Boek van de Maand bij Scheltema: Alison Espachs The Wedding People, vertaald door Janne Van Beek en Maaike Harkink! Lees bij ons een fragment en koop dat boek.
Een weelderige zomerse bruiloft in een luxe hotel aan zee wordt verstoord door de veertigjarige, pas gescheiden Phoebe, die zielsalleen incheckt met álles behalve huwelijksgeluk aan haar hoofd. De bruid heeft haar droomhuwelijk tot in de puntjes geregeld, en deze sneue buitenstaander in ondergangsstemming dreigt alles om zeep te helpen. Totdat Phoebe een onverwacht openhartig, opluchtend gesprek met haar aanknoopt… En vervolgens nog een, en voordat ze er erg in heeft wordt Phoebe meegenomen in het feestgewoel, en is ze een bruiloftsgast tegen wil en dank.
Een toevallige, nachtelijke ontmoeting met een mysterieuze man zorgt voor verdere complicaties, maar misschien ook meer.
Dinsdag
De openingsreceptie
het hotel ziet er precies uit zoals Phoebe had gehoopt. Rustend op het randje van de klif als een oude statige hond die haar geduldig opwacht. De oceaan erachter kan ze niet zien, maar ze weet dat hij er is, net zoals ze bij het oprijden van haar oprit kon voelen dat haar man aan zijn manuscript zat te typen in zijn werkkamer.
De liefde was een onzichtbare draad die hen altijd met elkaar verbond.
Phoebe stapt uit de taxi. Een man gekleed in bordeauxrood komt haar tegemoet, met zo’n ernst dat het voelt alsof het moment lang van tevoren is gechoreografeerd. Het bevestigt voor haar dat ze de juiste keuze maakt.
‘Goedenavond,’ zegt de man. ‘Welkom bij The Cornwall Inn. Kan ik uw bagage aannemen?’
‘Ik heb geen bagage,’ zegt Phoebe.
Toen ze uit Saint Louis vertrok voelde het belangrijk om alles achter te laten – de echtgenoot, de woning, de bagage. Het was tijd om los te laten en dat wist ze omdat ze dit vorig jaar samen hadden afgesproken aan het einde van de scheidingszitting. Phoebe was totaal verbluft door de finaliteit van hun gesprek, door de manier waarop haar man ‘Oké, hou je goed’ zei, alsof hij de postbode was die haar het beste wenste. Hierna kon ze zich nergens meer toe zetten, behalve dan in bed kruipen en gin-tonics drinken en luisteren naar het geluid van de koelkast die ijsblokjes maakte. Niet dat ze ergens naartoe hoefde. Dit speelde zich midden in de lockdown af, toen ze alleen het huis uit ging om gin en toiletpapier te halen en ze haar online lessen iedere dag in dezelfde zwarte blouse gaf, want wat moest je anders dragen? Tegen de tijd dat de lockdown voorbij was, wist ze dat eerlijk gezegd niet meer.
Maar nu staat Phoebe voor een negentiende-eeuws hotel in Newport in een smaragdgroene zijden jurk, het enige stuk in haar kledingkast waarvan ze oprecht kan zeggen dat ze er nog steeds gek op is, waarschijnlijk omdat het het enige was dat ze nog nooit heeft gedragen. Zij en haar man deden nooit iets wat er chic genoeg voor was. Ze waren docenten. Ze waren relaxed. Geen poespas. Zaten het liefst voor de haard met hun katje op schoot. Ze hielden van normale dingen: wat er maar op de tap zat, wat er maar op tv was, wat er maar in de koelkast lag, welk overhemd er maar het normaalst uitzag, want dat was toch het doel van kleding? Bewijzen dat je normaal was? Iedere dag weer bewijzen dat je, wat er ook gebeurde, iemand was die een overhemd of blouse kon aantrekken?
Maar die ochtend, voordat ze op het vliegtuig stapte, werd Phoebe wakker en wist ze dat ze niet langer normaal was. Toch roosterde ze een boterham. Stapte onder de douche. Droogde haar haar. Verzamelde haar aantekeningen voor haar college op de tweede dag van het herfstsemester. Opende haar kast en keek naar alle kledingstukken die ze ooit had gekocht, puur omdat ze eruitzagen als blouses die een universitair docent aan hoorde te hebben op haar werk. Rijen van effen blouses, de vrouwelijke versie van wat haar man droeg. Ze trok een grijze uit de kast, hield deze op voor de spiegel, maar kon zichzelf er niet toe brengen de blouse aan te trekken. Kon niet naar haar werk gaan en haar gezicht in een geïnteresseerde uitdrukking houden terwijl ze bij de printer naar een collega luisterde die uitweidde over het verbazingwekkende belang van kaas in de middeleeuwse theologie.
In plaats daarvan trok ze de smaragdgroene jurk aan. De gouden hakken van haar bruiloft. De dikke parelketting die haar man als een blinddoek over haar ogen had gelegd op hun huwelijksnacht. Ze stapte in het vliegtuig, dronk een indrukwekkend goede gin-tonic die zo heerlijk koel door haar keel gleed dat ze de blaren nauwelijks voelde toen ze uit het vliegtuig stapte.
‘Deze kant op, mevrouw,’ zegt de man in bordeaux.
Phoebe geeft de man twintig dollar en hij lijkt verbaasd dat hij een fooi krijgt waar hij niets voor hoefde te doen, maar voor Phoebe is het niet niets. Het is lang geleden dat een man meteen opstond nadat hij haar uit een auto heeft zien stappen. Jaren geleden dat haar man uit zijn werkkamer tevoorschijn kwam om haar te begroeten als ze thuiskwam. Het is fijn dat er iemand voor je opstaat, fijn te voelen dat je komst een belangrijke gebeurtenis is. Fijn haar hakken te horen klikken terwijl ze over het oude klinkerpad naar de ingang loopt. Ze had dit geluid altijd al willen maken en zich voornaam en elegant willen voelen bij het binnenlopen van een collegezaal, maar op haar universiteit lag overal vloerbedekking.
Ze loopt de trap op, langs de grote zwarte lantaarns en de stenen leeuwen die de deur bewaken. Ze stapt tussen de gordijnen door de lobby in, en ook dat voelt goed. Alsof je terug in de tijd gaat naar een andere wereld die waarschijnlijk niet beter was maar tenminste overvloedig was bekleed met fluweel.
Dan ziet ze de rij voor de receptie.
Die is immens lang – een rij die ze bij het vliegveld had verwacht en niet bij een victoriaans landhuis met uitzicht op zee. Toch is daar die rij, die zich door de hele lobby uitstrekt tot voorbij de monumentale eikenhouten trap. De mensen die erin staan zien er ook helemaal verkeerd uit – gekleed in windjacks en spijkerbroeken en sneakers. De normale blouses die Phoebe ook altijd droeg. Ze zien er belachelijk doorsnee uit naast de fluwelen gordijnen en de portretten van bebaarde mannen in vergulde lijsten waarmee de muren volhangen. Ze zien eruit als moderne, succesvolle mensen, verbonden met de aarde door hun titanium rolkoffers. Sommigen staan in hun telefoon te praten. Sommigen staan te lezen op hun telefoon, alsof ze bereid zijn voor altijd in deze rij te staan en misschien zijn ze dat ook wel. Misschien hebben zij ook geen familie meer. Phoebe voelt de verleiding er nu zo over te denken – om te geloven dat iedereen net zo alleen is als zij.
Maar zij zijn niet alleen. Ze staan in groepjes van twee of drie, sommigen met hun armen in elkaar gehaakt, sommigen met hun hand op iemands rug. Ze zijn blij en dat weet Phoebe omdat ze om de zoveel tijd verkondigen dat ze zo blij zijn.
‘Jim!’ roept een oude man die zijn armen uitspreidt als een beer. ‘Ik ben zó blij je te zien!’
‘Ha, opa Jim,’ antwoordt een jongere man, want het lijkt alsof praktisch iedereen in de rij Jim heet. De Jimmen begroeten elkaar met onstuimige knuffels en hallo’s. ‘Waar is oom Jim? Staat ie al op de golfbaan?’
Zelfs de jonge vrouw achter de receptie ziet er blij uit, vastberaden om iedere gast diep in de ogen te kijken, ze vraagt iedereen naar de reden van hun bezoek, terwijl ze allemaal hetzelfde zeggen, en zij dus hetzelfde terugzegt: ‘O, u komt voor de bruiloft! Geweldig!’ Ze klinkt oprecht enthousiast over de bruiloft en misschien is ze dat ook wel. Misschien is ze nog zo jong dat ze denkt dat andermans bruiloft op de een of andere manier om haar draait. Dat gevoel had Phoebe altijd toen ze jong was en zich een maand lang druk maakte over welke jurk ze aan moest trekken, ook al stond ze uiteindelijk bij elke bruiloft ergens aan de zijlijn.
Phoebe sluit aan in de rij. Voor haar staan twee vrouwen die bijna identieke groene jurken over hun arm dragen. De ene draagt nog steeds haar nekkussen met cheetaprint uit het vliegtuig. De andere heeft haar knot zó hoog dat er slordige rode lokken over haar voorhoofd bungelen, ze bladert door een People-magazine. Ze zijn verwikkeld in een discussie op fluistertoon over wie de vreselijkste vlucht had en hoe oud zou dit hotel nou écht zijn en waarom zijn mensen tegenwoordig eigenlijk zo geobsedeerd door Kylie Jenner? Alsof het ons iets kan schelen dat zij hotter is dan Kim Kardashian?
‘Is ze dat dan?’ vraagt Nekkussen. ‘Ik heb namelijk altijd gevonden dat ze allebei op een bepaalde manier lelijk zijn.’
‘Maar dat geldt denk ik voor iedereen,’ zegt Hoge Knot. ‘Iedereen heeft wel één ding dat hen lelijk maakt. Zelfs mensen die professioneel hot zijn. Dat schijnt een soort vuistregel te zijn.’
‘Ik denk dat je een gulden regel bedoelt.’
‘Misschien.’ Hoge Knot zegt dat ze, hoewel ze weet dat ze in de basis knap is, iets waar vijf jaar therapie voor nodig was om toe te kunnen geven, ook weet dat haar tandvlees te zichtbaar is als ze lacht.
‘Dat is me nooit opgevallen,’ zegt Nekkussen.
‘Omdat ik nooit van oor tot oor lach.’
‘Dus al die tijd dat ik je ken, heb je nooit voluit gelachen?’
‘Sinds de middelbare school niet meer.’
De rij schuift een stukje naar voren en Phoebe kijkt omhoog naar het cassetteplafond, dat zo hoog is dat ze zich af begint te vragen hoe ze het schoonmaken.
© 2024 Alison Espach
© 2025 Nederlandse vertaling Janne Van Beek en Maaike Harkink