervoor te zorgen dat ze zich veilig voelen, ondersteund, om hun cijfers wat op te krikken. Ook hij speelt in op wat de ‘klant’ verlangt.
Tegenwoordig etaleert bijna iedereen zichzelf. Of het nu via LinkedIn, Tinder of een Teams-meeting op maandagochtend is (zit mijn haar goed, ziet mijn kamer er netjes uit?). De influencereconomie is slechts onderdeel van een veel grotere tendens. Wie online een sterk profiel heeft, zich daar weet te presenteren als krachtig merk, vergaart invloed. Schrijvers verkopen meer boeken, kunstenaars winnen meer opdrachten, politici meer stemmen, en ook voor veel anonieme werknemers geldt dat opdrachtgevers ze in een sollicitatieronde toch even googelen. Als iets onze huidige cultuur domineert, aldus Swanson, is het wel ‘het idee dat onze waarde als individu niet onze persoonlijke integriteit is, of ons gevoel van deugdzaamheid, maar ons vermogen om onze relevantie te tonen op de platforms van technologiebedrijven’.
Jongeren van nu zijn opgegroeid met een telefoon in hun hand, ze kennen geen zelf dat niet onderworpen is geweest aan al dan niet anonieme, virtuele observatie. Natuurlijk zijn ze gewend geraakt om in te spelen op wat de klant of volger of observator verlangt.
Swanson merkt het aan zijn studenten, schrijft hij. Ze hebben steeds vaker last van angsten, onzekerheden, zijn ‘bedroefd op een manier die ze niet kunnen verklaren, wanhopig op zoek naar iets waarvan ze niet weten hoe ze het moeten krijgen’. In zijn laatste werkgroep schreven vierentwintig van de zesentwintig studenten een essay over zelfmutilatie en/of suïcidale gedachten. Een deel van zijn studenten is opgenomen geweest voor depressie of een angststoornis. En altijd hebben ze een telefoon in hun hand.
Er is nauwelijks een verschil met de influencers uit het TikTok-huis, stelt hij, want: ‘Of het nu gewone studenten zijn of beroemdheden op sociale media, ze komen me allemaal voor als ondraaglijk verdrietig, en het is een verdriet dat meer dan terloops gerelateerd lijkt aan de manier waarop we gedefinieerd hebben wat het betekent om een persoon te zijn.’
In een mail die ik onlangs kreeg van hoogleraar cultuursociologie Giselinde Kuipers aan de KU Leuven beschrijft ze hetzelfde over haar eigen studenten. Ze noemt hoe ‘pijnlijk weerloos’ ze lijken: ‘Ze trekken langs mijn bureau met hun holle ogen, ik-boodschappen en onder woorden gebrachte gevoelens. De suggesties die ik aandraag (Ga dansen. Word dronken. Ga alleen op reis. Kijk een oude film. Leer zingen. Ga uit met je collega’s en over mij klagen) vinden ze bizar en ik geloof op de rand van aanstootgevend. Maar van hun oplossingen krijg ik het dan weer benauwd – hollen, sporten, spinnen, grenzen bewaken, werk en je leven krampachtig scheiden, veganist worden, en dat allemaal documenteren op sociale media.’
Het zijn inmiddels bekende reflexen. Deze studenten, ze richten hun energie naar binnen. Doen aan zelfonderzoek, gaan in therapie, proberen de controle over zichzelf en hun leven terug te krijgen in de hoop op een dag wél weer vrolijk mee te kunnen doen.
In mijn hoofd echoot dat ene zinnetje van Swanson almaar na: het is een verdriet dat meer dan terloops gerelateerd lijkt aan de manier waarop we gedefinieerd hebben wat het betekent om een persoon, om mens, te zijn. Kapitalisme heeft de mens teruggeworpen op zichzelf, schrijft de Koreaans-Duitse filosoof Byung-Chul Han in The Disappearance of Rituals. Er is niets meer om je aan op te trekken, niets wat het zelf ontstijgt, geen integriteit of deugdzaamheid die inspireert. Dít, stelt Han, is de essentie van een depressie: het is ‘een excessieve relatie tot het zelf’. Al dat nadenken over hoe je je relevantie kunt tonen, jezelf moet etaleren, verkopen, meedoen!, al het inspelen op wat de klant, volger of observator verwacht; de mens is verworden tot product. ‘What results is a poverty in world, with the self simply circling around itself,’ aldus Han. Verbindingen zijn verbroken, de blik richt zich van buiten naar binnen, het streven is aanpassing aan wat de markt van ons vraagt en de gek ervoor geeft.
Waar is nog ontsnapping te vinden, een uitweg, een andere manier, op zijn minst, om te definiëren wat het betekent om een persoon te zijn? Ik mag officieel dan geen futuroloog zijn, maar zelf denk ik dat dit in de toekomst nog wel eens heel gewild kan worden: een onaangepaste persoonlijkheid, onhandig en onverhandelbaar, maar juist daardoor ook behoorlijk gelukkig.
De vraag is alleen hoe je daar komt.
© 2024, Marian Donner