Nu in onze boekhandels: de tweede roman van Hebban Debuutprijswinnaar Koen Caris, Stad O.! Lees nu een fragment en koop dat boek.
In 2035 verkeert de wereld in crisis. Schaarste en armoede domineren, behalve in Stad O., waar de inwoners genieten van luxe: volle schappen, riante woningen en royale salarissen dankzij de fabriek Martha. Bethe en Tobias, een welgesteld koppel met een kinderwens, lijken het perfecte leven te leiden. Maar gaandeweg komt Bethe erachter dat er onverklaarbare dingen gebeuren. De fabriek lijkt gevaren met zich mee te brengen, en als ze op onderzoek uit wil ondervindt ze tegenwerking van het stadsbestuur. Terwijl Tobias berust in de situatie, vraagt Bethe zich af: wil ze nog wel een toekomst bouwen in een stad vol geheimen en gevaar?
In een even verrassende als verontrustende opvolger van zijn succesvolle en bekroonde debuutroman Stenen eten schetst Koen Caris een samenleving waarin welvaart en veiligheid om voorrang strijden. Een wereld waar we in angstvallig hoog tempo op af lijken te denderen.
1
Hijgend steekt Bethe de sleutel in de voordeur en haast zich door het brede trappenhuis omhoog. Ze heeft de hele weg naar huis gerend. Kookgeluiden kletteren de treden af en landen aan haar voeten wanneer ze hun eigen deur opent. Het fornuis staat al vol pruttelende pannen, het aanrecht vol schalen en snijplanken. Aan Tobias’ gezicht ziet ze dat ze veel eerder had moeten weggaan uit de bibliotheek. ‘Wat is er?’
‘Oven is weer stuk.’
‘Sorry?’
‘Oven. Stuk. Gaat niet aan.’ Hij doorklieft de lucht met een spatel. ‘Zo meteen staat iedereen op de stoep. Waar was je nou?’
Meestal blijft ze niet zo lang zitten, maar vanmiddag had ze een van de felbegeerde luie stoelen aan het raam op de vijfde verdieping bemachtigd, een unicum op zaterdag. ‘Ik ben te lang blijven lezen, sorry.’ Ze liegen niet tegen elkaar.
Hij legt de spatel neer en wrijft over zijn gezicht. ‘Maakt niet uit. Luie stoel?’
‘Luie stoel.’
‘Kom hier, kus.’ Ze kussen, nooit vluchtig, altijd lang, anders zijn ze niet echt thuis aangekomen.
‘Heb je t&w al gebeld voor de oven?’ vraagt ze.
‘Het is echt net gebeurd.’
‘Doe ik wel even.’
Een meisje van Tevredenheid & Woongeluk beantwoordt de telefoon – in O. krijg je zelfs nu nog vlees en bloed aan de lijn – en belooft dat er binnen het uur iemand voor de deur zal staan.
De open keuken is het enige verouderde deel van hun verder haast gênant luxe appartement. Als de voornaamste kok van hun huishouden begint Tobias zich er steeds meer aan te ergeren. De afgelopen maanden heeft hij een aantal keer opgemerkt dat onregelmatig vallende waterdruppels een bekende martelmethode zijn.
Drie kwartier later is de elektricien klaar, de oven gerepareerd en de avond gered. De elektricien laat een saunabon achter op het aanrecht, een geste van t&w als excuses voor het ongemak. Bethe legt de bon in het keukenlaatje op de stapel.
Tess en Kars arriveren als eerste. Tess draagt een chic, crèmekleurig mantelpak, maar haar nek en haren zitten onder de verfspatten. ‘Het spijt me, mon coeur, ik kwam te laat uit de studio.’ Ze drukt twee harde klapzoenen op Bethes wangen (Tess heeft ooit in Parijs gestudeerd) en loopt de keuken in. ‘Wat ben jij nú weer aan het maken?’
‘Stelt niks voor hoor,’ zegt Tobias.
‘Ja ja,’ zegt Kars, die zijn vrouw de keuken in volgt. ‘Zijn dat echte amandelen?’
‘Misschien.’
‘Wie heb jij moeten pijpen om echte amandelen te krijgen?’
Tess slaat hem lachend tegen zijn schouder.
Kars grijnst. Altijd als hij lacht moet Bethe aan een pad denken, een brede pad met bolle ogen en rode appelwangen.
Kort hierna komt Rob aan. Van hen allen woont hij het langste hier, hij kwam direct na de bouw mee met de eerste golf, dertien jaar geleden. Met zijn zachte stem en lange stiltes is hij een vreemde eend in de bijt. Waar de rest vrolijk door elkaar heen tettert en elkaar liefdevol vliegen afvangt, zit hij het liefst te luisteren. Bethe dacht eerst dat Tobias zijn oudere collega uitnodigde uit medelijden, maar ontdekte al snel hoe aardig Rob is. Bescheiden, lief maar niet saai. Inmiddels is hij Tobias’ beste vriend en een volwaardig onderdeel van de vriendendiners, toch blijft er een zweem van goed doel aan hem kleven. Tobias heeft Bethe weleens toevertrouwd dat hij niemand zo graag zijn eten voorschotelt als Rob; hij wil hem nog altijd een beetje bijvoeren.
Terwijl ze wachten op Laurence wrijft Rob zorgelijk langs de geelslappe bladeren van de calathea in de vensterbank.
‘Ik weet het,’ zegt ze schuldbewust. Rob is een fantastisch tuinier. Zijn eigen tuin heeft hij met engelengeduld omgebouwd tot een oase, vol kwetsbare planten die een monnikachtige toewijding vereisen. De groenten die hij verbouwt zouden niet misstaan in de houten kisten van de groenteboeren op het grote plein. Hij zou er meerdere families mee kunnen voeden, maar Rob is alleen, een van de weinige alleenstaanden in deze gezinsstad.
Een halfuur later is er nog geen spoor van Laurence. Als Bethe hem belt krijgt ze zijn voicemail. Het is kwart over zeven als eindelijk de bel gaat. ‘Het spijt me, het spijt me, het spijt me!’ roept Laurence door hun boegeroep heen terwijl hij de trap op rent die de woonkamer in leidt. Zijn dikke donkere krullen verschijnen in het trapgat. ‘Máár: ik heb een uitstekende reden.’ Met twee handen tilt hij zijn aktetas op de koffietafel, het luide gerinkel maant hen direct tot stilte. Hij opent de tas en trekt er een paar wijnflessen uit. ‘Ons mannetje is toch niet verdwenen! Hij moest alleen verkassen, iemand had hem weer eens aangegeven bij Stadsdiensten. Blijkbaar verkoopt hij nu van achterin die wolwinkel op het Noordplein.’ Tess en Kars grijpen elk een fles en beginnen opgewonden de etiketten te bestuderen. ‘Domaine de la Romanée-Conti Montrachet,’ zegt Laurence trots. Bethe gaat naar de keuken om glazen te halen.
Wanneer ze zich met hun wijn geïnstalleerd hebben en Tobias de laatste hand aan het eten legt, keert Kars zich met glanzende ogen tot Laurence. ‘En, wat maak jij ervan? De grote verdwijntruc?’
Laurence’ gezicht betrekt, dan glimlacht hij. ‘Ach, moeten we het daarover hebben?’
‘De wat?’ vraagt Tess.
‘Niks. Amir en Teun zijn vanochtend vertrokken.’
‘Wat bedoel je, vertrokken?’
‘De stad uit.’
‘Daar heb ik niets over gehoord,’ zegt Tess.
Er vertrekken zelden mensen uit O. Bethe heeft het in drie jaar nog niet meegemaakt. Van de vele kunstenaarsvrienden van Tess en Laurence is Amir de bekendste, een angstaanjagend intelligente schrijver wiens werk in zowat elke boekenkast van de stad te vinden is. Zijn man Teun is een collega van Tobias, Kars en Rob.
‘Onaangekondigd,’ zegt Kars. ‘Vanochtend was het Blauwe Huis ineens leeg.’
‘Het koffiezetapparaat zijn ze vergeten,’ zegt Laurence. ‘Dat stond nog aan. Moet je je voorstellen: huis uitgestorven, die twee mannen met de noorderzon, en op het lege aanrecht zo’n eenzaam pruttelend apparaat.’ Als docent literatuurwetenschappen is hij natuurlijk meteen op jacht gegaan naar het veelzeggende detail.
‘Waarom in godsnaam?’ vraagt Tess, geërgerd door al deze informatie over hun vriend die zij niet had.
‘Wie het weet, mag het zeggen.’
Tobias zegt dat het eten klaar is en dirigeert hen richting de eettafel. Hij legt zijn hand op Laurence’ rug en pas daardoor dringt het tot Bethe door dat Laurence van slag is door het onverwachte vertrek. Niemand van hen heeft daarbij stilgestaan, alleen Tobias.
‘En nu is het klaar hoor,’ zegt Laurence, ‘ik ga deze wijn niet aan een sippe avond verspillen.’
[…]
© 2025 Koen Caris